[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18684":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18684":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"791","ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F703521 \u002F KG ZA 26-406\n\nVonnis in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nDELL B.V.te Amsterdam,\n\neiseres,\n\nadvocaten mr. S.P. Beenders en mr. T. Raats te Den Haag,\n\ntegen:\n\nde rechtspersoon met wettelijke taak POLITIEte Den Haag,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten mr. I.J. van den Berge en mr. M.A. Visser te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna ‘Dell’ en ‘de Politie’ genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 april 2026, met producties 1 tot en met 7;\n\n- de akte intrekking en overlegging producties van Dell, waarbij Dell productie 1 heeft ingetrokken en aanvullende productie 8 heeft overgelegd;\n\n- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling vond plaats op 9 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten nader toegelicht, Dell mede aan de hand van een overgelegde pleitnota. Vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nOp grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n2.1.. De Politie heeft een (niet openbare) Europese aanbesteding georganiseerd voor de levering van werkplekapparatuur en gerelateerde diensten. Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet op defensie- en veiligheidsgebied (hierna: ADV) van toepassing.\n\n2.2.. De aanbestedingsprocedure en de eisen van de opdracht zijn omschreven in de selectieleidraad (hierna: de selectieleidraad) met bijbehorende bijlagen, waaronder een voorbeeldprijzenblad. Verder heeft de Politie twee nota’s van inlichtingen (hierna: NvI’s) gepubliceerd.2.3.. De opdracht betreft de levering van standaard IT-hardware, waaronder beeldschermen, laptops, desktopcomputers en randapparatuur. De verwachte omvang van de opdracht ligt tussen de dertig en veertig miljoen euro per jaar (exclusief btw). De gunning van de raamovereenkomst vindt plaats op basis van de laagste inschrijfprijs.\n\n2.4.. De opdracht is nader omschreven in paragraaf 1.2 van de selectieleidraad. Over de scope van de opdracht is daarin het volgende vermeld:\n\n“De Opdracht omvat “Levering werkplekapparatuur en gerelateerde diensten”.\n\nDe volgende Produktgroepen zijn in scope:\n\n Vaste werkstations:\n\no Fatclients;\n\no Thinclients;\n\n Mobiele werkstations;\n\no Laptops;\n\n Beeldschermen;\n\no Monitoren (met dockingfunctionaliteit);\n\n Specials:\n\no Foto- \u002Fvideoapparatur (analoog en digitaal incl. toebehoren) die wel is aangesloten aan een werkplek;\n\no Speciale monitoren;\n\no Pasjesprinter, vingerprintscanner en een documentscanner;\n\no Overige werkplekapparatuur, randapparatuur en Accesoires;\n\no Presenters voor bediening vergaderruimtes;\n\no Vergadermicrofoons;\n\no Dockingstations.\n\n Voor alle productgroepen:\n\no Het fungeren als contactpersoon voor de Politie. De Gegadigde hanteert een Nederlandstalige klantenservice waar de Politie meldingen kan doen over onder andere offertes, bestellingen, leveringen, een gebrek, garantie, klachten en overige aspecten. Waarbij Gegadigde borg staat voor een goede support en service, ook als dit wordt uitgevoerd door de Producent;\n\no Beveiligde opslag (VRKI-risicoklasse 3) in magazijn;\n\no Reinigen printkoppen van pasjesprinters;\n\no Projectmatige ondersteuning op urenbasis;\n\no Vernietiging van datadragers.\n\n (…)”\n\n2.5.. \n\nDe Politie is voornemens de raamovereenkomst te gunnen aan één opdrachtnemer\n\n– ook wel een resellergenoemd - en daarnaast een wachtkamerovereenkomst te sluiten met een andere opdrachtnemer. De te sluiten raamovereenkomst heeft volgens de selectieleidraad een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. Daarnaast verlangt de Politie van de opdrachtnemer dat deze tijdens de looptijd van de overeenkomst nadere uitvragen in concurrentie uitvoert (paragraaf 1.2 selectieleidraad):\n\n“Nadere uitvragen in concurrentie\n\nVoor de productgroep Beeldschermen zal naar verwachting maximaal elke drie (3) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd. Voor de productgroepen werkstations (mobiel en vast) zal naar verwachting maximaal elke twee (2) jaren een uitvraag in concurrentie door de Opdrachtnemer moeten worden uitgevoerd.