Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18180

Court

Den Haag

Date

3 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrechtType: uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/703871 / KG ZA 26/427

Vonnis in kort geding van 3 juli 2026

in de zaak van

[partij A] B.V.te [plaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.F. de Jong te Haarlem,

tegen:

1. [partij B sub 1] VOF te [plaats 2] ,

2. [partij B sub 2], te [plaats 2] ,

3. [partij B sub 3] ,te [plaats 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.

waarin zich aan de zijde van [partij B] c.s. heeft gevoegd:

COMMERBAS S.R.L. te Civitanova Marche Italië,

advocaat mr. E.M. Richel te Schiedam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [partij A] ’, ‘ [partij B] c.s.’ en ‘Commerbas’.

1. De procedure

1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 30 april 2026 met producties EP01 tot en met EP22;

  • de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst van Commerbas van 14 mei 2026 met producties 1 tot en met 3;

  • de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van 14 mei 2026 met producties GP01 tot en met GP09;

  • de aanvullende producties EP23 tot en met EP28 van 18 mei 2026;

  • het op 18 mei 2026 overgelegde kostenoverzicht van gedaagden;

  • de op 18 mei 2026 om 18:03 uur ingediende aanvullende producties GP10 tot en met GP13 (worden buiten beschouwing gelaten, zie hierna onder 1.2);

  • de op 19 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eiseres een pleitnotitie is overgelegd.

1.2.. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [partij A] bezwaar gemaakt tegen de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, de conclusie van antwoord met producties (minder dan een week voor de mondelinge behandeling) alsmede de nagekomen producties GP10 tot en met GP13 die de avond voor de behandeling van kort geding zijn ingediend. Deze stukken zijn – gelet op de termijnen in het toepasselijke landelijke procesreglement dan wel de instructies in het dagbepalingsbericht – te laat ingediend. Hierdoor is eiseres in haar verdedigingsbelang geschaad. De incidentele conclusie alsmede de conclusie van antwoord zijn ingediend op hemelvaartsdag, waardoor het te kort dag was om met cliënt te overleggen en adequaat te kunnen reageren, aldus mr. De Jong. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat de conclusie van antwoord, de daarbij behorende producties alsmede de incidentele conclusie tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst worden toegestaan. Onder randnummer 2 van het meebetekende dagbepalingsbericht wordt aangeradeneen schriftelijke reactie op de dagvaarding in te dienen, gelet op de beperkte spreektijd. Een incidentele vordering kan pas worden ingesteld als partijen in het geding zijn verschenen en dient uiterlijk 24 uur voor de mondelinge behandeling te worden toegezonden (vgl. ook artikel 3.16, 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). Er zijn dan ook geen termijnen geschonden. Dat er weinig tijd was voor overleg tussen de advocaat en zijn cliënt is eigen aan een kort geding procedure en kan dus op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat eiseres in haar verdediging is geschaad. De producties GP10 tot en met GP13 die gisteravond aan de voorzieningenrechter zijn toegezonden worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze zonder goede reden buiten de daarvoor geldende termijn zijn ingedienden daarmee sprake is van strijd met de goede procesorde.

1.3.. De zaak is aangehouden tot 5 juni 2026 om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te onderzoeken. In brieven van 4 juni 2026 hebben partijen de rechtbank verzocht vonnis te wijzen. Mr. Richel heeft als bijlage bij de brief een geactualiseerde kostenstaat meegezonden, waartegen mr. De Jong bezwaar heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het moment van indienen van de productie in strijd met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten.

1.4.. De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.

2. Het incident tot tussenkomst en voeging

2.1.. Commerbas heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [partij A] en [partij B] c.s. en zich te mogen voegen aan de zijde van [partij B] c.s. Volgens Commerbas heeft zij belang bij tussenkomst en voeging, aangezien zij bij toewijzing van de vorderingen jegens [partij B] c.s. failliet zullen gaan. De materialen die zij destijds ten behoeve van de productie van de schoenen voor [partij A] heeft aangeschaft, worden nu gebruikt voor de schoenen die zij maakt voor [partij B] c.s. Door de plotselinge orderstop van [partij A] bleef Commerbas zitten met de materialen en de opslagkosten daarvoor. Dat zij vervolgens voor [partij B] c.s. schoenen kon produceren, heeft gezorgd dat de materialen alsnog konden worden gebruikt. Indien de vorderingen tegen [partij B] c.s. worden toegewezen, wil Commerbas tussenkomen om de door haar geleden schade alsnog te verhalen op [partij A] .

