Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18170

Court

Amsterdam

Date

2 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.19597

V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Akkas),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1964 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Op 14 december 2023 heeft eiseres verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf, voor verblijf in Nederland om haar zoon (referent) en haar kleinkinderen te bezoeken.

2.1.. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 15 december 2023 afgewezen. Volgens de minister heeft eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en kon het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet worden vastgesteld.

2.2.. Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De minister is bij zijn standpunt gebleven dat het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet kon worden vastgesteld, omdat de sociale en economische binding van eiseres met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond, dan wel gering is gebleken.

2.3.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4.. De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres voert aan dat de minister er onterecht vanuit gaat dat zij onvoldoende sociale en economische binding met haar land van herkomst heeft. De minister miskent daarbij dat eiseres is getrouwd, wat een duidelijke aanwijzing is van haar sociale binding met Ethiopië. Dat zij geen betaald werk verricht, betekent niet dat zij geen economische binding met het land van herkomst heeft, zeker nu zij in de bezwaarfase banktransacties en rekeningen heeft overgelegd. In plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren, had de minister eiseres nadere vragen kunnen stellen over de herkomst van deze bedragen. Zeker nu de bezwaarfase is bedoeld om onduidelijkheden op te helderen. Nu de minister dit niet heeft gedaan, en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond heeft verklaard wordt het eiseres onmogelijk gemaakt om haar zoon en kleinkinderen in Nederland te bezoeken.

4.1.. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcodevan toepassing is. De rechtbank kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkakivolgt dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat, dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il-)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.

4.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres haar sociale- en economische binding met Ethiopië niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat eiseres wel enige sociale binding met haar land van herkomst heeft doordat zij getrouwd is, maar dat dit enkele feit gelet op de economische binding, onvoldoende garantie is voor een (tijdige) terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank kan zich vinden in het standpunt van de minister dat, ten aanzien van de stukken die eiseres heeft overgelegd met betrekking tot de economische binding, niet is gebleken dan wel aannemelijk is gemaakt dat eiseres over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt in het land van herkomst om zelfstandig in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Hierdoor is de tijdige terugkeer na afloop van het verblijf onvoldoende gewaarborgd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Verordening nr. 810/2009.

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.

Rechtsoverweging 67-73.

More Decisions