ECLI:NL:RBDHA:2026:17386
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Den Haag
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-2124
Zaaknummer: C/09/700644
Datum beschikking: 27 mei 2026Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Rastegar in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht van 27 maart 2026 met bijlage van de vader.
Op 29 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader bijgestaan door zijn advocaat.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] .
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
[de minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot het treffen van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat de vader verzoekt een regeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] om de week een heel weekend bij de vader is, van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondagmiddag 17.00 uur, waarbij ouders gelijkelijk verantwoordelijk zijn voor het halen en brengen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het voor de (identiteits-)ontwikkeling van een kind in algemene zin van belang is om contact te hebben met beide ouders. Een kind heeft ook het recht om contact te hebben met beide ouders, tenzij dit niet in het belang is van het kind. Een ouder heeft – tenzij er sprake is van ernstige, wettelijk vastgelegde, contra-indicaties – ook recht op contact met zijn kind. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat contact met de vader niet in het belang van [de minderjarige] zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de vader onweersproken heeft gesteld dat er een informele zorgregeling heeft bestaan, waarbij [de minderjarige] om de week een weekend bij de vader was. Van contra-indicaties, waaruit zou volgen dat contact niet (langer) in het belang is van [de minderjarige] , is niet gebleken. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader om vaststelling van een zorgregeling zal toewijzen. Omdat [de minderjarige] nog heel jong is en hij zijn vader al geruime tijd niet meer heeft gezien, zal de rechtbank bepalen dat de contacten moeten worden opgebouwd, zodat [de minderjarige] weer rustig aan het contact met zijn vader kan wennen.
De rechtbank zal ook het verzoek van de vader om te bepalen dat beide ouders een gelijk aandeel hebben in het halen en brengen van [de minderjarige] toewijzen, nu dit verzoek de rechtbank redelijk voorkomt. Om te voorkomen dat de verdeling van deze taken tot verdere discussies leidt, zal de rechtbank een concrete regeling vaststellen.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank het volgende op. De enige reactie van de zijde van de moeder op het verzoek om het contact te herstellen, komt erop neer dat zij vindt dat de vader [de minderjarige] pas weer mag zien als hij kinderalimentatie voor hem betaalt. De rechtbank stelt voorop dat het feit dat de vader niet bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , geen reden is om hen het recht op contact met elkaar te ontzeggen. De rechtbank stelt ook vast dat de vader tijdens zitting heeft gezegd dat hij bereid is om kinderalimentatie te betalen. Partijen hebben echter nog geen afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de opvoeding. Het ligt op de weg van de ouders om daarover met elkaar te overleggen, elkaar inzicht te geven in hun financiële situatie en concrete voorstellen te doen, omdat duidelijk is dat dit onderwerp tot discussies en spanningen tussen hen leidt. Die discussies en spanningen zijn niet in het belang van [de minderjarige] .
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt, ter vaststelling van de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vader zal zijn:
in juni 2026: om de week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
in juli 2026: om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
vanaf augustus 2026: om de week van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.00 uur;
waarbij de moeder de minderjarige naar de vader brengt en de vader de minderjarige bij de moeder terugbrengt;
en verklaart deze regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2026.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.