2.2.. Ter zitting heeft [partij B] c.s. verklaard geen bezwaar te hebben tegen de (voorwaardelijke) tussenkomst dan wel voeging. [partij A] heeft wel verweer gevoerd tegen de tussenkomst en voeging, primair omdat in kort geding geen conclusie tot voeging dan wel tussenkomst kan worden ingediend gelet op de vereisten van artikel 218 Rven het ontbreken van roldata in een kort gedingprocedure, subsidiair omdat Commerbas geen rechtstreeks belang heeft bij het tussen [partij A] en [partij B] c.s. aanhangig geding (als vereist in artikel 217 Rv) en meer subsidiair omdat zij geen spoedeisend belang heeft bij de door haar in de voorwaardelijke tussenkomst aangekondigde vordering.

2.3.. Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de vordering van Commerbas tot voeging aan de zijde van [partij B] c.s. wordt toegewezen en de vordering van Commerbas tot tussenkomst wordt afgewezen. Daartoe is het volgende redengevend.

2.4.. Voeging en tussenkomst zijn vormen van interventie, vrijwillige deelname aan het geding door een derde. Op de voet van art. 217 Rv kan een ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar. Bij tussenkomst wil de partij een eigen vordering instellen tegen (een van) de andere partijen. Er moet sprake zijn van voldoende belang om zich te mengen in het aanhangige geding. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

2.5.. Anders dan betoogd, kan ook in kort geding een vordering tot tussenkomst en/of voeging worden ingesteld. Commerbas heeft haar vordering tot voeging en tussenkomst voorafgaand aan de zitting aangekondigd en heeft deze ter zitting ingesteld (vgl. ook artikel 6.2 en 6.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken). De voorzieningenrechter is van oordeel dat Commerbas haar belang bij voeging aan de zijde van [partij B] c.s. voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of Commerbas voldoende belang heeft bij tussenkomst kan in het midden blijven, omdat de goede procesorde er in dit geval aan in de weg staat om de tussenkomst toe te staan. Het toestaan van de gevorderde tussenkomst zou – gelet op de door Commerbas geformuleerde zelfstandige vordering, waaraan grotendeels een ander feitencomplex ten grondslag is gelegd – een uitbreiding van het kort geding tot gevolg hebben, waarbij hoor en wederhoor in de knel dreigen te komen. Dit compliceert de voortvarende beoordeling van het geschil, hetgeen niet verenigbaar is met het karakter van een kort gedingprocedure.

3. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

[partij A] , Panara B.V. en het PANARA merk

3.1..

[partij A] heeft sinds begin jaren ’80 schoenen ontworpen en verkocht.

Hij is houder van het op 1 mei 1984 onder nummer 394494 ingeschreven Benelux woordmerk PANARA voor waren in onder meer klasse 25 (schoenen), hierna het PANARA merk. De schoenen zijn voorzien van het PANARA merk, de sinds 1984 ontworpen modellen onder voornoemd merk worden hierna gezamenlijk aangeduid als de PANARA schoencollectie.

3.2.. In 1987 is [partij A] opgericht en is de productie en verkoop van de PANARA schoencollectie in die vennootschap ondergebracht. [partij A] heeft [partij A] hiertoe een licentie verstrekt, waarbij [partij A] tevens is toegestaan sublicenties te verstrekken en zelfstandig rechtsmaatregelen te nemen ter handhaving van het merkrecht.

3.3..
[partij A] is een groothandel en verkocht de PANARA schoencollectie onder meer aan Pauw (23 winkels), aan diverse andere winkels en zogenaamde multibrandstores (winkels die meerdere schoenmerken verkochten) en webshops.

3.4.. Een zustervennootschap van [partij A] , Panara B.V., exploiteerde van 1987 tot 2021 een Panara winkel in Amsterdam (waar alleen schoenen van het PANARA merk werden verkocht). Sinds 2017 heeft Panara B.V. ook een webshop onder de domeinnaam www.panaraonline.com. Deze webshop is tot op heden actief.

