ECLI:NL:RBDHA:2026:18016
Case Summary
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18954
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] v-nummer: [nummer], eiseres
mede namens haar minderjarige kind
[naam minderjarige kind],
(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres.Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Jordanië een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarnaast heeft de minister de aanvraag als kennelijk ongegrond mogen afwijzen omdat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van door artikel 8 van het EVRM beschermd familie- of gezinsleven met haar zus. Verder heeft de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar mogen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.. Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort de achtergrond van de onderhavige zaak. De redenen waarom eiseres een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 4. Onder 5 volgt een samenvatting van het bestreden besluit en de aanvulling daarop. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind, onder 12, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.. De minister heeft bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 aan eiseres uitstel van vertrek om medische redenen verleend voor zes maanden op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.
2.3.. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.18955, op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
3. Eiseres is geboren in Dubai, van Palestijnse afkomst en heeft in december 2020 door haar huwelijk met een Jordaanse man de Jordaanse nationaliteit verkregen. Zij heeft in verschillende landen verbleven vanwege het werk van haar vader als diplomaat. Eiseres heeft een bachelor Finance and Banking behaald, was bezig met een masteropleiding in Caïro en werkte als zelfstandig marketeer voor toeristische bedrijven.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij niet met haar minderjarige dochter naar Jordanië kan terugkeren. Zij is gescheiden van haar Jordaanse man en vreest dat hij op grond van het Jordaanse familierecht de voogdij dan wel het gezag over hun dochter zal verkrijgen. Daarnaast vreest eiseres dat zij vanwege haar echtscheiding haar Jordaanse nationaliteit zal verliezen. Volgens eiseres is sprake is van corruptie binnen het Jordaanse rechtssysteem en kunnen haar ex-man en ex-schoonvader vanwege hun contacten invloed uitoefenen op procedures die betrekking hebben op haar verblijfsrecht en de positie van haar dochter. Verder vreest eiseres vanwege haar Palestijnse afkomst voor discriminatie bij toegang tot voorzieningen, onderwijs, werkgelegenheid en overheidsdiensten. Zij vreest dat zij als alleenstaande moeder zonder netwerk, woning of inkomen in Jordanië niet in staat zal zijn voor zichzelf en haar dochter te zorgen.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Het conflict met haar ex-man over de voogdij van hun dochter.
5.1.. De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De minister stelt zich echter op het standpunt dat deze motieven niet van een zodanige aard en ernst zijn dat sprake is van vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze zal worden ingetrokken. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar Palestijnse afkomst zal worden blootgesteld aan discriminatie die de drempel van vervolging of ernstige schade bereikt. Verder heeft eiseres volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij geen bescherming van de Jordaanse autoriteiten kan verkrijgen of dat haar ex-man en ex-schoonvader invloed kunnen uitoefenen op haar nationaliteit of rechtspositie. Het conflict over de voogdij van haar dochter wordt door de minister aangemerkt als een familierechtelijk geschil dat niet raakt aan een verdragsgrond en waartegen rechtsbescherming beschikbaar is in Jordanië. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres haar Jordaanse paspoort bewust heeft vernietigd en dat daarom sprake is van een kennelijk ongegronde aanvraag. Ook is volgens de minister geen sprake van beschermenswaardig familie- of gezinsleven met haar zus als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod uitgevaardigd. Wel is aan eiseres op grond van artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend.
Heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat zij vluchteling is dan wel bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico loopt op ernstige schade?
6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet leiden tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming. Hiertoe voert zij aan dat zij met objectieve broninformatie heeft onderbouwd dat Palestijnen het risico lopen dat hun Jordaanse nationaliteit wordt ingetrokken. Zij verwijst naar artikel 8 van de Jordaanse nationaliteitswetgeving, het Human Rights Watch-rapport van 1 februari 2010 en landeninformatie van de helpdesk van VluchtelingenWerk Nederland van 8 april 2026. Volgens eiseres volgt uit deze bronnen dat Palestijnen in de praktijk hun Jordaanse nationaliteit kunnen verliezen en dat dit ook haar kan treffen, omdat zij deze nationaliteit uitsluitend door huwelijk heeft verkregen. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij niet beschikt over documenten waaruit expliciet blijkt dat haar Jordaanse nationaliteit reeds is ingetrokken of dat dit na haar echtscheiding zal gebeuren. Volgens haar volgt uit de overgelegde informatie echter dat dit risico reëel is. Verder voert eiseres aan dat Palestijnen in Jordanië worden gediscrimineerd, ook indien zij beschikken over de Jordaanse nationaliteit.Volgens haar ondervinden Palestijnen beperkingen bij de toegang tot werk, onderwijs, medische voorzieningen en overheidsfuncties. Zij stelt dat onvoldoende is onderzocht of deze omstandigheden, in samenhang bezien met haar persoonlijke situatie als alleenstaande moeder zonder netwerk in Jordanië, leiden tot een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij Jordanië nooit heeft bezocht, daar geen woning, inkomen of sociaal netwerk heeft en verantwoordelijk is voor de verzorging van haar minderjarige dochter. Daarnaast vreest eiseres dat haar ex-man de voogdij dan wel het gezag over hun dochter zal verkrijgen. Volgens eiseres blijkt uit door haar overgelegde stukken dat in Jordanië een procedure aanhangig is over de zeggenschap van haar dochter.Zij stelt dat haar ex-man en ex-schoonvader contacten hebben binnen de Jordaanse autoriteiten en dat zij daardoor het risico loopt haar dochter te verliezen. Ook vreest zij dat zij bij terugkeer niet langer vrij zal zijn haar leven naar eigen inzicht in te richten, omdat zij haar dochter mogelijk verliest indien zij een nieuwe relatie aangaat of opnieuw trouwt.
