ECLI:NL:RBDHA:2026:18470
Case Summary
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31333
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 12 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 11 juni 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 april 2026 tot 11 juni 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat hij twijfelt of er gerede kans is op afgifte van een laissez-passer (lp) en dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 27 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1675) ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het zicht op uitzetting naar Marokko niet ontbreekt. Dat er in de periode van 1 januari 2025 tot 1 oktober 2025 206 aanvragen tot de afgifte van een lp zijn ingediend, die in 73 gevallen daadwerkelijk tot uitzetting hebben geleid, is onvoldoende voor die conclusie. Eisers lp-aanvraag loopt al sinds 3 maart 2026, zonder dat een lp is afgegeven. De kans dat er geen lp wordt afgegeven en eiser niet kan worden uitgezet is vele malen groter en die conclusie kan nu al getrokken worden, terwijl het uitgangspunt is dat de bewaring zo kort mogelijk duurt. Ook voert eiser aan dat hem niet kan worden verweten dat hij niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, omdat deze gegevens reeds bekend zijn bij verweerder vanwege zijn eerdere (rechtmatige) verblijf in Spanje.
3.1.. Zoals eiser terecht stelt heeft de Afdeling onlangs nog bevestigd, in de hiervoor genoemde uitspraak van 27 maart 2026, dat er in beginsel zicht op uitzetting bestaat naar Marokko. In deze uitspraak heeft de Afdeling niet alleen vastgesteld dat in de periode tussen 1 januari 2025 en 1 oktober 2025 206 lp-aanvragen zijn ingediend en 79 uitzetting met behulp van een laissez-passer hebben plaatsgevonden, maar ook dat er 119 nationaliteitsbevestigingen zijn afgegeven en 129 lp’s zijn verstrekt (overweging 5). De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling dat in het algemeen sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko. Er zijn door eiser hiertoe verder ook geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt.
3.2.. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 3 maart 2026 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden, na ruim drie maanden, geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent dan ook niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is komen te ontbreken. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiser. Het is nog te vroeg voor de conclusie dat dit ook niet zal gebeuren. Daar komt bij dat door eiser geen (nieuwe) concrete aanknopingspunten naar voren zijn gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De afgifte van een lp duurt in het algemeen ook langer als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen gehoor geeft aan de plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Eiser doet dit niet. Dat zijn gegevens bekend zijn vanwege eerder rechtmatig verblijf in Spanje, is onvoldoende. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 22 mei 2026 blijkt dat eiser nog altijd geen actie heeft ondernomen om aan (reis)documenten te komen die zijn uitzetting kunnen bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
4.1.. Uit de voortgangsrapportage van 4 juni 2026 volgt dat verweerder in de te toetsen periode op 23 april 2026, 15 mei 2026 en 4 juni 2026 bij de Marokkaanse autoriteiten (schriftelijk) heeft gerappelleerd over de lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 21 april 2026 en 22 mei 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in de te toetsen periode voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Mede gelet op het gebrek aan medewerking van eiser, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in de toetsen periode frequenter of op andere wijze had moeten rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten dan hij heeft gedaan (voor zover eiser dit heeft bedoeld te betogen). Het enkele tijdsverloop is daartoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
5. Eiser betoogt dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Daartoe voert eiser aan dat het risico op onttrekking nihil is en dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden. In dat verband wijst eiser erop dat hij eerder in de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) heeft verbleven en daar ook is staandegehouden, hetgeen volgens hem laat zien dat hij zich niet aan het toezicht onttrekt. Daarnaast stelt eiser dat hij niet over een andere verblijfplaats beschikt. Ook voert eiser aan het zwaar te hebben in vreemdelingenbewaring.
5.1.. In de uitspraak van 21 april 2026 (in de zaak NL26.18837) in eisers eerste bewaringsberoep, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel. In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die aanleiding geven voor het oordeel dat het risico op onttrekking aan het toezicht aanzienlijk is afgenomen of voor het oordeel dat de maatregel onevenredig bezwarend is geworden. De enkele stelling van eiser dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden, dat hij in de VBL is staandegehouden en dat hij het zwaar heeft in vreemdelingenbewaring, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 15 april 2026 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Gevolgen en conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.