[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-7284":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-7284":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1929","ECLI:NL:RBDHA:2026:7284","",60,"Arnhem","arnhem","2026-03-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: NL25.47709 en NL25.47710\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaken tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser\n\n [eiseres],v-nummer: [nummer 2], eiseres\n\nmede namens hun minderjarige dochter,\n\n [minderjarige dochter],v-nummer: [nummer 3],\n\n(gemachtigde: mr. I. Petkovski),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eiser als ongegronden de die van eiseres als kennelijk ongegrond.Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft de asielaanvragen van eisers niet ten onrechte afgewezen, omdat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ze bij terugkeer naar Colombia gevaar lopen. Ook heeft de minister eiseres niet ten onrechte tegengeworpen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas van eisers. Onder 4 zet de rechtbank de totstandkoming van het bestreden besluit uiteen. Vanaf 5 gaat de rechtbank in op de bestreden besluiten. De rechtbank behandelt eerst de gezamenlijke beroepsgronden van eisers samen onder 7. Daarna behandelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser onder 8 en tenslotte de beroepsgrond van eiseres onder 9.\n\nProcesverloop\n\n2. Eisers hebben allebei aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiser met het bestreden besluit van 3 september 2025 afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres is met het bestreden besluit van 26 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.\n\n2.2.. De rechtbank heeft de beroepen op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De vader van eiser is telefonisch bedreigd vanuit de gevangenis. Eiser is zelf ook bedreigd door middel van een pamflet dat hij kreeg van een voorbijganger op straat. Hierop stonden bedreigingen die waren gericht aan eiser. Enige tijd later is eiser opnieuw in persoon bedreigd toen hij op weg was naar zijn werk. Eiser voelde zich toen niet langer veilig en besloot om het land te ontvluchten. Toen eiser is gevlucht werd eiseres geobserveerd, geïntimideerd en achtervolgd door dezelfde groepering. Eiseres is toen ondergedoken bij haar moeder en heeft vervolgens het land verlaten.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n4. Eisers hebben hun asielvragen los van elkaar, op verschillende momenten, ingediend. De eerste asielaanvraag van eiser is afgewezen met het besluit van 15 augustus 2023. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank Haarlem gegrond verklaard op 4 maart 2025, omdat de minister de door eiser aangeleverde documenten niet kenbaar in het besluit had betrokken.De rechtbank heeft de minister de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen en dit alsnog te doen. De rechtbank heeft daarom de overige beroepsgronden van eiser niet beoordeeld. Dit nieuwe besluit is genomen op 3 september 2025 (het bestreden besluit). Eiseres heeft geen eerdere procedure gehad en het bestreden besluit dat in deze procedure voorligt is het eerste besluit.\n\nDe bestreden besluiten\n\n5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister twee asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. bedreigingen naar eiser en zijn vader vanwege de werkzaamheden van de vader van eiser.\n\n5.1.. Het eerste asielmotief is in het voornemen niet geloofwaardig geacht. Dit herstelt de minister in het bestreden besluit. Dit is per abuis opgenomen. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn wel geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.De inhoud van de overgelegde documenten komen namelijk niet overeen met de verklaringen die eiser heeft afgelegd. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn vader werd bedreigd omdat hij medicijnaanvragen deed voor anderen. In de door eiser overgelegde documenten blijkt dat hij werd afgeperst door zijn journalistieke werkzaamheden. Bovendien verklaart eiser vaag en summier over de bedreigingen. Zo weet eiser niet of zijn vader op dit moment nog bedreigd wordt, weet hij niet wie hem bedreigde en hoeveel er betaald moest worden. Bovendien is het onduidelijk of de verbale dreiging tegen hem gericht was, kan eiser niet verklaren hoe de daders weten dat hij de zoon van zijn vader is, wanneer de bedreigingen zijn gestart en wat de datum van de aangifte is. Ook over de daders van de bedreigingen verklaart eiser summier. Zo kan hij de persoon die hem het pamflet overhandigde niet omschrijven en weet hij ten aanzien van de verbale bedreiging niet door hoeveel personen hij is bedreigd. Ook weet eiser niet op welke dag de verbale dreiging plaatsvond en waar hij die dag vandaan kwam.