[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17486":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17486":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1931","ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nZaaknummers: I. C\u002F09\u002F698273 \u002F FA RK 26-697\n\n II. C\u002F09\u002F698787 \u002F JE RK 26-172\n\nDatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nBeschikking van de meervoudige kamer\n\nI. Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogdij;\n\nII. Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.\n\nIn de zaak van\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,regio Haaglanden (I),\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nen\n\nStichting Jeugdbescherming west Haaglanden (II),\n\nhierna te noemen: de gecertificeerde instelling,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [grootmoeder vaderszijde],\n\nhierna te noemen: de grootmoeder vaderszijde\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. J.A. Hoste te Den Haag,\n\nde gecertificeerde instelling.\n\nDe rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:\n\nde moederende grootmoeder vaderszijdevoornoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 6 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg (bij de grootmoeder vaderszijde) verlengd tot 31 mei 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van de meervoudige kamer op 12 mei 2026, zodat het verzoek gecombineerd behandeld kon worden met het verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging en het benoemen van de voogdij (C\u002F09\u002F698273 FA RK 26-697). De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift (I) met bijlagen, ontvangen op 23 januari 2026;\n\nhet verzoekschrift (II) met bijlagen, ontvangen op 3 februari 2026;\n\nhet gezinsplan van de gecertificeerde instelling van 5 februari 2026, ontvangen op 6 februari 2026;\n\nde beschikking van 6 maart 2026;\n\nhet verweerschrift van de grootmoeder vaderszijde met zelfstandig verzoek van 6 mei 2026;\n\nde concept-vaststellingsovereenkomst van de mediation van 7 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026;\n\nde bereidverklaring van de grootmoeder vaderszijde van 12 mei 2026, overlegd ter zitting van 12 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde grootmoeder vaderszijde met haar advocaat;\n\n [naam 1] namens de Raad;\n\n- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.\n\n1.3.. De moeder is niet verschenen. De moeder is wel juist opgeroepen. In het kader van de pilot kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging is op 16 februari 2026 mr. J. Gravesteijn (op dat moment de voorkeursadvocaat van de moeder) toegevoegd aan de moeder, nadat hij te kennen heeft gegeven bereid te zijn de moeder bij te staan. Op 8 april 2026 heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank bericht zich te onttrekken in de zaken C\u002F09\u002F698273 (het verzoek tot gezagsbeëindiging) en C\u002F09\u002F698787 (het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling). Desgevraagd heeft mr. J. Gravesteijn de rechtbank telefonisch toegelicht dat hij voordat hij zich onttrok de moeder een maand de tijd had gegeven om een nieuwe advocaat te vinden, zodat er een warme overdracht kon plaatsvinden. Nu er zich geen nieuwe advocaat stelde heeft de rechtbank op 28 april 2026 de moeder een brief gestuurd, waarin zij er op werd gewezen dat zij recht heeft op juridische bijstand en dat zij hiervoor zelf een advocaat kon benaderen of de rechtbank kon vragen om een (nieuwe) advocaat aan te wijzen. De moeder diende dit zo snel als mogelijk aan de rechtbank door te geven. De moeder heeft naar aanleiding van de brief niets aan de rechtbank laten weten. Een uur voor aanvang van de zitting heeft de moeder gebeld naar de rechtbank en te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn, omdat zij niet naar de rechtbank durfde te komen zonder een advocaat. Een advocaat had haar niet teruggebeld en die zou zij vandaag gaan bellen. Ter zitting heeft de rechtbank telefonisch contact met de moeder opgenomen en haar naar haar standpunt gevraagd. Gezien het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid en nu de moeder de mogelijkheid tot rechtsbijstand heeft gehad, heeft de rechtbank alles afwegende besloten de behandeling van de verzoeken niet aan te houden. Desgevraagd door de voorzitter heeft de moeder laten weten geen behoefte te hebben de zitting verder telefonisch bij te wonen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige] is erkend door de vader, [de vader] .