\n\nVoor de productgroep specials wordt een eenmalig NOK [nadere overeenkomst, vzr.] afgesloten met een looptijd die gelijk is aan de looptijd van de Raamovereenkomst.\n\nVia deze uitvragen in concurrentie krijgen alle door de Politie akkoord bevonden Producenten of distributeurs periodiek de mogelijkheid om in aanmerking te komen voor de leveringen van de betreffende productgroepen. Ten aanzien van de Producent of distributeur met het laagste bid (per productgroep) wordt met de Opdrachtnemer een NOK afgesloten.\n\nOm de transparantie van de uitvragen te waarborgen moet de uitvraag aan de Producent of distributeurs in cc aan de Politie worden verstuurd. De Producent of distributeurs moeten hun bid\u002Fvoorstel aan de Opdrachtnemer eveneens met de Politie in de cc versturen.\n\nDe ARBIT is van toepassing op de Raamovereenkomst. Vragen over de van toepassing zijnde Voorwaarden kunnen pas worden gesteld in de inschrijvingsfase, waarin ook de conceptovereenkomst ter beschikking wordt gesteld.”\n\n2.6.. Paragraaf 1.3 selectieleidraad schrijft voor dat de inschrijvers moeten inschrijven met meerdere IT hardware merken (producenten), die door de Politie als onderaannemers worden beschouwd. Voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Inschrijvers kunnen inschrijven met producenten die door de Politie zijn goedgekeurd op grond van door de Politie geformuleerde (en in de selectieleidraad neergelegde) criteria. Als een inschrijver bij zijn verzoek tot deelname andere dan de reeds door de Politie beoordeelde producenten opgeeft, moet de inschrijver aantonen dat deze aan de door de Politie criteria voldoen. De Politie toetst vervolgens of deze producenten aan de geformuleerde criteria voldoen.\n\n2.7.. Voor de productgroep ‘specials’ geldt een primair offerterecht voor de opdrachtnemer van de raamovereenkomst, dat in paragraaf 1.3 selectieleidraad als volgt is omschreven:\n\n“Voor de Productgroep specials geldt voor de producten een primair offerterecht voor de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. Als de Politie bijzondere hardware en\u002Fof accessoires nodig heeft zal zij hiervoor een inkoop offerte aanvragen bij de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst. De Politie heeft daarentegen bij twijfel over de aangeboden offerte het recht om ook zelf een offerte uit te vragen (secundair offerte recht). Indien de offerte (die door de Politie is uitgevraagd) naar de mening van de Politie beter (bij een vergelijkbare kwaliteit een lagere prijs) is kan de Politie besluiten dat de Opdrachtnemer de door de Politie zelf uitgevraagde offerte moet overnemen. De overeengekomen opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de Opdrachtnemer) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie.”\n\n2.8.. Paragraaf 1.4 selectieleidraad bevat verder de volgende toelichting over de te sluiten raamovereenkomst:\n\n“Op basis van deze aanbesteding wil de Politie met één (1) Inschrijver een Raamovereenkomst afsluiten. Met de Inschrijver die op de 2e plaats is geëindigd zal een wachtkamerovereenkomst worden afgesloten. De Politie werkt in deze aanbesteding dus niet met meerdere percelen. Dit vanwege het feit dat deze aanbesteding onder de ADV valt, maar ook omdat de Politie met één samenhangend hardware beleid wenst te werken.\n\nDe Politie ziet op dit moment het voorbeeld prijzenblad en de werking van de Raamovereenkomst als volgt voor zich, maar behoudt zich het recht voor om hier in de inschrijvingsfase nog wijzigingen aan te brengen. Vandaar ook dat het prijzenblad de status\n\nheeft van voorbeeld.