6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vluchteling is dan wel bij terugkeer naar Jordanië een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres niet heeft onderbouwd dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze bij terugkeer zal worden ingetrokken. De bronnen waar eiseres naar verwijst zijn daarvoor onvoldoende. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit artikel 8 van de Jordaanse nationaliteitswetgeving, het Human Rights Watch-rapport uit 2010 en de informatie van VluchtelingenWerk Nederland weliswaar volgt dat intrekking van de Jordaanse nationaliteit in bepaalde gevallen mogelijk is, maar dat daarmee niet is onderbouwd dat eiseres persoonlijk een reëel risico loopt dat haar nationaliteit zal worden ingetrokken of dat dat al is gebeurd. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres zelf heeft erkend dat zij geen documenten bezit waaruit blijkt dat haar Jordaanse nationaliteit reeds is ingetrokken of zal worden ingetrokken als gevolg van haar echtscheiding. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende heeft geconcretiseerd dat zij vanwege haar Palestijnse afkomst persoonlijk zal worden blootgesteld aan discriminatie die de drempel van vervolging of ernstige schade bereikt. De door eiseres aangehaalde landeninformatie laat weliswaar zien dat Palestijnen in Jordanië beperkingen en discriminatie kunnen ondervinden, maar daaruit volgt niet zonder meer dat iedere Palestijn met de Jordaanse nationaliteit daarom een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiseres een hoogopgeleide vrouw is, beschikt over werkervaring en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in Jordanië niet zelfstandig staande zal kunnen houden. Dat het voor eiseres zonder sociaal netwerk in Jordanië moeilijk is om zich daar te vestigen en dat zij het land nooit heeft bezocht, is onvoldoende om te oordelen dat zij bij terugkeer terecht zal komen in een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van de gestelde invloed van haar ex-man en ex-schoonvader heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres haar vermoedens niet met concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd. Eiseres heeft zelf verklaard dat zij niet kan aantonen dat haar ex-man invloed heeft op de Jordaanse autoriteiten of dat hij haar nationaliteit of rechtspositie kan beïnvloeden. De enkele stelling dat sprake is van connecties en corruptie is daarvoor onvoldoende. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het conflict over de dochter in de kern een familierechtelijk geschil betreft. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat haar vrees vooral voortvloeit uit de Jordaanse regelgeving omtrent gezag en voogdij. Voor zover eiseres vreest dat zij haar dochter zal verliezen indien zij in de toekomst een nieuwe relatie aangaat of hertrouwt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een onzekere toekomstige gebeurtenis. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van vluchtelingschap of subsidiaire beschermingsgronden.
Is tussen eiseres en haar zus sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 8 van het EVRM?
7. Eiseres betoogt dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie met haar zus, die ook in Nederland asiel heeft aangevraagd. Volgens haar zijn zij vanwege de vele verhuizingen gedurende hun jeugd altijd sterk op elkaar aangewezen geweest. Daarnaast kampen beide zussen met psychische problematiek en ondersteunen zij elkaar daarbij. Zij stelt dat de band sterker is dan een gebruikelijke band tussen zussen en dat hiermee rekening moet worden gehouden.
7.1.. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarige broers en zussen, als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraakvolgt ook dat de vraag of sprake is van beschermd gezinsleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst. De minister heeft ruimte bij de weging van die elementen en de uitkomst van die beoordeling toetst de bestuursrechter enigszins terughoudend.
7.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de beoordeling van de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft betrokken en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat daarvan tussen eiseres en haar zus geen sprake is. Dat eiseres en haar zus een hechte band hebben en elkaar ondersteunen bij hun psychische problematiek, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Niet is gebleken van omstandigheden zoals genoemd onder 7.1 die maken dat sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
Had de minister eiseres uitstel van vertrek moeten verlenen om medische redenen?
