Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18482

Court

Middelburg

Date

18 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB25/9223
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.P.M. Kelderman).

Inleiding

In het besluit van 19 november 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 12 mei 2026 aanvullende stukken overgelegd aangaande zijn werkzaamheden en inkomsten.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en standpunten

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 23 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in het kader van arbeid als zelfstandige. Eiser wenst verblijf in Nederland als zelfstandig ondernemer, namelijk als eigenaar van [eenmanszaak] , waarbij hij zich richt op het knippen en stylen van haar. Eiser heeft in Spanje de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de Richtlijn langdurig ingezetenen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij aan de geldende voorwaardenvoor de gevraagde verblijfsvergunning voldoet. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Er is geen bewijs van de start van de activiteiten als kapper, het ondernemingsplan is summier, er is niet aangetoond onder welke voorwaarden de kapsalon wordt uitgeoefend noch is aangetoond dat de middelen van bestaan uit deze werkzaamheden duurzaam zijn door middel van overeenkomsten die niet zomaar kunnen worden opgezegd.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser heeft met documenten aangetoond dat sprake is van een economische activiteit sinds 1 november 2024. Verweerder heeft onvoldoende acht geslagen op de door eiser ingebrachte documenten, zodat de besluitvorming onzorgvuldig is. Bovendien heeft verweerder ten onrechte en zonder te verzoeken om een nadere toelichting of aanvullende stukken, overwogen dat bewijs van de zelfstandige en duurzame economische activiteiten ontbreekt. Eiser kan met de werkzaamheden die hij als kapper hier te lande verricht zelfstandig en duurzaam in zijn levensonderhoud voorzien. Bovendien had verweerder eiser moeten horen op zijn bezwaren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Arbeid als zelfstandige

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat hij uit zijn werkzaamheden duurzaam en zelfstandig voldoende middelen van bestaan verwerft. Verweerder heeft hierbij terecht betrokken dat eiser bij de aanvraag en in de bezwaarfase geen enkel stuk heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inmiddels daadwerkelijk dienovereenkomstig ondernemingsactiviteiten verricht. Zo ontbreken aangiftes omzetbelasting, facturen of kassabonnen, bewijzen van inkoop van materialen en enig ander bewijs dat inmiddels uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomst van 5 oktober 2024 met [kapsalon] , waar eiser een stoel huurt. Bovendien is het wel ingebrachte ondernemingsplan uiterst summier en kan hieruit niet worden afgeleid dat de onderneming levensvatbaar is. Het financiële gedeelte van het plan, onder meer bestaande uit een summiere exploitatiebegroting en verwachting van bedrijfsresultaten, is niet nader onderbouwd zodat daar niet de waarde aan kan worden toegekend die eiser daaraan toekent. Uit het ondernemingsplan valt derhalve evenmin op te maken dat eiser als zelfstandige duurzaam, voldoende middelen van bestaan zal gaan genereren.

5. Aan een beoordeling van de door eiser bij schrijven van 12 mei 2026 overgelegde documenten komt de rechtbank niet toe, gelet op de ex-tunc toets in beroep. Deze documenten dateren van na het bestreden besluit van 11 april 2025 en vallen daarmee buiten de periode die de rechtbank bij haar beoordeling betrekt.

6. Verweerder is in het bestreden besluit op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser ook in bezwaar niet heeft aangetoond dat hij als zelfstandige duurzaam en voldoende middelen van bestaan zal verwerven en daardoor niet aan de gestelde voorwaarden van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ voldoet. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook mogen afwijzen.

Hoorplicht

7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

9. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

Zie artikel 15, vierde lid, van de Richtlijn langdurig ingezetenen in samenhang met artikel 3.30, eerste lid, onder b, en vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

More Decisions