Commerbas

3.5.. De PANARA schoencollectie wordt met de hand gemaakt in Italië, laatstelijk door Commerbas.

[partij B] c.s.

3.6.. Op 1 oktober 2010 heeft [partij B] c.s. een schoenenzaak in Den Haag geopend onder de naam Panara Den Haag. Deze naam staat ook op de gevel van de winkel. Daarnaast heeft [partij B] c.s. een webshop onder de domeinnaam www.panaradenhaag.nl.

Overeenkomst [partij A] en [partij B] c.s.

3.7.. In september 2010 zijn [partij A] en [partij B] c.s. schriftelijk onder meer het volgende overeengekomen:

Basis van deze overeenkomst is de verkoop van Panara in de vorm van een Panara Store.

1. De naarn Panara mag uitsluitend worden gebruikt op basis van de presentatie van het volledige product, dus met uitsluiting van andere producten. Afwijkingen hierop niet anders dan met schriftelijke toestemming van [partij A] BV.

5. Indien er sprake is van een of meer voornoemde situaties, dient de naam Panara onmiddellijk te worden verwijderd en zal de levering van Panara goederen eveneens met onmiddellijke ingang worden gestaakt.

6. Duur van de overeenkomst geldt met ingang van seizoen winter 2010/11 voor een onbepaalde periode.

7. Beëindiging van de overeenkomst geschiedt door middel van een aangetekend schrijven met inachtname van twee (2) seizoenen, inbegrepen het op datum van opzegging lopende verkoopseizoen.

8. Bij beëindiging van de samenwerking bestaat geen recht op enige vergoeding.

3.8.. Op 14 november 2023 heeft [partij A] de Overeenkomst opgezegd.

Sommaties

3.9.. In een aangetekende brief van 8 oktober 2025 heeft [partij A] aan [partij B] c.s. meegedeeld dat zij hebben geconstateerd dat [partij B] c.s. modellen uit de PANARA schoencollectie heeft gekocht bij Commerbas en voorzien van het naamlabel Borgesa (hierna: de Borgesa schoenen). In die brief heeft [partij A] [partij B] c.s. onder meer gesommeerd het PANARA merk te verwijderen uit de promotie voor de Borgesa schoenen.

3.10.. Onder andere naar aanleiding van het hieronder opgenomen Instagram bericht schrijft [partij A] op 27 november 2025 aan [partij B] c.s. dat de overeenkomst is beëindigd en dat zij uiterlijk op 31 december 2025 de naam PANARA van de gevel dient te verwijderen alsmede de domeinnaam panaradenhaag.nl.

3.11.. Op 12 februari 2026 werden onder de domeinnaam paranadenhaag.nl onder meer de Borgesa schoenen onder meer op de volgende wijze aangeboden:.

3.12.. In een brief van 25 februari 2026 heeft de advocaat van [partij A] onder meer geconstateerd dat ter omschrijving en promotie van de Borgesa schoenen gebruik wordt gemaakt van het teken Panara en dat deze schoenen worden aangeboden onder de domeinnaam panaradenhaag.nl, waardoor inbreuk op het PANARA merk wordt gemaakt. In die brief wordt [partij B] c.s. onder meer gesommeerd de inbreuk op het PANARA merk te staken.

3.13..
[partij A] heeft aan de sommaties geen gevolg gegeven.

4. Het geschil

In conventie

4.1..
[partij A] vordert – na vermindering van eis – gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de aan [partij A] toekomende auteursrechten te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen de openbaarmaking en verveelvoudiging van de Borgesa schoenen te staken en gestaakt te houden;

II. hoofdelijk te bevelen onmiddellijk iedere inbreuk op de merkenrechten van [partij A] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder gedaagden te verbieden gebruik te maken van het teken ‘Panara’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met dit merk;