\n\n2.2.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij de grootmoeder vaderszijde en verblijft uit hoofde van een contactregeling met de moeder een aantal nachten per week bij de moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.5.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 31 mei 2026.\n\n2.6.. De gecertificeerde instelling heeft zich bij brief van 19 januari 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n2.7.. De grootmoeder vaderszijde heeft zich bij brief van 12 mei 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.\n\n3. Het verzoek\n\nVerzoek I: gezagsbeëindiging en benoeming voogdij\n\n3.1.. De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De moeder kampt met jarenlange verslavingsproblematiek en is in het verleden wisselend beschikbaar geweest voor [minderjarige] . Sinds 2022 is er sprake van een machtiging tot uithuisplaatsing en sindsdien verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Ondanks de ondertoezichtstelling en de ingezette hulpverlening, is het niet gelukt om te komen tot een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder is niet in staat om de volledige zorg over [minderjarige] te dragen en het lukt haar onvoldoende – door de terugvallen in middelengebruik die zij heeft – een structurele stabiele factor te zijn in het leven van [minderjarige] . In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal opgroeien. Het perspectief ligt volgens de gecertificeerde instelling bij de grootmoeder vaderszijde. De moeder kan dit opvoedperspectief niet goed begrijpen, omdat het volgens haar juist het afgelopen jaar – waarmee de moeder doelt op 2025 – beter gaat. De Raad ziet dat het vanaf december 2025 opnieuw minder goed gaat met de moeder, waarbij er twee incidenten zijn geweest waarbij de moeder weer is teruggevallen in haar middelengebruik. Gelet op de terugkerende zorgen over het persoonlijk functioneren van de moeder zal [minderjarige] volgens de Raad ernstig bedreigd worden in zijn ontwikkeling als hij volledig teruggeplaatst zou worden bij de moeder. Daarbij is de Raad van mening dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Zoals reeds genoemd verblijft [minderjarige] al sinds 2022 bij de oma vaderszijde en ligt het perspectief niet meer bij de moeder. De Raad heeft niet de verwachting dat de moeder de volledige verzorging voor [minderjarige] zal kunnen dragen. Daarnaast is het op dit moment voor [minderjarige] onduidelijk waar hij op de langere termijn mag opgroeien en ervaart hij last van de onzekerheid over zijn opvoedplek.\n\n3.3.. De Raad ziet het belang van de voortzetting van het verblijf bij de grootmoeder vaderszijde, maar vindt het op dit moment te vroeg om de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde te beleggen. De grootmoeder vaderszijde is namelijk voornemens om naar [land] te verhuizen. Die wens is al lange tijd bekend bij de gecertificeerde instelling. Als de voogdij bij de grootmoeder zal komen te liggen, dan zal ook [minderjarige] naar [land] verhuizen en zal de hulpverlening wegvallen. Dit is niet in het belang van [minderjarige] . Daarbij heeft [minderjarige] op dit moment een uitgebreide zorgregeling met de moeder en die zal dan worden beperkt. De Raad heeft in dat licht ook zorgen over het grillige en ambivalente contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde. Als hij in [land] verblijft zou de grootmoeder vaderszijde het contact tussen de moeder en [minderjarige] zelfstandig kunnen stoppen. Het is belangrijk dat een gecertificeerde instelling hierin nog ondersteuning kan bieden. Verder is het van belang dat er nog toezicht kan worden gehouden op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De vader is bekend met agressie- en verslavingsproblematiek en is in december 2025 vrij gekomen uit detentie, waarna er opnieuw een incident heeft plaatsgevonden bij de moeder. Het is belangrijk dat de gecertificeerde instelling deze situatie met de vader kan vormgeven. Als [minderjarige] in [land] verblijft is het zicht volledig weg. De Raad is zich bewust van het feit dat dit een complex besluit is, nu haar advies inhoudt dat [minderjarige] niet mee naar [land] kan en de grootmoeder hierdoor of niet naar [land] kan verhuizen of [minderjarige] in