\n\nIn de inschrijvingsfase dienen Inschrijvers in het prijzenblad de inkoopprijzen per Producent te vermelden. Deze inkoopprijzen dienen te corresponderen met het bij te voegen bid van de betreffende Producent. Op deze wijze bieden we transparantie en zekerheid aan de betreffende Producenten: Producent met het scherpste bid komt in aanmerking voor levering.\n\nDeze verplichting (bijvoegen bids Producenten) geldt ook voor de latere door de Opdrachtnemer van de Raamovereenkomst uit te voeren Nadere uitvragen.\n\nNaar het zich nu laat aanzien zal in het prijzenblad in ieder geval de restwaarde van de inkoopprijs (dat wil zeggen: dat de Inschrijver een restwaarde kan opgeven voor de hardware welke na afloop van het gebruik door Politie door de Politie aan de Opdrachtnemer wordt teruggegeven. Deze restwaarde wordt verrekend met de door Inschrijver op te geven kosten.) moeten worden vermeld, evenals de kosten van de dienstverlening per product (dat wil zeggen: de kosten voor de door de Opdrachtnemer uit te voeren werkzaamheden per product, zoals nader wordt gespecificeerd in het PvE) en de prijsdevaluatie (dat wil zeggen: de mogelijkheid voor Opdrachtnemers om de inkoopprijs voor relatief nieuw geïntroduceerde hardware na een bepaalde periode te verlagen).\n\nDe Gunning vindt plaats op laagste prijs. Dat wil zeggen aan de Inschrijver met de laagste totale inschrijfprijs. Vervolgens wordt per Productgroep (uitgezonderd PG specials) bepaald welke Producent de laagste prijs heeft. Voor deze Producent met de laagste prijs wordt de eerste, NOK afgesloten met de Opdrachtnemer.\n\nVoor afloop van deze NOK dient de Opdrachtnemer een nadere uitvraag uit te voeren. De Politie bepaalt wanneer deze nadere uitvraag moet worden uitgevoerd. Dit betekent dat de Opdrachtnemer bij alle betreffende Producenten een nieuwe prijsuitvraag uitzet, waarbij de Politie in de cc wordt meegenomen (zowel voor de prijsuitvraag alsook de bids van de Producenten). Op basis van de bids van de Producenten wordt op basis van laagste prijs per productgroep bepaald voor welke Producent een nieuwe NOK per Produktgroep wordt afgesloten.\n\nVoor de productgroep Specials wordt een NOK afgesloten, zonder dat hierbij nadere afspraken over bijvoorbeeld Producenten worden vastgelegd.”\n\n2.9.. De aanbestedingsprocedure is verdeeld in de selectiefase en de inschrijvingsfase. Op dit moment bevindt de aanbesteding zich in de selectiefase. In paragraaf 5.5 van de selectieleidraad is vermeld dat bij de inschrijvingsfase onder andere de volgende aanbestedingsstukken beschikbaar worden gesteld:\n\n Inschrijvingsleidraad;\n\n Definitief prijzenblad;\n\n Overeenkomst;\n\n Verwerkersovereenkomst;\n\n Toepasselijke Rijksvoorwaarden, te weten de Arbit; en\n\n Programma van eisen.\n\n2.10.. Op 26 maart 2026 heeft Dell een klacht ingediend bij het Klachtenmeldpunt Inkoop van de Politie (hierna: het klachtenmeldpunt). Deze klacht komt er – samengevat – op neer dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Daarnaast heeft Dell verzocht om de uiterste termijn voor het aanhangig maken van een kort geding en de uiterste termijn voor het indienen van een verzoek tot deelname te verlengen.\n\n2.11.. Op 2 april 2026 heeft de Politie de uiterste inschrijftermijn voor de aanbesteding verplaatst naar 22 april 2026.\n\n2.12.. Bij brief van 14 april 2026 heeft het klachtenmeldpunt aan Dell bericht dat het klachtenbehandelteam de klacht ontvankelijk heeft verklaard en tot het oordeel is gekomen dat de klachten van Dell ongegrond zijn, waarbij het klachtbehandelteam wel enkele adviezen en aanbevelingen aan het inkoopteam meegeeft ten behoeve van de inschrijvingsfase. Verder bericht het klachtenmeldpunt dat zij zich aansluit bij de bevindingen van het klachtenbehandelteam en dat zij de klacht van Dell daarom ongegrond verklaart.\n\n2.13.. Op 21 april 2026 heeft Dell de Politie in kort geding gedagvaard.