Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17914

Court

Amsterdam

Date

22 January 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.44018

V-nummer: [V-nummer]uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, verzoeker,

(gemachtigde: mr. K. Ross)

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Bij besluit van (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.

1.2..

De minister heeft op 11 december 2025 de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen, omdat de overdrachtstermijn op

4 februari 2026, terwijl de behandeling van het beroep staat gepland op 3 februari 2026.

1.3.. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.

Overwegingen

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.

2.1.. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening.Deze verordening stelt een termijn waarbinnen verzoeker dient te worden overgedragen aan de ontvangende lidstaat. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beroep van verzoeker niet kan worden behandeld binnen deze uiterste overdrachtstermijn. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.

2.2.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten groter is dan het belang van de minister om verzoeker op korte termijn te kunnen overdragen aan Bulgarije. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Bulgarije voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

2.3.. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.

  • veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. I.I. Mooij, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep op verzet open.

Algemene wet bestuursrecht.

Vreemdelingenwet 2000.

Verordening (EU) 604/2013.

More Decisions