III. hoofdelijk te bevelen aan de advocaat van [partij A] een volledig en juiste opgave te verstrekken, zowel digitaal als schriftelijk, voorzien van alle relevante documenten, waaronder mede begrepen maar niet beperkt tot facturen, prijslijsten, bestelformulieren, vervoersdocumenten, douanedocumenten, orderbevestigingen en (e mail)correspondentie, waarin de volgende informatie is vervat:

a. a) de fabrikant(en) en/of leverancier(s) van de Borgesa schoenen, met vermelding van volledige na(a)m(en), adres(sen), telefoon- en bankrekeningnummer(s);

b) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en/of door aan hen gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, vervaardigd, ingekocht, besteld en/of geleverd, zulks gerangschikt per leverancier, met vermelding van inkoopprijzen, besteldata en leverdata, tezamen met kopieën van de betreffende orderbevestigingen, facturen en correspondentie;

c) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen die tot op heden door gedaagden en/of door aan gedaagden gelieerde ondernemingen is verveelvoudigd, aangeboden, verkocht en geleverd, zulks gespecificeerd per afnemer, met vermelding van verkoopprijzen en leverdata en volledige na(a)m(en), adres(sen) en telefoonnummers van (niet particuliere) klanten, tezamen met kopieën van de betreffende facturen, orderbevestigingen en correspondentie;

d) de totale hoeveelheid Borgesa schoenen, die door en/of ten behoeve van gedaagden dan wel aan gedaagden gelieerde ondernemingen in voorraad wordt gehouden; en (nvt want worden geen producten onder merknaam verkocht);

e) de totale nettowinst die is behaald met het aanbieden en verkopen van de Borgesa schoenen, berekend vanaf het zomerseizoen 2025, waarbij gedaagden voor de berekening van deze nettowinst uitsluitend directe belastingen en directe variabele kosten zal aftrekken, en de exacte wijze waarop deze winst berekend. bestelformulieren, adres(sen);

IV. te bevelen binnen veertien (14) dagen na dit vonnis een terugroepactie uit te voeren en een brief te sturen naar alle afnemers aan wie zij de Borgesa schoenen hebben verkocht en geleverd, met uitsluitend de volgende inhoud en zonder weglatingen, aanvullingen of opmerkingen, en dat zij kopieën van de verzonden brieven aan de advocaat van [partij A] zullen verstrekken: ‘RECTIFICATIE EN HERROEPING In het verleden hebben wij u (één van de) producten aangeboden en geleverd uit onze schoenencollectie ‘Borgesa’. Via deze kennisgeving informeren wij U dat deze producten inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van de heer [partij A] , bedenker en ontwerper van het schoenenlabel Panara. Wij vragen u de inbreukmakende producten op onze kosten aan ons te retourneren en danken u bij voorbaat voor uwmedewerking in dit verband. Ondergetekende, Panara Den Haag / [partij B sub 1] v.o.f.’

V. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Inbreukmakende Producten die krachtens het gestelde onder Romeinse IV aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;

VI. hoofdelijk te bevelen om binnen veertien (14) dagen na dit vonnis alle Borgesa schoenen die zich onder henzelf dan wel onder derden ten behoeve van hen bevinden, waaronder alle Borgesa schoenen, die krachtens het hiervoor onder IV bepaalde aan hen zijn geretourneerd, voor eigen rekening, op te sturen aan het adres van de advocaat van [partij A] ;

VII. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare van EUR 10.000,- (tienduizend euro) per overtreding in geval het niet, niet volledig, niet correct of niet tijdig nakomen van een of meer van het gevorderde onder Romeinse I tot en met V, of — naar keuze van [partij A] — van EUR 1.000,- (duizend euro) voor iedere dag dat een dergelijke overtreding voortduurt, onverminderd het recht van [partij A] op volledige naleving en schadevergoeding;

VIII. hoofdelijk te veroordelen, in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten op de voet van artikel 1019h Rv, en dit kort geding volgens de indicatietarieven in IE zaken, versie 1 februari 2026, in te schalen als een ‘normaal kort geding’, te betalen binnen tien (10) werkdagen na betekening van dit vonnis;

IX. hoofdelijk te veroordelen om aan [partij A] de wettelijke (handels)rente over de proceskosten te betalen, wanneer deze niet binnen tien (10) werkdagen na het betekenen van het ten deze te wijzen vonnis zijn voldaan;

X. hoofdelijk te veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten.

4.2..
[partij A] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [partij B] c.s. met de Borgesa schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten van [partij A] op de PANARA schoencollectie. De schoenen koopt zijn van Commerbas en zijn identiek aan de modellen uit de PANARA schoencollectie, alleen voorzien van een andere naam. Na de beëindiging van de overeenkomst is [partij B] c.s. daarnaast het PANARA merk blijven gebruiken op de gevel van de winkel, in de domeinnaam en ter promotie van de Borgesa schoenen. Nu [partij B] c.s. na het beëindigen geen toestemming meer voor heeft, maakt zij inbreuk op het PANARA merk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.

