ECLI:NL:RBDHA:2026:18606
Case Summary
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Uitspraak
Den Haag
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/17090
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn partner. Eiser is het er niet mee eens dat zijn aanvraag niet in behandeling is genomen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoefde te nemen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In het besluit van 30 mei 2024 heeft de minister bepaald dat hij de aanvraag niet in behandeling neemt.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Eiser heeft hangende bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de werking van het besluit van 30 mei 2024 te schorsen (geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/10700).
4. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2024 is de minister bij de niet in behandeling neming van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Gelijktijdig heeft eiser ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de werking van het bestreden besluit te schorsen (geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/17091).
5. De rechtbank heeft het beroep van eiser met de uitspraak van 12 maart 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zijn beroepsgronden niet tijdig heeft ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer AWB 24/17091 met de uitspraak van 12 maart 2025 niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser het griffierecht niet heeft voldaan.
6. Het door eiser ingestelde verzet is met de uitspraak van 31 oktober 2025 gegrond verklaard. De verzetsrechter overweegt dat de rechtbank in haar uitspraak van 12 maart 2025 het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat die uitspraak komt te vervallen. De verzetsrechter bepaalt dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich voor die uitspraak bevond en dat eiser in de gelegenheid gesteld dient te worden om zijn gronden van beroep in te dienen.
7. Eiser heeft beroepsgronden ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
8. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Verdagingsverzoek
9. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank verzocht de zitting te verdagen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Daaraan ligt de volgende motivering ten grondslag. De gemachtigde vraagt op donderdagavond 19 maart 2026 om 23:59 uur, voorafgaande aan de zitting daags erna om 11:40 uur, tot een nader te bepalen datum uitstel van de zitting wegens ziekte. Op grond van artikel 2.13, tweede lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken dient een partij die na de uitnodiging voor de zitting om uitstel van de zitting verzoekt, dit verzoek onder aanvoering van gewichtige redenen schriftelijk, tijdig en zo mogelijk onderbouwd met bewijstukken in. Onder tijdig wordt verstaan: zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging of zo spoedig mogelijk nadat van de tot uitstel vragende omstandigheid is gebleken. De partij moet in het verzoek om uitstel verhinderdata tot drie maanden na de zittingsdatum opnemen.
10. In aanmerking genomen het middernachtelijke tijdstip waarop het verzoek is ingediend, acht de rechtbank het minder voor de hand liggen dat de ziekte kort daarvoor is opgekomen. Het is niet uit te sluiten, maar het verzoek is verder ook niet toegelicht op een manier die een betere beoordeling van de tijdigheid van de indiening mogelijk maakt. Op zijn minst mag worden verwacht dat vermeld wordt wanneer de ziekte is ingetreden. Niet uit te sluiten valt dat de gemachtigde immers al langer ziek was en al eerder zijn verzoek had kunnen indienen en daar te lang mee heeft wacht. Dit mag echter niet tot nadeel van de rechtbank en andere belanghebbenden strekken. Verder is het verzoek ook niet van verhinderdata voorzien. Dit is van belang om een voortgang in de zaak te kunnen behouden en een inschatting te kunnen maken van het belang om de zaak wel of niet door te laten gaan. Het onderliggende geschil is verder eenvoudig zodat ook de waarnemer zonder al te veel inspanningen deze zaak had kunnen overnemen. Naar de gemachtigde stelt is de waarnemer niet beschikbaar. Ook dit is verder niet toegelicht. De rechtbank houdt daarom vast aan de eisen die het procesreglement aan het indienen van een verdaging stelt en heeft verzoek om uitstel afgewezen.
Waar gaat deze zaak over?
11. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij heeft op 1 maart 2024 een aanvraag ingediend – middels een handgeschreven brief - voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij zijn partner. Het gaat in deze zaak dus niet om (een van) de, zoals de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, vijf aanvragen om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER–die in de periode tussen 9 april 2024 en 13 januari 2026 zijn ingediend en waarvan inmiddels ook al twee (digitale) beroepsprocedures met bijbehorende voorzieningenprocedures bij de rechtbank aanhangig zijn.
12. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiser niet heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften voor het in behandeling nemen van zijn aanvraag.Eiser is niet in persoon aan het IND-loket verschenen om de aanvraag compleet te maken en hij heeft geen leges betaald.