een neutraal pleeggezin terecht zal komen, wat voor hem ook heel ingrijpend zal zijn. Desondanks is de Raad van mening dat er op dit moment nog te veel risico’s en drempels zijn voor het beleggen van de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde en daarmee de verhuizing naar [land] . Volgens de Raad is het op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] dat de gecertificeerde instelling wordt belast met de voogdij. De gecertificeerde instelling kan zich voor de hiervoor genoemde punten inzetten – waarbij het van belang is dat er meer regie wordt gepakt dan de afgelopen periode – en zij kunnen vervolgens zelf inschatten wanneer het mogelijk wél passend is dat de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. Ter zitting heeft de Raad benadrukt dat zij niet van mening is dat de voogdij nooit naar de grootmoeder vaderszijde zou kunnen, maar dat het daarvoor op dit moment volgens de Raad nog te vroeg is.\n\nVerzoek II: verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n3.4.. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] – als het verzoek tot gezagsbeëindiging wordt afgewezen – in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. De gecertificeerde instelling stelt daartoe als volgt. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is nog onverminderd aanwezig. Deze bedreiging is met name gelegen in de aanhoudende onzekerheid over zijn toekomst, de complexe dynamiek tussen de betrokken volwassenen en de blijvende zorgen over het persoonlijke functioneren van de moeder. Ondanks de ingezette hulpverlening is de moeder structureel onvoldoende in staat om een duurzame, stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving te bieden. Het blijft daarom nodig dat de gecertificeerde instelling regie blijft voeren om de belangen van [minderjarige] te bewaken, escalaties te voorkomen, afstemming tussen de betrokkenen te blijven faciliteren en te blijven onderzoeken welke route en verblijfplaats het minst schadelijk zijn voor zijn ontwikkeling. Daarbij is het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde wordt gecontinueerd. Er zijn op dit moment geen alternatieven die minder belastend zijn en hij ervaart een voor hem vertrouwde, veilige en stabiele opvoedomgeving bij de grootmoeder. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is op dit moment voor [minderjarige] zeer onwenselijk en schadelijk voor zijn emotionele ontwikkeling en gevoel van veiligheid. Binnen de plaatsing bij de grootmoeder vaderszijde kan zorgvuldig gezocht worden naar een toekomstperspectief dat recht doet aan ieders belang.\n\n4. De standpunten\n\nVerzoek I\n\n4.1.. De moeder heeft telefonisch medegedeeld achter de concept-vaststellingsovereenkomst te staan die ter zitting is ingediend door de grootmoeder vaderszijde. Daarnaast wil de moeder absoluut niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt. De afgelopen maanden is er geen contact geweest met de jeugdbeschermer en de moeder ziet haar andere dochter – waarvan haar gezag is beëindigd – niet meer. De moeder wil daarom niet dat de gecertificeerde instelling de voogdij krijgt over [minderjarige] , omdat zij dan denkt dat zij nog een kind – in haar eigen woorden – kwijt is. Dan wil de moeder liever dat de grootmoeder vaderszijde de voogdij krijgt, als zij een goede contactregeling met [minderjarige] heeft en hem elke maand ziet.\n\n4.2.. Door en namens de grootmoeder vaderszijde is verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling als voogd. De grootmoeder vaderszijde verzoekt op basis van artikel 1:275 lid 2 BW om te worden belast met de voogdij (en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren). [minderjarige] verblijft al sinds zijn geboorte in de weekenden bij de grootmoeder vaderszijde. Vanaf 2021 is de grootmoeder pleegouder geworden en de afgelopen drieënhalf jaar draagt de grootmoeder de dagelijkse zorg over [minderjarige] . Volgens de grootmoeder heeft zij haar wens om naar [land] te verhuizen al in 2023 kenbaar gemaakt bij de gecertificeerde instelling. Op dat moment was er nog sprake van een plan voor terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Door de gecertificeerde instelling is toen aangegeven dat er een tweesporenbeleid zou gaan gelden, één gericht op terugplaatsing bij de moeder en als dit niet mogelijk was, een verblijf van [minderjarige] bij de grootmoeder vaderszijde in [land] . In 2023 heeft de