4.3..
[partij B] c.s. voert verweer tegen de vorderingen en concludeert tot afwijzing. Zij betwist dat auteursrecht op de PANARA schoencollectie rust; het betreft klassieke Italiaanse schoenmodellen. Subsidiair betwist zij dat het auteursrecht bij [partij A] rust. [partij A] was de ontwerper van de schoenen en niet is gebleken dat het auteursrecht aan [partij A] is overgedragen. De overeenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, zodat de overeenkomst nog geldt op grond waarvan [partij B] c.s. toestemming hebben het PANARA merk te gebruiken.

In voorwaardelijke reconventie

4.4..
[partij B] c.s. vordert in reconventie, uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [partij A] te veroordelen om binnen veertien (14) dagen na betekening van dit vonnis alle door [partij B] c.s. bij [partij A] ingekochte en nog in voorraad zijnde Panara- schoenen (inclusief verpakkingen) terug te nemen op door [partij A] aan te wijzen wijze en op kosten van [partij A] ;

II. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] c.s. van de inkoopprijs van de terug te nemen schoenen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:u9 BW vanaf de datum waarop [partij B] c.s. die inkoopprijs aan [partij A] heeft betaald tot aan de datum van algehele voldoening door [partij A] , vast te stellen door de accountant van gedaagden, met een voorschot bij aflevering van € 100.000,-i

III. Subsidiair, indien een dergelijk verbod niet aan gedaagden wordt opgelegd:

[partij A] te verbieden zich als detailhandelaar via internet op de markt te begeven met uitverkoopacties van Panara-schoenen, zonder overleg met en goedkeuring door gedaagden. Hierbij geldt dat gedaagden (eisers in reconventie) bereid zijn om de resterende voorraad Panara-schoenen die [partij A] en aan haar gelieerde entiteiten nog bezit(ten) over te nemen als voorschot op een schadevergoeding.

IV. [partij A] te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

4.5.. Op de standpunten van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In conventie en voorwaardelijke reconventie

Bevoegdheid

5.1.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gegrond op de gestelde inbreuk op het PANARA merk, is de voorzieningenrechter internationaal en relatief bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van de artikel 4.6 BVIE, aangezien [partij B] c.s. in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Benelux.

5.2.. Voor zover de vorderingen in conventie zijn gebaseerd op de gestelde inbreuk op het auteursrecht is die bevoegdheid gegrond op artikel 4 Brussel I bis-Voomdat gedaagde in Nederland is gevestigd. De relatieve bevoegdheid volgt uit artikel 99 Rv.

5.3.. Nu de voorzieningenrechter bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] c.s. [partij A] heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.

Spoedeisend belang

5.4.. De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang de gestelde inbreuk of het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Nu [partij B] c.s. de vermeend inbreukmakende (voor wat betreft het auteursrecht) schoenen nog verkoopt en het teken PANARA nog gebruikt (hetgeen volgens de stellingen van [partij A] merkinbreuk oplevert), is daarmee het spoedeisend belang gegeven.

In conventie verder

Auteursrechten modellen Panara schoencollectie

5.5.. De stellingen van [partij A] waarop zij haar auteursrechtelijke vorderingen grondt, zijn toegespitst op de omstandigheid dat [partij B] c.s. door Commerbas dezelfde modellen van schoenen laat produceren als de modellen van de PANARA schoencollectie die zij voorheen inkocht bij [partij A] en verkocht in haar winkel. Daarmee is volgens [partij A] de inbreuk op de aan haar toekomende auteursrechten gegeven.