\n\n2.14.. Op 22 april 2026 zijn de verzoeken tot deelname ingediend. De Politie beoogt om na het vonnis in kort geding de gegadigden te berichten of zij al dan niet zijn geselecteerd en de inschrijvingsleidraad aan de geselecteerde gegadigden te verzenden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Dell vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de Politie gebiedt uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\nII. de Politie gebiedt dat, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\nsubsidiair\n\nIII. een zodanige andere voorziening treft als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Dell;\n\nmet veroordeling van Dell in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Dell stelt dat verschillende elementen van de aanbesteding in strijd zijn met de ADV en de aanbestedingsrechtelijke beginselen. Het standpunt van Dell komt er in de kern op neer dat:\n\ni) niet alle voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten zullen zijn bepaald in de raamovereenkomst;\n\nii) de inrichting van de aanbesteding de mededinging beperkt;\n\niii) de looptijd van de aanbesteding disproportioneel lang is en de mededinging verder beperkt;\n\niv) de Politie ten onrechte op laagste prijs gunt, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn; en\n\nv) de restwaarde voor de hardware niet op voorhand is in te vullen.\n\n3.3.. De Politie voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4. De beoordeling van het geschil\n\nBelang van Dell als onderaannemer\n\n4.1.. De Politie voert als meest verstrekkende verweer aan dat Dell als potentiële onderaannemer\u002FProducent geen belang heeft om de opzet en de modaliteiten van de aanbesteding ter discussie te stellen. Dat verweer slaagt niet. Dell stelt zich – onder meer – op het standpunt dat de opzet van de aanbesteding in strijd is met de wet en dat zij daardoor in haar positie wordt geschaad. Volgens Dell is het gevolg van die buitenwettelijke opzet dat nadere opdrachten feitelijk aan de mededinging worden onttrokken, dat Dell niet vrij en open kan concurreren om de nadere opdrachten en dat zij de aanbestedingsrechtelijke waarborgen en bijbehorende rechtsbescherming mist. Daarmee heeft Dell als potentiële onderaannemer voldoende belang om bezwaar te maken tegen de opzet van de aanbesteding. Dat Dell door de Politie is goedgekeurd als potentiële onderaannemer en door alle inschrijvers is genoemd als één van de in te schakelen onderaannemers, doet aan dat belang niet voldoende af.\n\nBelang van Dell bij specifieke bezwaren\n\n4.2.. De Politie stelt verder dat Dell geen belang heeft bij de behandeling van de bezwaren (ii) tot en met (v) en dat bezwaar (v) bovendien prematuur is. De voorzieningenrechter zal dit verweer van de Politie, voor zover nodig, bij de afzonderlijke bezwaren bespreken.\n\nBezwaar (i) – niet alle voorwaarden zullen bepaald zijn in de raamovereenkomst\n\n4.3.. Het eerste bezwaar van Dell komt erop neer dat de aanbesteding niet aan de eisen van artikel 2.131 ADV (en het daaraan ten grondslag liggende transparantiebeginsel) voldoet, omdat niet alle (essentiële) voorwaarden voor de gunning van nadere overeenkomsten in de raamovereenkomst zullen zijn bepaald. Volgens Dell staan zowel de prijzen als de producteisen en technische specificaties niet vast bij aanvang van de raamovereenkomst. De Politie is het daar niet mee eens. Volgens de Politie legt Dell artikel 2.131 ADV te beperkt uit en zijn de voorwaarden die in de raamovereenkomst worden opgenomen wel degelijk in lijn met de eisen die dit artikel stelt.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of de beoogde raamovereenkomst voldoet aan de eisen van artikel 2.131 ADV. Om die vraag te kunnen beantwoorden, is van belang hoe de raamovereenkomst eruit zal komen te zien. In deze fase van de aanbesteding is echter nog geen raamovereenkomst voorhanden. De voorzieningenrechter zal daarom uitgaan van de informatie over de (nog op te stellen) raamovereenkomst zoals volgt uit de selectieleidraad, de door partijen aangehaalde vragen en antwoorden in de NvI’s en de stellingen die de Politie daarover in haar conclusie van antwoord en op de zitting heeft ingenomen. Op basis van die informatie, rijst het volgende beeld.