\n\n6. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister twee asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. de problemen van eiseres door het vertrek van haar man.\n\n6.1.. Het eerste asielmotief is door de minister geloofwaardig geacht, omdat eiseres haar identiteit, nationaliteit en herkomst heeft onderbouwd met een origineel bevonden paspoort. Het tweede asielmotief wordt niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.Het asielrelaas van eiseres is gebaseerd op het asielrelaas van eiser. De minister heeft de problemen van eiser ongeloofwaardig geacht en verwijst dan ook voor deze beoordeling naar het voornemen in de procedure van eiser. Eiseres heeft het verband tussen de gestelde bedreiging van eiser en haar eigen problemen niet inzichtelijk gemaakt. Ook zijn de verklaringen van eiseres dat de gewapende groepering naar haar op zoek is gebaseerd op vermoedens. Verder werpt de minister eiseres tegen dat zij niet zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland haar asielaanvraag heeft ingediend en dat zij daarvoor geen goede verklaring heeft.Dit is voor de minister ook reden om de aanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond.\n\nHeeft de minister de bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?\n\nHad de minister de asielaanvragen gezamenlijk moeten behandelen?\n\n7. Eisers betogen dat de minister hun asielaanvragen ten onrechte apart heeft behandeld. Dit is in strijd met de eenheid van het gezin. Ook is het van belang dat de argumenten van eiseres niet zijn betrokken in de procedure van eiser. Het geloofwaardigheidsoordeel is een volledige afweging van alle feiten en omstandigheden in een zaak. Als twee personen asiel aanvragen en hun asielrelaas met elkaar verweven is, moet dit worden betrokken in het geloofwaardigheidsoordeel in allebei de zaken. Dat is in deze zaak niet gebeurd en daarom heeft er geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden. Dit kan niet worden gerepareerd in beroep. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat dit vooral van belang is met betrekking tot medische verklaring van 10 mei 2023 die ziet psychische gesteldheid van eiseres. Dit is namelijk een direct gevolg van de problemen die eiseres heeft ervaren in Colombia. Om die reden hangt dit direct samen met het asielrelaas van eiser en vormt dit een onderbouwing van zowel het asielrelaas van eiser als van eiseres.\n\n7.1.. De rechtbank is het met eisers eens dat het wenselijk was geweest om de asielaanvragen gezamenlijk te behandelen. Dit heeft de minister op zitting ook erkend. De rechtbank volgt eisers echter niet in hun betoog dat de besluitvorming om deze reden onzorgvuldig is geweest. De minister merkt in beroep terecht op dat de kern van de asielrelazen van eisers, de problemen zijn die eiser stelt te hebben gehad naar aanleiding van de activiteiten van zijn vader. De problemen die eiseres stelt te hebben ondervonden vloeien hieruit voort. De minister heeft in de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres betrokken dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is geacht. In die geloofwaardigheidsbeoordeling zijn de door eiser overgelegde documenten meegenomen. Verder is het asielrelaas van eiseres op zijn eigen merites beoordeeld en ook ongeloofwaardig geacht. Dat de medische verklaring van 10 mei 2023 niet is meegenomen bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser, maakt de geloofwaardigheidsbeoordeling in de zaak van eiser niet onzorgvuldig of onjuist. De minister heeft hierover op zitting terecht opgemerkt dat uit deze verklaring weliswaar blijkt dat bij eiseres sprake is van psychische problemen (depressie en een angststoornis), maar niet wat hier de oorzaak van is. In zoverre vormt deze verklaring dan ook geen onderbouwing van het asielrelaas van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiseres de mogelijkheid gehad tot het indienen van correcties en aanvullingen?7.2.. Eiseres voert aan dat de minister het bestreden besluit overhaast heeft genomen. Het voornemen om de asielaanvraag van eiseres af te wijzen werd één dag na haar gehoor uitgebracht, zonder de mogelijkheid om via de gemachtigde van eisers correcties of aanvullingen in te dienen. Dit duidt op een procedurele onrechtmatigheid.