ECLI:NL:RBDHA:2026:18465
Case Summary
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.19668
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting is geopend op 28 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat partijen weliswaar tijdig en correct waren uitgenodigd, maar verweerder feitelijk niet op de hoogte bleek te zijn van de planning en de inhoud van de zaak.
Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Hartog.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is volgens zijn eigen opgave geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Iraakse nationaliteit.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordeningis vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 februari 2026 een verzoek om terugname gezonden aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft overwogen dat de gezinsband van eiser met zijn ouders en broers en zussen niet voldoende is onderbouwd. Dit standpunt heeft verweerder pas bij het bestreden besluit ingenomen zodat eiser hierop in de bestuursrechtelijke fase niet heeft kunnen reageren. Eiser overlegt in beroep alsnog kopieën van paspoorten van zijn gezinsleden, en kopieën van de aanmeldgehoren van zijn vader en zijn moeder, waaruit blijkt dat zij eiser noemen als hun zoon, die met het gezin is meegereisd naar Nederland. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de gezinsband tussen eiser en zijn overige in Nederland verblijvende gezinsleden. Het is in het belang van eiser en van zijn gezinsleden dat zij niet gescheiden worden. Ook overlegt eiser documenten ter onderbouwing van de medische situatie van zijn moeder; zij heeft psychische problemen als gevolg van het verlies van de oudste dochter van het gezin in Griekenland, en kan niet van eiser gescheiden worden. Door in deze omstandigheden geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd.
Eiser voert daarnaast aan dat het bestreden besluit een risico op refoulement inhoudt, nu eiser in Duitsland al eerder een negatieve beschikking heeft gekregen. Hij vreest daarom dat hij bij overdracht aan Duitsland zonder verdere inhoudelijke behandeling zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5. In Eurodac staat alleen van eiser een eerdere asielaanvraag geregistreerd in Duitsland. Daarom is alleen voor eiser een terugnameverzoek aan Duitsland gezonden en worden de aanvragen van de andere gezinsleden in de nationale procedure in Nederland behandeld. Verweerder betwist niet dat eiser als onderdeel van een gezin is ingereisd, maar hecht daar geen doorslaggevende betekenis aan. Het gegeven dat een vreemdeling familie heeft in Nederland is voor verweerder niet genoeg om toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser in de beroepsfase kopieën van identiteitsbewijzen van de verschillende gezinsleden heeft overgelegd maakt het besluit daarom niet anders.
6. Ter zitting is de vraag besproken in hoeverre de Dublinverordening verweerder verplicht om rekening te houden met de gezinsband, nu eiser meerderjarig is, en of dit een element is dat moet worden meegewogen bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, van de Dublinverordening. Op grond van overweging 14, van de preambule bij de Dublinverordening dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening immers de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop te staan. Deze, en andere uit de preambule van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hun weerslag gevonden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. De Afdeling heeft eerder bepaald dat de genoemde waarborgen in de preambule verweerder niet verplichten om in gezinsbanden die de Dublinverordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien om de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.Nu vaststaat dat eiser meerderjarig was op het moment van de indiening van de asielaanvraag in Nederland en hij daarom geen beroep kan doen op de genoemde artikelen in de Dublinverordening die de gezinsband beschermen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.
7. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.Hij beoordeelt of in het voorliggende geval sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter mag die beoordeling slechts terughoudend toetsen.Dit betekent dat de rechter het bestreden besluit op dit punt moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van verweerder.
8. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om bij het gezin te verblijven, maar is gezien het bestreden besluit en de behandeling ter zitting van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bij de beoordeling of toepassing moest worden gegeven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kunnen betrekken dat het verblijf van familie in Nederland geen doorslaggevende betekenis toekomt en dat ook als eisers betoog over de medische problemen van de moeder en de verdwijning van zijn oudste zus in Griekenland gevolgd wordt, dit niet tot een situatie van onevenredige hardheid leidt. De moeder krijgt in Nederland immers de behandeling die zij nodig heeft en eiser kan vanuit Duitsland contact onderhouden met het gezin.
9. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Eiser heeft voor dit laatste geen aanknopingspunten gegeven. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen en nu eiser ook in beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan of dat de motivering van verweerder het standpunt niet kan dragen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385, punt 5.
Dit is vastgelegd in onderdeel C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, recent bevestigd in de uitspraak van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3293.
ECLI:EU:C:2023:934.
ECLI:NL:RVS:2024:2359.