\n\nDe Politie wenst een raamovereenkomst te sluiten met één opdrachtnemer (de reseller) voor een periode van vier jaar, die in totaal drie keer met één jaar kan worden verlengd. In de raamovereenkomst worden verschillende voorwaarden vastgelegd, waaronder de prijs voor dienstverlening van de reseller, de restwaarde van de producten en de devaluatiepercentages. Ook zullen daarin technische specificaties voor de hardware worden vastgelegd. Deze technische specificaties kunnen tijdens de looptijd van de raamovereenkomst door de Politie worden gewijzigd op grond van een (transparant aangekondigde) wijzigingsclausule.\n\nDe raamovereenkomst wordt gegund aan de reseller met de laagste totale inschrijfprijs.\n\nVoor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ moet de inschrijver met minimaal drie producenten inschrijven. Dat geldt niet voor de productgroep ‘specials’.\n\nZodra de winnende reseller is geselecteerd, wordt voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ afzonderlijk bepaald welke van de drie producenten de laagste inkoopprijs heeft geboden. De Politie sluit voor ieder van deze productgroepen een eerstenadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inschrijfprijs. Naar verwachting gelden dezeeerstenadere overeenkomsten voor een periode van twee á drie jaar. Voordat deze nadere overeenkomsten aflopen, moet de reseller per productgroep een nadere uitvraag uitvoeren. De Politie bepaalt wanneer deze uitvraag moet plaatsvinden. De reseller zet vervolgens bij alle – door hem als onderaannemer betrokken – producenten een nieuwe prijsuitvraag uit. Daarbij zet de reseller de Politie in de CC. Bij het uitbrengen van het bod aan de reseller zetten de producenten de Politie in de CC. Vervolgens sluit de Politie per productgroep een nieuwe nadere overeenkomst met de reseller voor de producten van de producent met de laagste inkoopprijs. Daarbij blijven de oorspronkelijke door de reseller aangeboden prijs voor dienstverlening, de restwaarde en de devaluatiepercentages gelden.\n\nVoor de productgroep ‘specials’ wordt slechts één nadere overeenkomst gesloten met de reseller, zonder dat daarbij nadere afspraken over bijvoorbeeld producenten worden vastgelegd. De reseller heeft voor de producten in deze productgroep een primair offerterecht. Per nadere uitvraag wordt gekeken wat de Politie op dat moment aan specials nodig heeft. De reseller kijkt op dat moment welke producent het – in zijn optiek – best passende product kan leveren. Voor de producten in deze productgroep zal de Politie een inkoopofferte aanvragen bij de reseller. Als de Politie twijfel heeft over de aangeboden offerte van de reseller, heeft de Politie het recht om ook zelf een offerte uit te vragen bij dezelfde producent (een secundair offerterecht). Als de Politie vindt dat de door haar uitgevraagde offerte beter is (een lagere prijs bij een vergelijkbare kwaliteit), kan de Politie besluiten dat de reseller de door de Politie uitgevraagde offerte moet overnemen. De afgesproken opslagen (de vergoeding voor de geleverde diensten van de reseller) blijven van kracht en kunnen (naast de offerte met de inkoopprijzen) worden doorbelast aan de Politie. Verder wordt in de raamovereenkomst opgenomen dat de reseller de specials tegen de laagst beschikbare prijs zal aanbieden.