\n\n7.3.. Uit artikel 3.113, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) blijkt dat eiseres uiterlijk op de tweede dag in de gelegenheid dient te worden gesteld om opmerkingen te maken over het nader gehoor. Als de minister voornemens is de aanvraag af te wijzen brengt hij op de derde dag een voornemen uit.Tussen partijen is niet in geschil dat het voornemen een dag te vroeg is uitgebracht, namelijk op dag 2. Dit betekent echter niet dat eiseres hierdoor geen correcties en aanvullingen had kunnen indienen. Dit had zij immers ook op dezelfde dag kunnen doen dan wel gelijktijdig met de zienswijze. Dit is door eiseres op zitting ook erkend. Van deze mogelijkheid heeft zij echter geen gebruik gemaakt. Eiseres heeft verder niet onderbouwd hoe zij door deze gang van zaken in haar belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie7.4.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de bestreden besluit zorgvuldig tot stand zijn gekomen.\n\nHeeft de minister de bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van de vader van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht?\n\nHeeft de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar in de besluitvorming betrokken?\n\n8. Eiser betoogt allereerst dat de minister nog steeds niet heeft voldaan aan de eerdere uitspraak van de rechtbank van 3 maart 2025. Hierin heeft de rechtbank de minister opgedragen om alle door eiser overgelegde documenten kenbaar te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en eveneens kenbaar te maken welke waarde aan deze documenten toekomt. Uit het voornemen blijkt dat de minister enkel drie brieven heeft betrokken bij de besluitvorming. Dit is onvoldoende, aangezien er veel meer documenten zijn overgelegd. Ook heeft de minister alle door eiser ingediende links naar nieuwsartikelen niet betrokken bij de besluitvorming. Daarnaast blijkt uit de besluitvorming niet duidelijk welke waarde de minister aan de documenten hecht.\n\n8.1.. In haar uitspraak van 3 maart 2025 heeft deze rechtbank met zittingsplaats Haarlem het volgende overwogen:\n\n6.1. “. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiser een groot aantal documenten heeft aangeleverd ter staving van zijn asielrelaas. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder deze documenten in het voornemen niet kenbaar heeft betrokken. Nadat eiser in de zienswijze hierop heeft gewezen, heeft verweerder in het bestreden besluit het volgende overwogen:\n\n“In reactie hierop wordt overwogen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen\n\nbij de beoordeling van uw asielaanvraag, hoewel ze niet altijd expliciet in het voornemen\n\nzijn vermeld. Voor de duidelijkheid wordt overwogen dat meerdere documenten enkel gaan\n\nover het werk dat uw vader heeft verricht, en dus niet over de gestelde problemen. Van de\n\ndocumenten die wel spreken over de problemen wordt geoordeeld dat dit kopieën zijn\n\nwaarvan niet geverifieerd kan worden wie de afzender is. De overgelegde documenten\n\nleiden dan ook niet tot een ander oordeel.”\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldaan aan zijn\n\nmotiveringsplicht. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\ndient verweerder een besluit deugdelijk en kenbaar te motiveren. Dit om de bestuursrechter\n\nin de gelegenheid te stellen die motivering daadwerkelijk en effectief te toetsen. Door enkel\n\nte overwegen dat de overgelegde documenten wel zijn meegewogen, is niet duidelijk op\n\nwelke manier verweerder de documenten heeft betrokken in zijn besluitvorming. Ook is\n\nhiermee niet duidelijk welke bewijswaarde verweerder aan de documenten heeft toegekend.\n\n[…]\n\n6.3.. \n\nDe rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de documenten in onderlinge\n\nsamenhang met de verklaringen van eiser en wat bekend is uit openbare bronnen dient te\n\nbeoordelen. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder een\n\ndergelijke beoordeling heeft gemaakt. Er blijkt namelijk niet uit welke documenten zijn\n\nmeegewogen, welke waarde verweerder aan de verschillende documenten heeft toegekend\n\nen hoe zwaar de documenten hebben meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling van\n\nde verklaringen van eiser. Dit had gemoeten, te meer nu het om meerdere bewijstukken gaat\n\ndie de verklaringen van eiser ondersteunen. Het bovenstaande geldt ook voor de\n\ndocumenten die zien op het werk van eisers vader.”