5.6..
[partij A] heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken op welke modellen uit de PANARA schoencollectie zij zich beroept, wanneer deze zijn ontworpen, waaruit de auteursrechtelijke beschermde kenmerken van de afzonderlijke modellen bestaan en hoe die zich weerspiegelen in het desbetreffende model.Er kan immers pas inbreuk worden gemaakt op het auteursrecht als sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk. Of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete vormgeving van (een combinatie van) kenmerken in de betreffende schoenen. Het is aan [partij A] om de feiten daarvoor naar voren te brengen.

5.7.. In de dagvaarding heeft [partij A] meerdere malen geconcludeerd dat de modellen van de Panara schoencollectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn, met een eigen herkenbare signatuur van de collectie. Zo wordt gesteld dat “de ontwerpen (..) [zich] kenmerken door een consistente en herkenbare stijl, waarin vorm, pasvorm en materiaalgebruik in onderlinge samenhang werden ontwikkeld”en“deze werkwijze heeft geleid tot een eigen vormentaal, die in de loop der jaren een duidelijke plaats in de markt heeft ingenomen en waarmee de Panara Collectie zich onderscheidt van andere aanbieders”Een feitelijke uitwerking van wat per schoen de door haar ingeroepen“kenmerkende en beschermde elementen van de Panara-collectie”zijn ontbreekt. Omdat op het moment van het opstellen van de dagvaarding door [partij B] c.s. al was betwist dat de (modellen) van de Panara collectie auteursrechtelijk beschermde werken zijn (omdat het klassieke schoenmodellen betreft volgens [partij B] c.s.), had het op de weg van [partij A] gelegen te onderbouwen welke creatieve keuzes zichtbaar zijn in de afzonderlijke modellen, waarop volgens [partij A] inbreuk op het auteursrecht wordt gemaakt. Om als auteursrechtelijk werk beschermd te kunnen zijn in de zin van artikel 10 Aw, moeten de schoenen immers uitdrukking geven aan vrije en creatieve keuzen die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen.Omdat voor auteursrechtelijke bescherming is vereist dat de persoonlijkheid van de maker wordt weerspiegeld in het voorwerp, moet bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid worden uitgegaan van het voorwerp zelf. Het scheppingsproces en de bedoelingen van de auteur kunnen slechts een rol spelen voor zover dit in het werk tot uitdrukking is gebracht.

5.8.. Bij de beoordeling van de oorspronkelijkheid dient dus te worden uitgegaan van de afzonderlijke modellen zelf. [partij A] verwijst in haar dagvaarding echter naar de PANARA schoencollectie, maar de afzonderlijke modellen schoenen waaruit die collectie bestaat en waarop volgens [partij A] dus auteursrechtelijke inbreuk wordt gemaakt, zijn niet omschreven en evenmin zijn hiervan afbeeldingen overgelegd. Er is wel een aantal modeltekeningen overgelegd bij de dagvaarding, waarover wordt opgemerkt dat dit de eigen herkenbare signatuur van de collectie onderstreept, maar waaruit die signatuur dan bestaat, is niet uitgewerkt. Van welke voorwerpen moet worden beoordeeld of zij een auteursrechtelijk beschermd werk zijn, is dus niet duidelijk. Verder zijn 103 pagina’s screenshot van de website van [partij B] c.s. overgelegd met de modellen, die zij thans aanbiedt onder het teken Borgesa. Zelfs als deze schoenen identiek zijn aan modellen van de Panara Collectie, dient eerst te worden vastgesteld dat de modellen van de Panara Collectie waarop inbreuk wordt gemaakt auteursrechtelijk beschermd zijn. Hiervoor zijn dus onvoldoende feiten gesteld.

5.9.. Ook in de ter zitting door de advocaat van [partij A] voorgedragen spreekaantekeningen wordt niet ingegaan op het verweer dat de modellen uit de PANARA schoencollectie geen auteursrechtelijke beschermde werken zijn. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal malen gevraagd naar de specifieke kenmerken van de schoenen, die maken dat de schoenen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. In antwoord daarop zijn wederom algemene bewoordingen gebruikt, zoals strakke vormgeving, beste leer, geen stiknaden, uitstekende pasvorm, tijdloos, sober, strak, zwarte slipzool doorlopend over de neus van de schoen, zonder daarbij de vormgeving van de afzonderlijke modellen als uitgangspunt te nemen. Verder is “het samenspel van keuzes” genoemd als hetgeen dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en maakt dat de consument een schoen herkent als een Panara schoen.

