Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:18491

Court

Amsterdam

Date

3 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.30546 (voorlopige voorziening)

NL25.43387 (beroep)

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedag] 1970, van Marokkaanse nationaliteit, verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Werner),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een mvvom bij haar echtgenoot, de heer [referent] (referent), in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste.

Verzoekster is het niet eens met de afwijzing en stelde daarom beroep in. Daarnaast vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat zij tijdens de beroepsprocedure al tot Nederland wordt toegelaten. Als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat zij tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland wordt toegelaten.

De voorzieningenrechter doet in deze uitspraak ook uitspraak over het beroep. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep gegrond is. Het afwijzen van de aanvraag, alleen omdat verzoekster het inburgeringexamen niet heeft gehaald, is namelijk discriminatoir. Ook heeft de minister de hoorplicht geschonden. Daarom moet de minister een nieuw besluit op bezwaar nemen. Voor de volledigheid gaat de voorzieningenrechter ook in op de beroepsgrond dat verzoekster ontheffing moet krijgen van het inburgeringsvereiste.

Omdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan over het beroep, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin de beroepsprocedure loopt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van het nieuwe besluit op bezwaar, omdat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Procesverloop

1. Met het besluit van 17 januari 2025 wees de minister de aanvraag van verzoekster om een mvv af. Hiertegen maakte verzoekster bezwaar.

1.1.. Met de beslissing op bezwaar van 11 augustus 2025 (het bestreden besluit) verklaarde de minister het bezwaar ongegrond.

1.2.. Verzoekster stelde hiertegen op 8 september 2025 beroep in. Op 1 juni 2026 vroeg zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister haar tijdens de beroepsprocedure moet toelaten tot Nederland. Op zitting vulde verzoekster dit verzoek aan: als de voorzieningenrechter meteen uitspraak zou doen in de beroepszaak, vroeg verzoekster om te bepalen dat de minister haar tijdens de bezwaarprocedure tot Nederland moet toelaten.

1.3.. De voorzieningenrechter behandelde de zaken op 29 juni 2026 op zitting. Referent, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigden van partijen waren aanwezig.

Overwegingen

2. Na afloop van de zitting kwam de voorzieningenrechter tot de conclusie dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awbniet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Inleiding

3. Verzoekster trouwde op [datum] 2023 in Marokko met referent. Referent woont sinds 1992 in Nederland en heeft vanaf 1999 de Nederlandse nationaliteit.

3.1.. Op 13 juni 2024 vroeg verzoekster een mvv aan, omdat zij bij referent in Nederland wil verblijven. De minister wees deze aanvraag af, omdat verzoekster niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. De minister zag geen aanleiding om verzoekster van dat vereiste te ontheffen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag.

Discriminatieverbod

4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen, gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit/ras.

4.1.. Ten aanzien van de afwijzing van een aanvraag voor een mvv, alleen op grond van het inburgeringsvereiste, heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 16 april 2024overwogen dat een dergelijk besluit discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De voorzieningenrechter zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen, namelijk dat het bestreden besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest. De beroepsgrond slaagt.

Hoorplicht

5. Verzoekster stelt zich verder op het standpunt dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord.

5.1.. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.In veel gevallen is horen aangewezen, omdat een hoorzitting nu juist kan dienen om informatie boven tafel te krijgen, te zoeken naar oplossingen en een toelichting op de betrokken belangen te verkrijgen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

5.2.. De voorzieningenrechter overweegt dat er in dit geval geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat de bezwaargronden onder andere zagen op de zaakoverstijgende vraag over het discriminatieverbod, maakt niet dat het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak. Daarbij heeft verzoekster er juist terecht op gewezen dat de conclusie dat een bezwaar kennelijk ongegrond is, zich slecht verhoudt tot het feit dat er zodanige twijfel is over het antwoord op de rechtsvraag dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verzoekster in beroep heeft toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en nog nadere stukken in kon dienen, wat mogelijk is tot tien dagen voor de hoorzitting. Door het onverwacht nemen van een beslissing op bezwaar, is dit niet gebeurd. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit dat er bij de minister nog onduidelijkheden bestonden over bijvoorbeeld hoelang verzoekster lessen heeft gevolgd, wat deze lessen inhielden en wat de achtergrond van de docent is. Een hoorzitting was bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen. De beroepsgrond slaagt.

Ontheffing

6. Verzoekster stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister heeft miskend dat zij zich over een lange periode heeft ingezet om het examen te behalen en gelet daarop voor ontheffing in aanmerking komt.

6.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Een vreemdeling kan ontheffing krijgen van de plicht om te slagen voor het inburgeringsexamen. Of de vreemdeling ontheffing krijgt, hangt volgens de minister onder andere af van de inspanningen om zich voor te bereiden op en te slagen voor het examen. Deze inspanningen om te slagen voor het examen mogen niet zo lang duren dat gezinshereniging onmogelijk of heel erg moeilijk wordt gemaakt.

6.2.. De voorzieningenrechter is met de minister van oordeel dat niet is gebleken dat verzoekster zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en te slagen voor het examen. In bezwaar heeft verzoekster ter onderbouwing van haar inspanningen slechts een verklaring van [persoon] van 30 mei 2024 overgelegd. Daarin staat onder andere dat verzoekster vanaf september 2023 tot heden (30 mei 2024) de inburgeringscursus Nederlandse taal heeft gevolgd en vanaf september 2023 tot begin april 2024 privélessen thuis heeft gekregen, vier uur per week, twee uur per les. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn standpunt dat de verklaring summier is, geen informatie geeft over de inhoud van de gestelde cursus of wat de achtergrond van de lerares is, niet is toegelicht wat verzoekster concreet heeft gedaan tijdens de cursus en op welke manier zij werd begeleid. De door verzoekster in beroep overgelegde uitslagen van drie basisexamen maken het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Hoewel uit de besluitvorming van de minister volgt dat behaalde scores voor afgelegde examens een indicatie geven voor de geleverde inspanningen, volgt hieruit niet dat verzoekster ook daadwerkelijk voldoende inspanningen heeft verricht om zich voor te bereiden op en te slagen voor (alle onderdelen van) het examen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen van het beroep

7. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit discriminatoir is en de minister de hoorplicht heeft geschonden. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van verzoekster, met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.

Voorlopige voorziening

8. Omdat het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding om de primair verzochte voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter ziet verder ook geen aanleiding om de subsidiair verzochte voorzieningtoe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

8.1.. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen en daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat er geen sprake is van een bijzonder zwaarwegend spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt op basis van de verklaring van de huisarts vast dat referent wordt geopereerd aan zijn linkeroor en dat er een trommelvliessluiting zal plaatsvinden. Referent mag nadien niet tillen, bukken of huishoudelijk werk verrichten. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het voor referent wenselijk is dat verzoekster hem (emotioneel en) praktisch kan ondersteunen na de operatie, heeft verzoekster onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist zij de zorg aan referent moet verlenen en zorg door bijvoorbeeld een wijkverpleegkundige dan wel huishoudelijk hulp (via de gemeente) niet voldoende zou zijn. De door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als zodanig bijzondere omstandigheden dat haar de toegang tot Nederland moet worden verschaft nog voordat er opnieuw is besloten op haar bezwaar.

Proceskosten

9. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 11 augustus 2025;

draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

wijst het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening af;

bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;

veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Hoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Machtiging tot voorlopig verblijf.

Algemene wet bestuursrecht.

ECLI:NL:RBDHA:2024:5396.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hof van Justitie van de Europese Unie.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.

Zie in dit verband de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3412, rechtsoverweging 8, waaruit volgt dat aangenomen kan worden dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar.

More Decisions