\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat in het voornemen alle stukken zijn opgenoemd die eiser heeft overgelegd. Op de inhoud van de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023, de brief van Abogados de Santander van 31 augustus 2023 en de brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 is de minister in het voornemen in het bijzonder ingegaan. Hierover stelt de minister dat de inhoud niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Ook de overige documenten zijn besproken, waarbij de minister opmerkt dat deze vooral zien op het beroep van eiser als radio-omroeper en het werk van zijn vader als journalist en daarmee geen onderbouwing vormen voor het asielrelaas van eiser. Ook de brief van de vader van eiser wordt door de minister in het voornemen benoemd. Daarvan stelt de minister dat het geen objectieve bron is. Daarnaast heeft de minister de links naar de artikelen betrokken in de besluitvorming. Hierover stelt de minister in het bestreden besluit dat hieruit weliswaar blijkt dat eiser bedreigd wordt wegens zijn werkzaamheden als journalist, maar ook dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier beperkte waarde aan toekomt. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister de door eiser overgelegde documenten kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken en eveneens duidelijk is welke bewijswaarde daaraan wordt toegekend. Op de inhoud van de documenten en de waarde die de minister hieraan toekent zal de rechtbank hierna ingaan.\n\nHeeft eiser met de door hem overgelegde documenten aannemelijk gemaakt dat hij bedreigd is in zijn land van herkomst?8.3.. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een aantoonbaar risico loopt in Colombia, zodat zijn zaak onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM valt. Eiser heeft in Colombia problemen ondervonden vanwege het werk van zijn vader, waarvoor zijn vader ook is bedreigd. Dit is door de minister ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Het dossier bevat informatie van de nationale politie uit Colombia dat het bestaan van de dreigingen bevestigt. De vader van eiser heeft beschermingsmaatregelen opgelegd gekregen met daarbij de verplichting om zich elke zes maanden te verplaatsen. Dit toont aan dat de dreigingen aanhouden. Ook toont dit de ernst van de bedreigingen aan. Het vertrek van eiser werd gepubliceerd in landelijke kranten, wat de impact bewijst en daarmee ook de risico’s bij terugkeer aantoont en vergroot. De brief van de vader van eiser moet bovendien worden betrokken in de besluitvorming, omdat dit dient als onderbouwing van het asielrelaas van eiser. Het enkele feit dat sprake is van een vader-zoon relatie maakt niet dat de inhoud van de brief om die reden niet objectief is. Eiser heeft verder documenten overgelegd van een mensenrechtenorganisatie die aantonen dat hij om internationale bescherming heeft verzocht voor zijn gezin. Ook heeft hij een klacht ingediend bij de hoogste autoriteit in Colombia. Dit heeft de minister niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. Eiser betoogt dat hij tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen waardoor hij hier niet uitgebreid over heeft kunnen verklaren. De brief van de geïntegreerde coöperatie van 10 december 2024 bevestigt het verhaal van eiser. Dat in de brief wordt gesproken over aanvallen maakt dit niet anders, omdat dit ook kan zien op enkel verbale bedreigingen.\n\n8.4.. De rechtbank stelt voorop dat de minister het asielrelaas van eiser, voor zover dit ziet op de bedreigingen die eiser en zijn vader zouden hebben ontvangen, niet enkel heeft beoordeeld naar aanleiding van de door eiser overgelegde documenten. De minister heeft ook de verklaringen van eiser meegewogen. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over de bedreigingen die eiser zou hebben ontvangen en dat hij summier heeft verklaard over de daders van de bedreigingen. Deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep niet betwist. Wél betwist eiser dat de documenten zijn verklaringen en de gestelde vrees niet onderbouwen. Op de inhoud van de documenten gaat de rechtbank hierna in.\n\n8.5.