5.10..

Onder voornoemde omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is dat de Panara schoencollectie bestaat uit voorwerpen die te kwalificeren zijn als auteursrechtelijk beschermde werken. Dat een selectie van de PANARA schoencollectie (welke modellen dat zijn, is ook weer niet gespecificeerd) is opgenomen in de collectie van het Schoenenkwartier is voor de beoordeling niet relevant, nu de beoordeling of een voorwerp een auteursrechtelijk beschermd werk is, dient plaats te vinden naar het moment waarop het werk werd ontworpen.

Het onder I., III., IV. en V. gevorderde wordt dus afgewezen.

5.11.. De voorzieningenrechter komt gelet op het voorgaande niet meer toe aan de bespreking van het door [partij B] c.s. subsidiair gevoerde verweer dat [partij A] niet de auteursrechthebbende zou zijn.

merkinbreuk

5.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat [partij B] c.s. het PANARA merk tot op vandaag in het economisch verkeer gebruikt door middel van het merk op de gevel van haar schoenenwinkel, door onder de domeinnaam panaradenhaag.nl schoenen te verkopen en op haar website en social media kanalen ter promotie van de door haar aangeboden schoenen voorzien van het teken BORGESA. Niet is betwist dat dit heeft te gelden als merkgebruik.

5.13.. Volgens [partij B] c.s. geldt de Overeenkomst nog tussen, omdat deze niet rechtsgeldig is opgezegd. Zij heeft dus nog steeds toestemming om het PANARA merk te gebruiken, zodat de vordering tot het staken van het gebruik dient te worden afgewezen. Dit verweer slaagt niet en dat wordt hierna uitgelegd.

5.14.. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op 14 november 2023 (dus tijdens het winterseizoen, dat loopt van juli tot januari) door [partij A] mondeling is opgezegd tegen juli 2024 (einde zomerseizoen, dat loopt van januari tot juli). Dit is overeenkomstig de opzegtermijn van artikel 7 van de Overeenkomst. Dit betekent in beginsel dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het merk te gebruiken. Hoewel de overeenkomst conform het bepaalde in artikel 7 door middel van een aangetekende brief moet worden opgezegd, is de overeenkomst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijven gelden omdat [partij A] deze mondeling heeft opgezegd. Voor [partij B] c.s. was het immers duidelijk dat de Overeenkomst werd opgezegd, dat [partij A] haar activiteiten zou gaan beëindigen en dat na het zomerseizoen dat liep tot juli 2024 geen nieuwe bestellingen meer zouden kunnen worden geplaatst. [partij B] c.s. heeft zich hiernaar ook gedragen door geen bestellingen meer bij [partij A] te plaatsen voor het laatste zomerseizoen (2024) en zich te gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Dit betekent dat [partij B] c.s. met ingang van 1 juli 2024 geen toestemming meer heeft om het PANARA merk te gebruiken. Door het PANARA merk toch te blijven gebruiken, maakt zij inbreuk op de merkrechten van [partij A] op grond van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE.