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de inkoopprijzen voor de productgroepen ‘vaste werkstations’, ‘mobiele werkstations’ en ‘beeldschermen’ niet vastliggen bij aanvang van de looptijd van de raamovereenkomst. De inkoopprijzen die de winnende reseller voor deze productgroepen in het prijzenblad heeft ingevuld, gelden slechts voor de eerstenadere overeenkomsten. Voor de daaropvolgende nadere overeenkomsten zal de winnende reseller immers een nieuwe uitvraag uitzetten. Daarnaast heeft de Politie de bevoegdheid om de technische specificaties van de hardware tijdens de looptijd van de raamovereenkomst te wijzigen met een beroep op een (nog vorm te geven) wijzigingsclausule. Hoewel de Politie stelt dat die bevoegdheid zal worden ingekaderd, heeft zij tegelijkertijd verklaard dat zij er niet aan zal ontkomen om de technische specificaties te wijzigen. De ervaring van de Politie leert namelijk dat producenten om de één tot twee jaar modellen vervangen en\u002Fof updaten, waardoor oude modellen (met bijbehorende specificaties) niet langer te bestellen zijn. De voorzieningenrechter acht het op basis van die verklaring zeer waarschijnlijk dat de Politie – op zich begrijpelijk - tijdens de looptijd van de raamovereenkomst gebruik zal maken van de wijzigingsbevoegdheid – en dus dat de technische specificaties – niet vastliggen – ook niet globaal - gedurende de looptijd van de raamovereenkomst.\n\n4.6.. De vervolgvraag is of de raamovereenkomst voldoet aan de voorwaarden die artikel 2.131 ADV daaraan stelt. Dit artikel geeft voorschriften voor de plaatsing van opdrachten bij een raamovereenkomst met één ondernemer, en luidt als volgt:\n\n1. Indien een raamovereenkomst is gesloten met een enkele ondernemer worden de op die raamovereenkomst gebaseerde opdrachten gegund volgens de in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden.\n\n2. Opdrachten op basis van raamovereenkomsten met een enkele ondernemer kunnen worden gegund door die ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen.\n\n4.7.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, anders dan de Politie betoogt, artikel 2.131 ADV de Politie niet de ruimte geeft om de inkoopprijzen en de technische specificaties na het aangaan van de raamovereenkomst nader in te vullen c.q. te wijzigen.\n\n4.8.. Een belangrijk aanknopingspunt voor dat oordeel vormt artikel 2.129 ADV, waarin staat dat partijen bij de plaatsingen van opdrachten die op een raamovereenkomst zijn gebaseerd, geen substantiële wijzigingen mogen aanbrengen in de raamovereenkomst gestelde voorwaarden. Verder is de uitleg van de voorzieningenrechter van artikel 2.131 ADV in lijn met de uitleg die de Commissie van Aanbestedingsexperts (hierna: de CvAE) geeft aan het – vrijwel gelijkluidende – artikel 2.142 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw). De CvAE heeft meerdere adviezen uitgebracht waarin zij overweegt dat een aanbesteder in strijd handelt met artikel 2.142 Aw als de voorwaarden waaronder de nadere opdrachten onder de raamovereenkomst zullen worden gegund onvoldoende in de raamovereenkomst zijn bepaald. Daarvan is volgens de CvAE sprake als een raamovereenkomst te ruim is geformuleerd en te veel ruimte laat voor nadere invulling bij het gunnen van de nadere opdrachten.Volgens de CvAE biedt artikel 2.142 lid 2 Aw de aanbesteder weliswaar ruimte om de ondernemer schriftelijk te raadplegen en hem indien nodig te verzoeken zijn inschrijvingen aan te vullen, maar een dergelijk verzoek mag er niet toe leiden dat de essentiële elementen voor de te plaatsen overheidsopdrachten, zoals producteisen en prijzen, pas na het aangaan van de raamovereenkomst worden ingevuld.Bij deze uitleg betrekt de CvAE ook de omstandigheid dat bij raamovereenkomsten met één ondernemer alleen bij de aanbesteding van de raamovereenkomst mededinging plaatsvindt, en niet bij het gunnen van nadere opdrachten.\n\n4.9.. De Politie heeft nog gewezen op paragraaf 2.2 van de Explanatory Notevan de Europese Commissie (hierna: de Commissie) over raamovereenkomsten, waaruit volgens haar blijkt dat het mogelijk is om een raamovereenkomst te sluiten met één ondernemer zonder dat die overeenkomst alle voorwaarden – waaronder prijzen – bevat en waarin minimale technische specificaties (voor computers) kunnen worden gegeven, zodat bij elke nadere overeenkomst de laatste modellen kunnen worden aangeboden. Dell heeft er echter op gewezen dat paragraaf 2.2 van dezeExplanatory Notezowel betrekking heeft op raamovereenkomsten met één ondernemer als op raamovereenkomsten met meerdere ondernemers. Daarmee