13. Eiser vindt dat zijn aanvraag ten onrechte niet in behandeling is genomen. Eiser stelt dat hij geen nota heeft gehad. Tegen eiser is gezegd dat hij naar een IND-loket moest komen en daar de leges af moest rekenen. Eiser was hierdoor in de veronderstelling dat hij pas na ontvangst van de nota deze kon afrekenen bij het loket van de IND. Eiser vindt dat hij niet in verzuim is omdat hij geen termijn heeft ontvangen waarbinnen hij de nota moest betalen. In de bezwaarprocedure heeft eiser evenmin de gelegenheid gekregen de nota te voldoen, terwijl dit de enige mogelijkheid was om een eventueel bestaand verzuim te herstellen. Verder stelt eiser dat de minister stelselmatig de hoorplicht schendt.
Het niet in behandeling nemen van de aanvraag
14. De rechtbank stelt eerst vast dat eiser in zijn beroepschrift zijn bezwaargrond over het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag (grotendeels) letterlijk heeft herhaald. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende is ingegaan op deze bezwaargrond. De enkele herhaling van de bezwaargrond- zonder daarbij aan te geven in welk opzicht de reactie van de minister in het bestreden besluit ontoereikend was – is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in dient te gaan. De rechtbank zal zich dan ook enkel concentreren op de door eiser in beroep gemotiveerde gronden.
15. Een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen als de aanvrager niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Voordat een bestuursorgaan besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen dient de aanvrager eerst in de gelegenheid te worden gesteld om de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen.
16. Voor een aanvraag om en verblijfsvergunning zoals hier aan de orde worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de wijze waarop een aanvraag moet worden ingediend en behandeld. Ook worden regels gesteld over wie de benodigde gegevens moet verstrekken en of dit in persoon moet gebeuren.De vereisten die in dit geval (onder andere) gelden om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen zijn dat eiser in persoon de aanvraag moet doen bij een IND-loket en dat hij de leges ter plekke bij het IND-loket voldoet.
17. De minister heeft eiser bij brief van 4 april 2024 uitgenodigd bij het loket in Zwolle. In die brief staat ook vermeld dat eiser de kosten van de aanvraag (de leges) moet betalen bij het loket. De hoogte van de leges staat ook in de brief vermeld. Omdat eiser niet op de afspraak is verschenen heeft de minister eiser op 2 mei 2024 nogmaals uitgenodigd voor een afspraak. Eiser heeft ook aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven.
18. Omdat eiser niet bij een loket is verschenen en hij zijn leges niet heeft betaald hoefde de minister de aanvraag niet in behandeling te nemen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister hem in de bezwaarprocedure gelegenheid had moeten geven om alsnog de leges te betalen. De minister heeft eiser namelijk twee keer uitgenodigd om bij het loket te verschijnen om zijn leges te voldoen. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en ook geen goede verklaring gegeven waarom hij niet op de afspraken is verschenen. Bij deze stand van zaken hoefde de minister niet op een later moment in de procedure alsnog gelegenheid tot herstel te bieden. Die mogelijkheid heeft eiser immers al gehad.
Hoorplicht
19. Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij het recht heeft om gehoord te worden, ook in aanwezigheid van zijn Nederlandse partner. Het bewijs van het samenwonen en bestendig verblijf mag volgens eiser niet louter worden gebaseerd op schriftelijke bewijsstukken. Gezien de aard van de zaak, te weten het recht op familie- en gezinsleven, is de minister gehouden eiser te horen. Door dit niet te doen is eiser in zijn belangen geschaad. Verder benoemt eiser in het beroepschrift dat hij op de zitting aanwezig zal zijn om zijn relatie nog eens mondeling (nader) toe te lichten.
20. Bij de rechtbank is door deze beroepsgrond de indruk ontstaan dat (de gemachtigde van) eiser dit beroep verwart met (een van) de vijf ingediende aanvragen voor de afgifte van een EU/EER-document. De aanvraag om een verblijfsvergunning regulier waar het in deze zaak om gaat is namelijk al gestrand op het niet betalen van de leges. In deze beroepsprocedure kan enkel ter discussie staan of de minister de aanvraag buiten behandeling mocht laten. Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat hij daarover in bezwaar gehoord had moeten worden, is de rechtbank van oordeel dat de minister in de aangevoerde bezwaargronden daar geen aanleiding voor had hoeven zien. De minister heeft het bezwaar kennelijk ongegrond mogen achten.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag niet in behandeling hoefde te nemen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Langenhoff, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)
NL25.44199 (beroep), NL 25.44201 (voorziening), NL 25.59277 (beroep) en NL 25.59278 (voorziening)
Op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb.
Artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de Vw
Dit volgt uit artikel 24, tweede lid, van de Vw, in samenhang met artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B1/3.4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).