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de brieven van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 en de Advocaten van Santander van 31 augustus 2023 niet overeenkomen met de verklaringen van eiser. Uit de brief van de Raad voor de Journalistiek van 7 september 2023 blijkt dat de bedreigingen van eiser verband hielden met de journalistieke werkzaamheden van zijn vader. Ook in de brief van de advocaten van Santander van 31 augustus 2023 wordt geen melding wordt gemaakt van bedreigingen van de vader vanwege medicijnaanvragen, maar wordt enkel het werk van eisers vader als journalist benoemd. Dit is anders dan de verklaring van eiser, omdat eiser heeft verklaard dat de bedreigingen voortkwamen uit de werkzaamheden van zijn vader waarin hij medicijnaanvragen deed. Omdat het aanvragen voor dure medicijnen waren dachten de afpersers dat de vader van eiser veel geld had, aldus eiser.Dat de hulp bij de medicijnaanvragen volgens eiser voortvloeit en samenhangt met de journalistieke werkzaamheden van de vader van eiser maakt dit niet anders. Dit strookt niet met de verklaring van eiser dat specifiek de medicijnaanvragen reden waren voor de bedreigingen omdat de afpersers daardoor dachten dat de vader van eiser veel geld hadden. Daar komt bij dat eiser op zitting heeft toegelicht dat de brief van de Raad voor de Journalistiek is opgesteld nadat de vader van eiser ze heeft geïnformeerd over de bedreigingen. Dat de brieven een algemeen karakter hebben zoals eiser in beroep stelt volgt de rechtbank dan ook niet. Ook is niet gebleken dat eiser tijdens het nader gehoor niet goed op de hoogte was van de bedreigingen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit te verduidelijken in het nader gehoor. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat ook de brief van de geïntegreerde coöperatie niet overeenkomt met de verklaringen van eiser. Uit de brief blijkt dat eiser het slachtoffer is geworden van aanslagen op zijn fysieke en mentale integriteit door gewapende misdaadgroeperingen. Door eiser is echter niet verklaard dat hij het slachtoffer is geworden van fysieke aanvallen, zo merkt de minister in het bestreden besluit terecht op. Dat uit de brief enkel volgt dat eiser het slachtoffer is geworden van bedreigingen volgt de rechtbank niet. De woorden ‘vervolging, gewelddadigheden en aanslag op de fysieke integriteit’ duiden op een ander soort bedreiging dan enkel verbaal of schriftelijk, zoals eiser heeft verklaard. Over de nieuwsberichten heeft de minister in het bestreden besluit gesteld niet ten onrechte gesteld dat deze enkel zijn gebaseerd op de verklaringen van de vader van eiser zodat hier slechts beperkte waarde aan kan worden gehecht. Over de brief van de vader van eiser heeft de minister verder terecht opgemerkt dat deze niet afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron, zodat de bewijswaarde hiervan beperkt is. Bovendien is de inhoud hiervan ook tegenstrijdig aan de door eiser afgelegde verklaringen. Immers de vader van eiser verklaart hierin te worden bedreigd vanwege zijn journalistieke werkzaamheden. Dit komt niet overeen met de verklaring van eiser. Tenslotte stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de documenten waaruit blijkt er ten aanzien van de vader van eiser beschermingsmaatregelen zijn genomen niet overeenkomen met de verklaring van eiser dat zijn vader al langere tijd geen problemen meer ervaart.Bovendien merkt de minister op zitting terecht op dat ook als wordt uitgegaan van het bestaan van de beschermingsmaatregelen uit de door eiser overgelegde documenten niet blijkt dat deze te maken hebben met de bedreigingen die eiser stelt te hebben ondervonden in zijn land van herkomst.\n\n8.6.. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de door eiser gestelde bedreigingen als gevolg van de werkzaamheden van zijn vader niet geloofwaardig zijn. Het betoog dat eiser bij terugkeer naar Colombia risico loopt op behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM slaagt dan ook niet.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond. De zaak van eiseres bevat ernstige elementen: de bedreigingen in Colombia, de geschiedenis van vervolging van familieleden en zowel haar medische situatie als die van haar dochter. Om die reden kan de minister zich niet op het standpunt stellen dat de aanvraag ‘kennelijk’ ongegrond is. Het feit dat eiseres de asielaanvraag een maand na haar binnenkomst heeft gedaan doet niet af aan de rechtmatigheid van haar aanvraag. Eiseres heeft eerst hulp gezocht bij een internationale organisatie, die hen heeft begeleid om een aanvraag te doen in Ter Apel. Eiseres heeft bewust gewacht met het indienen van haar asielaanvraag zodat ze haar dochter van vijf jaar oud kon voorbereiden op een scheiding van het gezin. Haar dochter heeft autisme en veel moeite met veranderingen. Daar had de minister dan ook rekening mee moeten houden. Eiseres betoogt dat de minister hierbij bovendien ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar medische situatie. Eiseres is in afwachting van een behandeling voor een posttraumatische stressstoornis door wat zij in Colombia heeft meegemaakt. Ook heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de gezinssituatie van eisers. Het was nooit haar bedoeling om de procedure uit te stellen. Eiseres wilde hierdoor de psychologische en emotionele integriteit van haar dochter beschermen.