ECLI:NL:RBDHA:2026:17911
Case Summary
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.10464
V-nummer: [V-nummer]
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 1940, van Iraanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 18 juli 2024 tot verlening van een visum kort verblijf afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 februari 2025 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.
Op 4 maart 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2026. Referent, de gemachtigde van eiseres, A. Afkari als tolk in de taal Farsi, en de gemachtigde van de minister namen via digitale beeldverbinding deel aan de zitting.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft medegedeeld dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open staat.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres van €1.868,-.
Overwegingen
Achtergrond
1. Eiseres is 85 jaar oud en woonachtig in Iran. Zij heeft op 18 juli 2024 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij referent, haar zoon [referent] , voor de periode van 18 augustus 2024 tot en met 2 oktober 2024. Het doel van het verblijf is familiebezoek. Eiseres heeft ook nog een andere zoon die in Nederland verblijft.
Besluitvorming
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Ook bestaat er redelijke twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren, omdat eiseres haar sociale en economische binding met Iran niet aannemelijk heeft gemaakt. Het vestigingsgevaar is in het besluit nader gemotiveerd. Dat eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken is in het besluit niet nader gemotiveerd.
Standpunt eiseres
3. Eiseres vindt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Bovendien heeft verweerder haar ten onrechte in de bezwaarfase niet gehoord.
Oordeel van de rechtbank
4. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht is afgezien van een hoorzitting. Op grond van hetgeen in de bezwaarprocedure is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Iran, was duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit.
6. Eiseres, ten tijde van de aanvraag 84 jaar oud, heeft haar hele leven in Iran gewoond en heeft daar vijf broers en zussen. In Nederland heeft eiseres twee zonen wonen. In bezwaar is naar voren gebracht dat zij eerder tweemaal met een visum kort verblijf naar Nederland is gekomen en tijdig is teruggekeerd. Daarmee heeft eiseres in het verleden met haar gedrag laten zien zich aan de regelgeving in Nederland te houden. Ook is in bezwaar naar voren gebracht dat het sociale leven van eiseres in Iran is en dat zij van plan is tijdig naar dat leven terug te keren.
7. In een situatie als deze kan niet op voorhand worden gezegd dat het bezwaar geen enkele kans van slagen heeft. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het bij de beoordeling van het vestigingsgevaar gaat om het voorspellen van toekomstig gedrag, namelijk of eiseres het voornemen heeft om op tijd weer terug naar Iran te gaan. Het horen biedt dan bij uitstek mogelijkheid om de intenties van eiseres nader te onderzoeken. De hoorzitting kan daarnaast ook benut worden om helderheid te verkrijgen over de bij verweerder kennelijk nog spelende onduidelijkheden, zoals de ontbrekende bankafschriften van de huurgelden van de woning die eiseres bezit en pensioen die eiseres ontvangt. Ook op basis van wat er in de nadere motivering van het primaire besluit is geschreven ten aanzien van referent die om asielgerelateerde redenen in Nederland verblijft, heeft eiseres geen eerlijke kans gehad om zich daarover uit te laten. In een hoorzitting had eiseres uit kunnen leggen waarom die redenen volgens haar niet op haar van toepassing zijn. De rechtbank overweegt dat in een dergelijke situatie, het in het kader van een zorgvuldige besluitvorming juist essentieel is om eiseres te horen. Verweerder had het bezwaar dan ook niet kennelijk ongegrond mogen verklaren.
7. In het kader van finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank verder dat ten aanzien van de sociale binding van eiseres met Iran in het besluit staat dat gesteld kan worden dat de sociale binding met Nederland sterker is dan met Iran, aangezien beide kinderen van eiseres in Nederland wonen. Zonder nadere motivering kan dit niet zo worden gesteld. Eiseres heeft haar hele leven in Iran gewoond, inmiddels 85 jaar. Eiseres kent simpelweg geen ander sociaal leven en binding dan in Iran.
8. Allerlaatst merkt de rechtbank op dat verweerder in het dossier, meer
specifiek de nadere motivering van het primaire besluit, met discriminerende aannames werkt. In de nadere motivering staat: ‘Er is nog steeds veel politieke onrust en de mensenrechtensituatie in Iran blijft zorgwekkend. Daarnaast is de inflatie in Iran in de afgelopen jaren en met name in de zomer en het najaar van 2022 torenhoog geweest. Als gevolg hiervan gaan veel Iraniërs op zoek naar een beter bestaan buiten Iran. Vanwege de
nareisasiel-mogelijkheid geeft het aantonen van een sociale band (gezinsleden blijven achter in land van bestendig verblijf) geen 100% zekerheid dat een tijdige terugkeer is gewaarborgd.’. De rechtbank herinnert verweerder er aan dat hij iedere aanvraag op de persoonlijke mérites van de aanvrager dient te beoordelen en het haar is verboden daarbij negatieve stereotyperingen op basis van afkomst te betrekken, waartegen iemand zich niet kan verweren. Dat is discriminatie en dat past de minister niet. Los van het feit dat de eis van 100% zekerheid bij het beoordelen van een visumvraag niet mag worden gesteld, wordt eiseres negatief gedrag toegedicht omdat zij afkomstig is uit Iran, en is zij ook (mede) op dat negatieve gedrag beoordeeld. De rechtbank verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 juli 2025.
9. Omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. Indien verweerder beslist niet direct een visum te verlenen, moet eiseres gehoord worden.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een totaalbedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
ECLI:NL:RBDHA:2025:15161.