5.15..
[partij B] c.s. heeft verder aangevoerd dat [partij A] gelet op de aard en inhoud van de Overeenkomst een langere opzegtermijn in acht had moeten nemen. De voorzieningenrechter overweegt hierover als volgt. Los van de vraag of de Overeenkomst is te kwalificeren als een distributieovereenkomst – hetgeen door [partij A] wordt betwist – is de aan [partij B] c.s. gegeven toestemming om het PANARA merk te gebruiken verbonden aan de (ontbindende) voorwaarden dat zij geen andere merken mag verkopen. Tot de opzegging van 14 november 2023 heeft [partij B] c.s. dus 13 jaar lang enkel schoenen onder het PANARA merk verkocht en is haar bedrijf daardoor volledig ingericht op en afhankelijk van de verkoop van deze schoenen. Onder die omstandigheden kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld, zoals een langere opzegtermijn. Dat die opzegtermijn meer dan twee jaar (sinds de opzegging op 13 november 2023) had moeten bedragen is echter gesteld noch gebleken. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [partij B] c.s. geen modellen van het laatste zomerseizoen (2024) heeft ingekocht, heeft afgezien van het overnemen van de voorraad PANARA schoenen van Panara B.V. (in verband met het ontbreken van overeenstemming over de prijs) en zich – naast het verkopen van haar voorraad PANARA schoenen – is gaan richten op nieuwe activiteiten (schoenen onder de naam BORGESA). Zij heeft nimmer overleg gezocht met [partij A] om afspraken te maken over een langere overgangsperiode. De verkoop van de resterende voorraad Panara schoenen (thans nog 1000 paar) kan ook onder een andere winkelnaam en domeinnaam plaatsvinden. Voor het wijzigen van deze naam heeft [partij B] c.s. inmiddels meer dan voldoende tijd gehad. Het oordeel blijft dan ook dat [partij B] c.s. geen toestemming meer heeft het PANARA merk te gebruiken voor (de verkoop van) schoenen, zodat het onder II. gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen. Aangezien dit tevens tot gevolg heeft dat de naam van de winkel (zowel op de gevel als online, domeinnaam en website) dient te worden gewijzigd zal het inbreukverbod vier weken na betekening van het vonnis ingaan. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [partij B] c.s. zeker na de brief van 27 november 2025 ervan op de hoogte was dat [partij A] niet langer toestemming gaf om het PANARA merk in de winkelnaam en de domeinnaam te gebruiken.

5.16.. Als prikkel ter nakoming van het inbreukverbod acht de voorzieningenrechter een dwangsom zoals gevorderd aangewezen. Deze zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum is vermeld.

Proceskosten

5.17.. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie worden gecompenseerd als na te melden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inbreukverbod ten aanzien van het PANARA merk weliswaar wordt toegewezen, maar het gevorderde inbreukverbod op de vermeende auteursrechten en de daarmee samenhangende nevenvorderingen worden afgewezen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.

In voorwaardelijke reconventie verder

5.18..
[partij B] c.s. heeft als voorwaarde aan haar reconventionele vorderingen verbonden: “uitsluitend voor het geval in conventie aan [partij B] c.s. een verbod wordt opgelegd op het gebruik van het merk PANARA dat het verkopen van de door haar rechtmatig ingekochte Panara-voorraad belemmert of verhindert.”

5.19.. Hoewel het in conventie gevorderde verbod is toegewezen, staat dit er niet aan in de weg om de rechtmatig ingekochte Panara schoenen, die [partij B] c.s. nog op voorraad heeft te verkopen. Deze voorraad bestaat immers uit schoenen, voorzien van het PANARA merk, die zij nog onder de Overeenkomst heeft ingekocht bij [partij A] . Los van het feit dat het recht van [partij A] om zich op grond van het merkrecht tegen de verkoop van die specifieke exemplaren te verzetten, is uitgeput, heeft [partij A] ook ter zitting benadrukt, dat het [partij B] c.s. vrij staat om rechtmatig ingekochte Panara schoenen te blijven verkopen. De aan de reconventionele vorderingen verbonden voorwaarde is dan ook niet in vervulling gegaan, zodat aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen niet wordt toegekomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

6.1.. beveelt gedaagden binnen vier weken na betekening van dit kort gedingvonnis iedere inbreuk op het PANARA merk in de Benelux te staken en gestaakt te houden;

6.2.. veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [partij B] c.s. in strijd handelt met het onder 6.1 gegeven bevel, met een maximum van € 50.000,-;

6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

6.5.. bepaalt de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv op zes maanden na de datum van dit vonnis;

6.6.. wijst af het meer of anders gevorderde;

In voorwaardelijke reconventie

6.7.. stelt vast dat aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen is ingesteld niet is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Overbeek en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

artikel 3.16 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken

Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra)

Auteurswet

HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra), r.o. 50 en 61

HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra), r.o. 71, 74 en 75

Productie 12 bij de dagvaarding

HvJ EU 4 december 2025, ECLI:EU:C:2025:941, C-580/23 en C-795/23 (Mio en Konektra), r.o. 77 en 81

More Decisions