\n\n9.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiseres, anders dan de enkele herhaling van de gestelde problemen die zij in Colombia zou hebben ondervonden. Dit betreft geen gemotiveerde betwisting van de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling zodat de rechtbank hier in haar beoordeling vanuit zal gaan. Dit betekent dat alleen de vraag voorligt of de minister de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond heeft kunnen verklaren.\n\n9.2.. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst.\n\n9.3.. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 1 juni 2023 Nederland is ingereisd en op 22 juli 2023 asiel heeft aangevraagd. Dit betreft een periode van 7 weken. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiseres, gelet op het feit dat haar dochter autisme heeft, er zorg voor heeft willen dragen dat zij zo goed mogelijk heeft kunnen landen in Nederland. Eiseres heeft toegelicht dat zij daarom na aankomst in Nederland verschillende gesprekken heeft gevoerd met een stichting om de asielprocedure zo goed mogelijk voor te bereiden. De minister heeft er echter terecht op gewezen dat het laatste gesprek met de stichting op 3 juli 2023 heeft plaatsgevonden en dat eiseres en haar dochter zich pas op 22 juli 2023 in Ter Apel hebben gemeld om een asielaanvraag in te dienen. Daar komt bij dat, zoals de minister terecht stelt, eiser al enige tijd in Nederland was en werd bijgestaan door een gemachtigde die ook de benodigde begeleiding kon bieden. Gelet hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde reden heeft gegeven voor een dergelijk late indiening van haar asielaanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de overige voorwaarden zoals genoemd in artikel 30b, eerste lid aanhef en onder h, van de Vw 2000, namelijk de onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige verlenging.\n\n9.4.. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister de asielaanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.\n\nOverige gronden\n\n10. De rechtbank merkt tot slot op dat eiser en eiseres in de gronden veel hebben aangevoerd over de medische situatie van eiseres en de dochter van eiseres. Ook hebben zij erop gewezen dat ze inmiddels goed zijn geïntegreerd en diverse cursussen met succes hebben afgerond. Op zitting heeft de gemachtigde van eisers aangegeven dat er enkel aandacht is gevraagd voor de medische situatie van de dochter van eiseres met betrekking tot het verwijt dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. De overwegingen in de besluitvorming dat eiseres en haar dochter geen uitstel van vertrek toekomt op grond van artikel 64 van de Vw 2000 worden hier niet mee bestreden. De rechtbank zal hier dan ook aan voorbij gaan. Voor wat betreft de integratie van eisers in Nederland heeft de minister in het verweerschrift terecht opgemerkt dat dit prijzenswaardig is, maar dat dit geen invloed heeft op de geloofwaardigheidsbeoordeling in beide besluiten. Ook hieraan gaat de rechtbank dus voorbij.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. De aanvraag van eiseres heeft de minister mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. In de zaak van eiseres, NL25.47710 moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In de zaak van eiser, NL25.47709, moet het hogerberoepschrift worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit baseert de minister op artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).\n\n Dit baseert de minister op artikel 30b, eerste lid, onder h van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Haarlem 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3958.\n\n De minister verwijst hierbij naar artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000.\n\n Idem.\n\n Daarbij verwijst de minister naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Daarbij verwijst de minister naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 3.114, eerste lid, van het Vb 2000.\n\n Zie p. 6, 11 en 13 van het rapport nader gehoor.\n\n Zie p. 14 en 15 van het nader gehoor.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:7284","ecli-nl-rbdha-2026-7284",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]