is dus niet zonder meer gezegd dat de betreffende opmerkingen van de Commissie over prijzen en technische specificaties (ook) betrekking hebben op raamovereenkomsten met één ondernemer. De tekst van voetnoten 18 en 19 bij die paragraaf biedt juist een aanwijzing voor het tegendeel. In die voetnoten legt de Commissie een verband tussen het op een later moment bepalen van de prijs en de productspecificaties en het heropenen van de concurrentie (‘reopening competition’) en dat lijkt eerder te duiden op een raamovereenkomst met meerdere ondernemers. De tekst van deExplanatory Notebiedt dus onvoldoende houvast voor het standpunt van de Politie.\n\n4.10.. Het is de Politie dus niet toegestaan om inkoopprijzen en de technische specificaties pas op een later moment in te vullen c.q. te wijzigen in de nadere overeenkomsten. Door dat wel te doen, handelt de Politie in strijd met artikel 2.131 ADV, nu de voorwaarden waaronder de nadere overeenkomsten zullen worden gesloten, onvoldoende zijn gespecificeerd. Hoewel de voorzieningenrechter zich goed kan voorstellen dat de Politie vanwege de marktkenmerken is gebaat bij flexibiliteit, neemt dat niet weg dat zij zich moet houden aan de voorschriften die de ADV stelt. Bovendien heeft de door de Politie gekozen opzet, waarbij niet de Politie, maar de reseller zelf (die anders dan de Politie niet aan de aanbestedingsrechtelijke beginselen gehouden is) na het einde van de eerstenadere overeenkomsten een nieuwe uitvraag doet bij de door haar betrokken onderaannemers, bovendien tot gevolg dat een deel van de markt bij voorbaat wordt uitgesloten om mee te dingen onder de nieuwe voorwaarden.\n\n4.11.. \n\nDat betekent dat de aanbesteding in de huidige vorm niet kan worden voortgezet en er een heraanbesteding moet plaatsvinden als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen.\n\nDe vorderingen van Dell tot staking van de aanbesteding en tot heraanbesteding van de opdracht (als de Politie de opdracht nog wenst te gunnen) zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.12.. Nu de vorderingen van Dell reeds om deze reden toewijsbaar zijn, behoeven de overige bezwaren van Dell geen bespreking meer. De Politie heeft de voorzieningenrechter echter verzocht om toch een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell, zodat wordt voorkomen dat deze bezwaren in de inschrijvingsfase opnieuw naar voren worden gebracht. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om, kort en voor zover dat op dit moment opportuun is, een inhoudelijk oordeel te geven over de overige bezwaren van Dell.\n\nBezwaar (ii) – de inrichting van de aanbesteding beperkt de mededinging\n\n4.13.. Het tweede bezwaar van Dell komt erop neer dat de inrichting van de aanbesteding door de Politie de mededinging beperkt. Zoals bij de bespreking van bezwaar (i) is vermeld, voldoet de aanbesteding niet aan de eisen van de ADV en kan de aanbesteding in deze vorm reeds daarom niet in stand blijven. Het tweede bezwaar, dat ook betrekking heeft op de opzet van de aanbesteding en hiervoor al kort is beoordeeld, behoeft geen nadere beoordeling meer.\n\nBezwaar (iii) – de looptijd van de aanbesteding is disproportioneel lang en beperkt de mededinging verder\n\n4.14.. De selectieleidraad vermeldt dat de Politie een raamovereenkomst wenst te sluiten met een looptijd van initieel vier jaar en vier aanvullende opties tot verlenging van één jaar. In haar dagvaarding heeft Dell zich op het standpunt gesteld dat dit strijd oplevert met artikel 2.129 lid 3 ADV, dat bepaalt dat de looptijd van een raamovereenkomst niet langer is dan zeven jaar, uitzonderingen daargelaten. Naar aanleiding van dat bezwaar heeft de Politie toegezegd dat de raamovereenkomst een looptijd van initieel vier jaar en drie aanvullende verlengingsopties van één jaar zal hebben, zodat sprake is van een maximale duur van zeven jaar. Naar aanleiding van die toezegging heeft Dell tijdens de zitting verklaard dat zij dit bezwaar niet langer handhaaft. Dat betekent dat dit bezwaar geen bespreking meer behoeft.