grootmoeder vaderszijde haar huis verkocht en in 2024 is het huis in [land] gekocht. Omdat er nog steeds sprake was van een mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, is [minderjarige] in [plaats 2] naar school gegaan. Toen het perspectief niet meer bij de moeder lag is besloten om [minderjarige] in [plaats 2] op school te laten. Dit om te voorkomen dat [minderjarige] , gezien zijn kwetsbaarheid en grote behoefte aan structuur, twee keer in korte tijd van school zou moeten wisselen – één keer in Nederland en één keer bij vertrek naar [land] . Om dit te faciliteren is de grootmoeder vaderszijde tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] . Tijdens het perspectiefonderzoek is onderzocht of een neutraal pleeggezin passend is voor [minderjarige] , maar dit wordt door de gecertificeerde instelling niet passend geacht. Ook de pleegzorgbegeleider en de systeemtherapeut hebben te kennen gegeven dat het heel belangrijk is dat [minderjarige] bij de grootmoeder blijft, nu dit de stabiele persoon is in zijn leven. De Raad heeft naar voren gebracht dat hun voornaamste bezwaar is dat de hulpverlening wegvalt, maar op dit moment regelen de moeder en de grootmoeder vaderszijde bijna alles onderling. De grootmoeder vaderszijde heeft één keer per jaar een huisbezoek van de pleegzorgbegeleider en daarnaast houdt zij de gecertificeerde instelling op de hoogte als de contactmomenten anders lopen dan gepland. Daarnaast hebben de betrokken instanties ook aangegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder – als zij hulp nodig heeft – deze hulpverlening goed zal weten te vinden in [land] . Verder heeft de grootmoeder vaderszijde de afgelopen jaren – ook de afgelopen maanden toen de jeugdbeschermer was uitgevallen – het contact tussen [minderjarige] en de moeder altijd gefaciliteerd. Door de instanties wordt de regie voor het contact tussen [minderjarige] en de moeder al jarenlang grotendeels bij de grootmoeder vaderszijde gelegd. Het was daarbij steeds aan de grootmoeder vaderszijde om te bepalen of het contact met de moeder op dat moment verantwoord en veilig was. Het verwijt van de Raad dat de grootmoeder vaderszijde eventueel zelf het contact zou kunnen stoppen, heeft haar diep gekwetst. Zij heeft zich juist de afgelopen jaren maximaal ingespannen om het contact met de moeder vorm te geven, hoe ingewikkeld het soms ook was, en heeft laten zien dat zij goed met de moeder afspraken kan maken. Door grootmoeder vaderszijde met de voogdij te belasten wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. Daarnaast kan [minderjarige] door de voogdijbenoeming meeverhuizen naar [land] , zodat de huidige opvoedsituatie, waarin [minderjarige] een stabiele hechtingsrelatie met de grootmoeder heeft opgebouwd, kan worden gecontinueerd. Ter zitting heeft de grootmoeder vaderszijde een door haar en de moeder ondertekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die is opgesteld naar aanleiding van een gesprek met een mediator. In deze overeenkomst staat dat de moeder instemt met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde én met de verhuizing van [minderjarige] naar [land] mét een maandelijkse weekendregeling met de moeder en nog een aantal extra afspraken over dit contact. De grootmoeder vaderszijde zal zich tot het uiterste inspannen om het contact tussen [minderjarige] en de moeder te blijven waarborgen. In dit licht verzoekt de grootmoeder aan de rechtbank om te bepalen dat [minderjarige] en de moeder minimaal eenmaal per maand contact hebben, waarbij de grootmoeder vaderszijde en [minderjarige] naar Nederland zullen reizen, tenzij de moeder die betreffende maand naar [land] komt. Ten aanzien van het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft de grootmoeder vaderszijde ter zitting naar voren gebracht dat zij de afgelopen jaren al heeft moeten kiezen voor [minderjarige] , door haar eigen zoon de deur te wijzen en niet bij haar te laten slapen, ondanks dat hij geen eigen woning heeft. Zij heeft de ontwikkeling van [minderjarige] altijd boven die van [minderjarige] vader gezet en zal dit ook blijven doen. Als het in niet in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader, dan zal er ook geen contact plaatsvinden.