8. Eiseres betoogt dat zij al jarenlang psychische klachten heeft, waaronder depressie- en angststoornissen, waarvoor zij medicatie gebruikt en psychiatrische behandeling ontvangt. Zij voert aan dat haar klachten zijn verergerd door haar verblijf in de opvang. In beroep heeft zij recente medische informatie van 27 mei 2026overgelegd waaruit volgt dat sprake is van complexe problematiek (depressieve stoornis, angststoornis en PTSS) waarvoor een langdurig behandeltraject is geïndiceerd. Volgens eiseres heeft zij belang bij voortzetting van de behandeling en zal zij deze zorg niet kunnen verkrijgen in Jordanië. Zij stelt dat vertrek haar klachten zal verergeren en haar vermogen om voor haar dochter te zorgen zal aantasten.
8.1.. De rechtbank overweegt dat de minister bij aanvullend besluit van 10 juni 2026, zoals vermeld onder 2.2, aan eiseres uitstel van vertrek om medische redenen heeft verleend in afwachting van de beoordeling van haar verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.
Mocht de minister een terugkeerbesluit opleggen?
9. Eiseres betoogt de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Volgens haar is onvoldoende onderzocht of zij daadwerkelijk toegang zal verkrijgen tot Jordanië. Zij wijst erop dat zij Palestijnse van origine is, nooit in Jordanië heeft gewoond, haar Jordaanse nationaliteit uitsluitend via huwelijk heeft verkregen en niet meer beschikt over een fysiek paspoort. Daarnaast stelt zij dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische problematiek, haar minderjarige dochter en het ontbreken van een netwerk in Jordanië. Volgens eiseres had de minister moeten onderzoeken of adequate opvang aanwezig is voor haar dochter. Zij beroept zich daarbij op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, artikel 24 van het EU Handvest en het arrest T.Q.
9.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat onvoldoende is onderzocht of zij toegang zal verkrijgen tot Jordanië, volgt de rechtbank haar daarin niet. De minister heeft bij zijn beoordeling mogen uitgaan van de Jordaanse nationaliteit van eiseres. Zoals onder 6.2 is overwogen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij haar Jordaanse nationaliteit heeft verloren of dat deze zal worden ingetrokken. Dat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd, betekent niet dat reeds daarom moet worden aangenomen dat zij geen toegang tot Jordanië zal verkrijgen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het op de weg van eiseres lag haar stelling dat zij niet tot Jordanië zal worden toegelaten nader te onderbouwen en dat dat niet is gebeurd. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar betoog dat de minister de belangen van haar minderjarige dochter onvoldoende heeft betrokken. Uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat bij de uitvoering van de richtlijn rekening moet worden gehouden met onder meer het belang van het kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit voldoende en kenbaar heeft gedaan. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat de dochter van eiseres afhankelijk is van haar moeder en haar bij terugkeer zal volgen. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het belang van de dochter aan terugkeer naar Jordanië in de weg staat. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres haar stelling dat voor haar dochter geen adequate opvang aanwezig zal zijn in Jordanië niet nader heeft onderbouwd. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat haar dochter bij terugkeer zal worden blootgesteld aan een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dat de dochter inmiddels enige tijd in Nederland verblijft en volgens eiseres beter Nederlands dan Arabisch spreekt, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover eiseres zich beroept op het arrest T.Q., overweegt de rechtbank dat dit arrest betrekking heeft op alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De dochter van eiseres is geen alleenstaande minderjarige vreemdeling, maar verblijft bij haar moeder, zodat reeds daarom geen sprake is van een vergelijkbare situatie.
Mocht de minister een inreisverbod opleggen?
10. Eiseres betoogt dat een inreisverbod van twee jaar onevenredig is. Zij voert aan dat haar familie verspreid woont over Europa en dat het inreisverbod haar gedurende twee jaar verhindert deze familieleden te bezoeken. Volgens eiseres raakt het inreisverbod ook haar minderjarige dochter, omdat zij als enige verzorgende ouder altijd met haar dochter reist. Zij verwijst naar het arrest M.A. tegen Belgische Staatwaaruit volgens haar volgt dat rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat in het bestreden besluit op pagina 8 maar één zin is gewijd aan het belang van het kind, meer specifiek dat het inreisverbod niet geldt voor het minderjarige kind.