\n\nBezwaar (iv) – de Politie gunt onterecht op laagste prijs, zonder gedegen te motiveren waarom kwaliteit niet van belang zou zijn\n\n4.15.. Verder maakt Dell bezwaar tegen het door de Politie gehanteerde gunningscriterium ‘laagste prijs’. Hoewel zij onderkent dat de Politie dit gunningscriterium op grond van artikel 2.105 onder b ADV mag hanteren, is zij van mening dat de Politie die keuze moet motiveren en dat de Politie dat heeft nagelaten. De Politie heeft er terecht op gewezen dat de ADV – anders dan de Aw – geen verplichting voor de aanbestedende dienst bevat om de keuze voor het gunningscriterium laagste prijs te motiveren. Zelfs als dit anders zou zijn, heeft de Politie die keuze naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd. In haar conclusie van antwoord heeft de Politie de bezwaren van Dell op dit punt geadresseerd en toegelicht waarom zij meent dat deze bezwaren moeten worden verworpen. Dell heeft vervolgens niet nader onderbouwd waarom de Politie haar keuze desondanks onvoldoende heeft gemotiveerd. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit bezwaar van Dell.\n\nBezwaar (v)–De restwaarde is op voorhand niet in te vullen\n\n4.16.. Tot slot stelt Dell dat het niet mogelijk is om per producttype één restwaarde in te vullen, omdat de restwaarde per merk en per concreet product verschilt en afhangt van de staat van het product bij inname. De voorzieningenrechter is van oordeel dat Dell onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt welk belang zij als potentiële onderaannemer heeft bij het adresseren van dit bezwaar. Zoals de Politie terecht heeft opgemerkt, is de reseller die een prijs voor dit onderdeel zal moeten invullen, en niet Dell als potentiële onderaannemer. Hoe Dell als gevolg van deze eis in haar positie wordt geraakt valt zonder nadere onderbouwing, die zij niet heeft gegeven, niet in te zien. Dell kan daarom niet worden ontvangen in dat bezwaar. Op voorhand acht de voorzieningenrechter het niet onmogelijk dat een reseller tot een gemiddelde restwaarde zou kunnen komen.\n\nSlotsom en proceskosten\n\n4.17.. Slotsom is dat de aanbesteding niet kan worden voortgezet en dat de Politie, als zij de opdracht alsnog wenst te gunnen, deze opnieuw zal moeten aanbesteden. De vorderingen van Dell zullen daarom worden toegewezen.\n\n4.18.. De Politie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dell worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 128,65\n\n- griffierecht € 735\n\n- salaris advocaat € 1.177\n\n- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\nTotaal € 2.229,65\n\n4.19.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. gebiedt de Politie uiterlijk 48 uur na dagtekening van het vonnis de aanbesteding te staken en gestaakt te houden en dit aan geïnteresseerde partijen te communiceren;\n\n5.2.. gebiedt de Politie om, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dit uitsluitend te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure en met inachtneming van het vonnis;\n\n5.3.. veroordeelt de Politie in de proceskosten van € 2.229,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Politie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Politie € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\nfjs\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.1, waarin zij verwijst naar: CvAE 17 februari 2022, advies 659, rn. 4.8.6; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15 en CvAE 29 september 2019, advies 545, rn. 5.10.\n\n CvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5; CvAE 20 november 2023, advies 699, rn. 5.15.\n\nCvAE 20 april 2026, advies 790, rn. 5.6.5.\n\n Explanatory Note – Framework Agreements – Classic Directive, Ref. Ares(2016)810203 – 16\u002F02\u002F2016.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18684","ecli-nl-rbdha-2026-18684",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Aanbestedingsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]