\n\n4.3.. De gecertificeerde instelling kan instemmen met het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder. Het perspectief van [minderjarige] ligt niet meer bij de moeder en de aanvaardbare termijn is verstreken. De gecertificeerde instelling ziet dat het ten aanzien van het benoemen van de voogdij gaat om een zeer complexe situatie. In januari 2025 heeft de gecertificeerde instelling bepaald dat het perspectief van [minderjarige] bij de grootmoeder ligt. Op dat moment is het plan ontstaan dat [minderjarige] mee kan verhuizen naar [land] , zodat hij bij een voor hem veilige en vertrouwde opvoeder kan opgroeien, zonder de ingrijpende plaatsing in een neutraal pleeggezin. Na overleg met de Centrale Autoriteit lijkt de enige aangewezen route om [minderjarige] met de grootmoeder vaderszijde mee te laten verhuizen dat zij als pleegouder de voogdij krijgt. De Raad heeft daarentegen, nadat zij onderzoek heeft gedaan, aangegeven dat zij dit niet in belang van [minderjarige] acht. De gecertificeerde instelling ziet de door de Raad genoemde risico’s ook, maar ziet daarnaast ook veel mogelijkheden bij de grootmoeder vaderszijde. Dit maakt dat er sprake is van een heel ingewikkeld dilemma. Daarbij benadrukt de gecertificeerde instelling dat volgens hen een plaatsing in een neutraal pleeggezin onwenselijk is. Desondanks zien zij ook de ambivalentie in het contact tussen de moeder en grootmoeder vaderszijde en is de rol van de vader nog niet heel duidelijk uitgekristalliseerd. Dit zou de komende periode dan nog verder uitgezocht moeten worden. Daarentegen ziet de gecertificeerde instelling dat het ook belangrijk is dat er een keuze wordt gemaakt over het verblijf, nu juist de onzekerheid over zijn toekomst als een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] wordt gezien.\n\nVerzoek II\n\nDe moeder en de grootmoeder vaderszijde hebben zich niet over dit verzoek uitgelaten.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:\n\na. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of\n\nb. de ouder het gezag misbruikt.\n\n5.2.. Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.\n\n5.3.. De rechtbank overweegt in dit geval als volgt. De rechtbank is van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en de beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het privé- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] . [minderjarige] is enkele dagen na zijn geboorte (voorlopig) onder toezicht gesteld – waarna de ondertoezichtstelling tot op heden telkens is verlengd – en sinds 2022 is er sprake van een formele uithuisplaatsing bij de grootmoeder vaderszijde. Ondanks de kinderbeschermingsmaatregelen is het de afgelopen jaren niet gelukt om te komen tot een daadwerkelijke duurzame en structurele verbetering voor [minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. De moeder kampt met complexe problematiek in haar persoonlijk functioneren en de rechtbank constateert dat er sprake is van een hardnekkig patroon waarin de moeder lijkt te profiteren van de hulpverlening, haar leven beter op orde heeft en dan alsnog terugvalt in haar (verslavings-)problematiek. Hoewel de rechtbank ziet dat de moeder nu gedeeltelijk de verzorging en opvoeding draagt over haar oudste twee kinderen (van 13 en 15 jaar), constateert de rechtbank ook dat deze kinderen een andere opvoedingsbehoefte hebben en de vader van deze kinderen een stabiele factor vormt in hun leven. Bij een onrustige periode in het leven van de moeder kan deze vader de kinderen opvangen en hij kan ook de moeder in het algemeen ontlasten doordat de kinderen elke week in het weekend bij hem verblijven. Hiertegenover staat dat de vader van [minderjarige] een (extra) trigger lijkt te zijn voor (de problematiek van) de moeder. Dit zorgt voor extra spanning bij de moeder en heeft een aantal maanden geleden nog tot een heftig incident geleid dat opnieuw impact heeft gehad op [minderjarige] (en zijn veiligheidsgevoel). De rechtbank is van oordeel dat de moeder [minderjarige] op dit moment nog steeds een onvoldoende veilige en stabiele opvoedomgeving kan bieden – die hij gezien zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid wel nodig heeft – en dat hij hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarbij deelt de rechtbank, gelet op het patroon van de afgelopen jaren, de verwachting van de Raad en de gecertificeerde instelling dat de moeder ook in de nabije toekomst onvoldoende in staat zal zijn om zelfstandig de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging over [minderjarige] te dragen.\n\n5.4.. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat hij duidelijkheid krijgt over waar hij gaat opgroeien. Hoewel de gecertificeerde instelling begin 2025 al heeft bepaald dat niet meer actief wordt gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, blijft er onzekerheid over zijn verblijfsplek bestaan. Er blijft onduidelijkheid voor [minderjarige] of hij met de grootmoeder kan meeverhuizen naar [land] – welk voornemen ook bij hem al langer bekend was – of dat hij toch in Nederland zal blijven met het gevolg dat hij dan in een neutraal pleeggezin zal moeten worden geplaatst. Ondanks zijn jonge leeftijd krijgt [minderjarige] de onrust over zijn verblijfsplek in de toekomst mee. Hij laat ook bepaalde kindsignalen zien die mogelijk te herleiden zijn naar deze onduidelijkheid, zoals onder meer opstandig gedrag. Gelet op het feit dat het niet meer de verwachting is dat de moeder de opvoeding en verzorging kan dragen, in combinatie met de onrust en onduidelijkheid die [minderjarige] zelf ervaart, is de rechtbank van oordeel dat de zogenoemde aanvaardbare termijn – de termijn hoe lang een kind onduidelijkheid kan ervaren over zijn toekomstperspectief – is verstreken. De maatregelen van een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank niet langer passend. Uit het systeem van de wet volgt immers dat deze maatregelen niet geëigend zijn als terugplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich niet tot de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op gericht zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. Daarbij is de rechtbank er ook niet van overtuigd dat het de moeder gaat lukken – gelet op haar persoonlijk problematiek en de complexe relaties met de grootmoeder vaderszijde en de vader – om in het vrijwillig kader zelfstandig de hulp vorm te geven die nodig is om de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen. Volgens de rechtbank is er op dit moment dan ook geen minder ingrijpende maatregel mogelijk en wordt aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals gesteld in artikel 8 EVRM, voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen.\n\nBenoeming voogdij\n\n5.5.. Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank een voogd over [minderjarige] benoemen. De Raad heeft verzocht om de gecertificeerde instelling te belasten met de voogdij en de grootmoeder vaderszijde heeft een zelfstandig verzoek gedaan om haar met de voogdij over [minderjarige] te belasten. Zowel de gecertificeerde instelling als de grootmoeder vaderszijde hebben zich bereid verklaard de voogdij over [minderjarige] te aanvaarden.\n\n5.6.. De rechtbank constateert dat los van de vraag wie gezagsbeslissingen over [minderjarige] mag nemen, het bepalen van de voogdij in de huidige situatie ook van grote invloed is op de vraag waar [minderjarige] de komende jaren zal opgroeien en verblijven. Immers, mocht de grootmoeder vaderszijde de voogdij over [minderjarige] verkrijgen dan zal [minderjarige] in de aankomende zomer met de grootmoeder verhuizen naar [land] . Mocht de voogdij bij de gecertificeerde instelling komen te liggen dan is het niet mogelijk dat [minderjarige] met de grootmoeder meeverhuist. Dit zal betekenen dat een neutraal pleeggezin voor [minderjarige] gevonden zal moeten worden.\n\n5.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de het het meest in het belang is van [minderjarige] als de voogdij bij de grootmoeder vaderszijde wordt belegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In beginsel heeft het de voorkeur dat de voogdij wordt belegd bij een natuurlijk persoon, te weten degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige is belast. Per slot van rekening weet doorgaans de dagelijkse verzorger en opvoeder wat het meest in het belang van het kind is en kan daarop snel acteren. Sinds de geboorte van [minderjarige] is de grootmoeder vaderszijde actief betrokken in het leven van [minderjarige] en zij heeft al die jaren (eerst gedeeltelijk) een verzorgende en opvoedende rol gehad voor [minderjarige] . De afgelopen jaren heeft de grootmoeder vaderszijde daarbij laten zien de belangen van [minderjarige] voorop te stellen en keuzes gemaakt – onder meer in het vormgeven van het contact met de vader, het uitstellen van de verhuizing naar [land] en het tijdelijk verhuizen naar [plaats 1] , zodat [minderjarige] op zijn huidige school kon blijven – die het belang van [minderjarige] hebben