10.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat van het opleggen van een inreisverbod moet worden afgezien indien dit in strijd komt met artikel 8 van het EVRM of indien bijzondere individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarvan in dit geval geen sprake is. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres niet heeft onderbouwd dat het inreisverbod leidt tot een onevenredige aantasting van haar familie- of gezinsleven. De enkele omstandigheid dat familieleden van eiseres verspreid over Europa wonen en dat zij deze gedurende de duur van het inreisverbod niet of minder gemakkelijk kan bezoeken, is daarvoor onvoldoende. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiseres voorafgaand aan haar komst naar Nederland regelmatig naar deze familieleden reisde. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat contact op andere wijze kan worden onderhouden of dat familiebezoeken desgewenst buiten het Schengengebied kunnen plaatsvinden. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het belang van haar minderjarige dochter onvoldoende is meegewogen, volgt de rechtbank haar niet. Weliswaar is de motivering van de minister op dit punt summier, maar uit het besluit blijkt dat de minister heeft onderkend dat eiseres de enige verzorgende ouder van haar dochter is en dat het inreisverbod niet aan de dochter is opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee voldoende kenbaar heeft betrokken dat de maatregel indirect gevolgen heeft voor de dochter. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de belangen van de dochter nopen tot het achterwege laten van het inreisverbod. De door eiseres gestelde omstandigheid dat haar dochter haar moeder zal volgen bij reizen binnen het Schengengebied is daarvoor onvoldoende. Overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter door het inreisverbod onevenredig wordt geraakt. De verwijzing naar het arrest M.A. tegen Belgische Staat leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van het kind in zijn beoordeling heeft betrokken en dat niet is gebleken dat die belangen onvoldoende gewicht hebben gekregen. De minister heeft daarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiseres kunnen opleggen.
Mocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond omdat eiseres haar Jordaanse paspoort heeft vernietigd?
11. Eiseres betoogt dat de minister haar aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Zij voert aan dat zij haar Jordaanse paspoort niet heeft vernietigd om haar identiteit of nationaliteit te verhullen. Volgens eiseres verkeerde zij in de veronderstelling dat zij na haar echtscheiding haar Jordaanse nationaliteit zou verliezen en dat het paspoort daarom geen betekenis meer had. Bovendien zou het paspoort op 8 februari 2026 verlopen en kon deze niet meer worden verlengd. Ter zitting heeft zij benadrukt dat zij haar originele Palestijnse documenten heeft overgelegd en dat het Jordaanse paspoort volgens haar niet essentieel is voor het vaststellen van haar identiteit zoals de wetgever bedoeld heeft.
11.1.. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026) kon een aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.
11.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 6 april 2016heeft overwogen dat voor toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026) niet hoeft vast te staan dat een vreemdeling een document te kwader trouw heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan, maar dat voldoende is dat dit waarschijnlijk is. Daarnaast volgt uit die uitspraak, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 december 2015, dat het feit dat een vreemdeling andere originele documenten heeft overgelegd op basis waarvan de identiteit en nationaliteit kunnen worden vastgesteld, niet in de weg staat aan het oordeel dat hij zich waarschijnlijk te kwader trouw van een paspoort heeft ontdaan. De minister heeft daarom terecht aan eiseres tegengeworpen dat eiseres met een geldig Jordaans paspoort naar Nederland is gereisd en dat zij dit document na aankomst op Schiphol heeft vernietigd. Dat eiseres een Palestijns paspoort en Palestijnse identiteitskaart heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Deze documenten nemen immers niet weg dat het vernietigde Jordaanse paspoort een relevant identiteits- en reisdocument was. Daarbij heeft de minister de verklaringen van eiseres over de reden van vernietiging van het paspoort onvoldoende mogen achten. Eiseres heeft verklaard dat zij het paspoort heeft vernietigd omdat zij niet wilde worden teruggestuurd naar Jordanië. De minister heeft zich onder deze omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich waarschijnlijk te kwader trouw van haar Jordaanse paspoort heeft ontdaan. De minister heeft de aanvraag daarom mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
12. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
12.1.. De rechtbank ziet in het aanvullend besluit (zie onder 8.1) geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Aan eiseres is namelijk bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000, op basis van medische informatie die eiseres pas in beroep heeft overgelegd.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Onder verwijzing naar het rapport van de VN Committee on the Elimination of Discrimination Against Women (CEDAW).
Zie productie 5 Bewijs lopende rechtszaak in Jordanië aangaande het ouderlijk gezag.
Zie bijvoorbeeld Algemeen ambtsbericht over de situatie in Palestijnse gebieden van april 2022, p. 35 en het 2021 Country reports on Human Rights Practices, U.S. Department of State, section 6.
ABRvS 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, r.o. 2.1.
Zie schrijven van psycholoog van 27 mei 2026.
ECLI:EU:C:2021:9.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:197, C-112/20.
ECLI:NL:RVS:2016:1022.
ECLI:NL:RVS:2015:3797.