gediend. Dit is bewonderingswaardig, omdat deze keuzes ook ingrijpend zijn geweest voor de grootmoeder vaderszijde zelf. De grootmoeder vaderszijde heeft zich daarnaast telkens ingezet om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te waarborgen en ervoor te zorgen dat deze contactregeling veilig verloopt. De grootmoeder vaderszijde heeft vanuit de verschillende hulpverleningsinstanties ook de regie gekregen over dit contact en de rechtbank stelt vast dat dit de afgelopen jaren goed is verlopen en dat er geen stukken of signalen zijn waaruit blijkt dat de gecertificeerde instelling hierop moest ingrijpen. De rechtbank ziet dat er soms sprake was van ambivalentie in het contact tussen de moeder en de grootmoeder vaderszijde, maar ziet ook dat het contact telkens weer werd hersteld. De rechtbank is er dan ook van overtuigd dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om de juiste gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen.\n\n5.8.. Vervolgens komt de vraag aan de orde of het in het belang van [minderjarige] is dat hij meeverhuist naar [land] , nu dit in de huidige situatie verbonden is aan het beleggen van de voogdij bij grootmoeder vaderszijde. Anders dan de Raad is de rechtbank van oordeel dat dit wel in het belang is van [minderjarige] , mede gelet op de andere realistische alternatieven. Duidelijk is dat de grootmoeder vaderszijde in het instabiele leven dat [minderjarige] heeft gekend, de afgelopen jaren een zeer belangrijk en stabiel hechtingsfiguur voor hem is geweest. De rechtbank vindt het van het grootste belang dat de grootmoeder vaderszijde deze rol voor [minderjarige] kan blijven vervullen. Daarbij ziet de rechtbank dat de grootmoeder vaderszijde al jarenlang het plan heeft om naar [land] te verhuizen en dit ook al jaren geleden kenbaar heeft gemaakt aan de gecertificeerde instelling. De rechtbank stelt vast dat de grootmoeder vaderszijde de verhuizing zorgvuldig en doordacht heeft voorbereid. Zo is er een huis met een kamer voor [minderjarige] , is er een school gevonden en is hij al bekend met de verblijfplaats in [land] – hij heeft zelfs al een vriendje – doordat hij hier al meermaals is geweest. De rechtbank is van oordeel dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin een nog ingrijpender inbreuk zal zijn in het leven van [minderjarige] . Naast de veranderingen die hij dan ook hoogstwaarschijnlijk mee zal maken in de vorm van een nieuwe school en een nieuw huis, zal hij dan ook te maken krijgen met nieuwe (hoofd)opvoeders en zal hij de grootmoeder vaderszijde als hechtingsfiguur moeten missen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de situatie op dit moment – los van de verhuizing naar [land] – ook tijdelijk is. De grootmoeder is immers tijdelijk verhuisd naar [plaats 1] om dichter in de buurt van de school van [minderjarige] in [plaats 2] te zijn, wat in zal houden dat ook indien zij in Nederland zou blijven, mogelijk op korte termijn grote veranderingen zullen plaatsvinden ten aanzien van zijn verblijfsplaats en school (en daaruit volgend mogelijk ook ten aanzien van het contact met de moeder).\n\n5.9.. De rechtbank is zich er verder van bewust dat de verhuizing naar [land] betekent dat [minderjarige] minder contact zal hebben met de moeder. De rechtbank begrijpt dat dit ook een grote impact heeft op de moeder. Desondanks acht de rechtbank het belang van [minderjarige] dat zijn grootmoeder vaderszijde als hoofdopvoeder betrokken blijft op dit moment zwaarder wegen. Daarbij neemt de rechtbank in overweging mee dat de moeder zelf duidelijk te kennen heeft gegeven niet te willen dat [minderjarige] naar een neutraal pleeggezin gaat en dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. De moeder heeft daarbij ook een (concept) vaststellingsovereenkomst getekend, waarin onder meer staat dat de moeder kan instemmen met een verhuizing van [minderjarige] naar [land] en met het eenhoofdig gezag bij de grootmoeder vaderszijde, mits er een duidelijke contactregeling is, die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd. De rechtbank kan in de onderhavige procedure het verzoek van de grootmoeder vaderszijde om een zorgregeling (conform de vaststellingsovereenkomst) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige] niet toewijzen, maar de rechtbank heeft kennis genomen van de regeling in de vaststellingsovereenkomst en kan deze regeling onderschrijven. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling tegemoetkomt aan de belangen van [minderjarige] . De moeder heeft een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] en het is van groot belang voor zijn ontwikkeling dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder op structurele basis wordt voortgezet. De rechtbank heeft gezien het verloop van de contactregeling in de afgelopen jaren – waarin de grootmoeder vaderszijde heeft aangetoond dit contact ondanks soms uitdagende omstandigheden telkens te kunnen faciliteren – voldoende vertrouwen dat de grootmoeder vaderszijde in samenspraak met de moeder in staat is om dit contact vorm te geven en uit te voeren.\n\n5.10.. Eén van de voornaamste bezwaren die de Raad naar voren heeft gebracht voor de verhuizing naar [land] is het wegvallen van de hulpverlening. Uit het onderzoek van de Raad volgt echter dat zowel de regressietherapeut als de pleegzorgbegeleider te kennen hebben gegeven dat zij verwachten dat de grootmoeder vaderszijde in staat is om zelf hulp te vinden in [land] als zij die nodig heeft. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de huidige hulpverlening op dit moment minimaal is en slechts bestaat uit (beperkte) pleegzorgbegeleiding en de betrokkenheid van een jeugdbeschermer. Dit contact ziet met name – zoals naar voren gebracht door de grootmoeder vaderszijde en niet weersproken door de gecertificeerde instelling – op de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , waarin de grootmoeder vaderszijde zelf de regie heeft. Daarnaast heeft de Raad zorgen over het contact tussen de vader en [minderjarige] en het gebrek aan toezicht hierop. De rechtbank stelt vast dat het de afgelopen jaren met de aanwezigheid van de gecertificeerde instelling niet is gelukt om tot een vaste contactregeling te komen, mede door de problematiek en detentie van de vader. Recent is opnieuw geprobeerd om tot contactherstel te komen, maar dit is niet van de grond gekomen. Op dit moment zit de vader opnieuw in detentie. De rechtbank erkent dat er risico’s zullen zijn in dit contact, maar heeft er voldoende vertrouwen in dat de grootmoeder vaderszijde hierin de belangen van [minderjarige] voorop zal stellen, zoals zij altijd heeft gedaan.\n\nRekening en verantwoording vermogen van [minderjarige]\n\n5.11.. De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de grootmoeder vaderszijde die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] .Dit betekent dat zij de grootmoeder vaderszijde op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de pleegmoeder vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.5.12.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.13.. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank acht het gezien de behoefte aan duidelijkheid van [minderjarige] niet in zijn belang dat hij nog langer onzekerheid ervaart over zijn verblijfplek. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat de verhuizing nog deze zomer kan plaatsvinden, zodat [minderjarige] na de zomervakantie direct kan starten op zijn nieuwe school, en de overgang van Nederland naar [land] op de minst ingrijpende wijze voor hem kan plaatsvinden. Het voorgaande weegt volgens de rechtbank zwaarder dan het risico dat [minderjarige] na een eventueel andersluidende beslissing in hoger beroep weer terug zal moeten verhuizen naar Nederland.\n\nAfwijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\n5.14.. Door het beëindigen van het gezag van de moeder komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zij zal dit verzoek afwijzen.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. \n\nbeëindigt het ouderlijk gezag van\n\n- [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1992 in [geboorteplaats 2] ;\n\nover de minderjarige:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;\n\n6.2.. \n\nbenoemt tot voogdes over voornoemde minderjarige:\n\n- [grootmoeder vaderszijde] ,geboren op [geboortedatum 3] 1973 in [geboorteplaats 2] ;\n\n6.3.. bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van voornoemde minderjarige;\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, op 29 mei 2026, in aanwezigheid van mr. S.L.G. van Otterlo als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.\n\n Artikel 1:276, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17486","ecli-nl-rbdha-2026-17486",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]