[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2025-2790":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2025-2790":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1077","ECLI:NL:RBGEL:2025:2790","",60,"Arnhem","arnhem","2025-01-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F431023 \u002F HA ZA 24-52\n\nVonnis van 8 januari 2025\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [eiser 2],\n\nte [woonplaats] , 3. [eiser 3],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. E.M. Uijttewaal,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\nadvocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 2 oktober 2024\n\n- het bericht van 6 november 2024 met productie(s) van [gedaagden] - het bericht van 8 november 2024 met productie(s) van [eisers] - de mondelinge behandeling van 21 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn broer en zus. [gedaagden] zijn eigenaar van een perceel landbouwgrond gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] (hierna: de landbouwgrond). [vader] (hierna: [vader] ) is hun vader.\n\n2.2.. \n [eiser 2] en [eiser 3] hebben een grondpositie in een potentieel ontwikkelgebied. De landbouwgrond ligt in dat gebied. [eiser 1] is voornemens in het potentiële ontwikkelgebied woningen te bouwen.\n\n2.3.. \n [eisers] hebben [gedaagden] benaderd met de vraag of [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] willen verkopen. Het eerste gesprek tussen [eisers] en [gedaagden] over de verkoop van de landbouwgrond vond plaats op 3 februari 2021.\n\n2.4.. \n [gedaagden] hebben na dit gesprek [naam 1] (hierna: [naam 1] ) in de arm genomen. [naam 1] is voormalig notaris, thans als senior juridisch adviseur verbonden aan [bedrijf 1] en adviseert veelvuldig over (agrarische) grondtransacties.\n\n2.5.. \n\n [eisers] en [gedaagden] hebben op 22 juni 2021 opnieuw gesproken over de verkoop van de landbouwgrond. Tijdens dit gesprek is gesproken over een koopprijs van € 65,00 per vierkante meter, wat neerkomt op een koopprijs voor de landbouwgrond van € 6.362.200,00. Op 30 juni 2021 stuurde [naam 2] (hierna: [naam 2] ), namens [eisers] betrokken bij de gesprekken met [gedaagden] , per e-mail aan [gedaagden] en [vader] het volgende bericht:\n\n“(…)\n\nZoals op 22\u002F6 afgesproken, heb ik een brief gemaakt met daarin de afspraken die wij gemaakt hebben. Zie bijgevoegd.\n\nIk heb nadrukkelijk concept door de brief heen gezet, omdat hetniet de bedoeling is dat jullie deze brief werkelijk tekenen. Wij hebben immers afgesproken dat jullie alles nog eens zouden laten bezinken en nog eens na zouden gaan of jullie niets vergeten waren. Wij zouden dan in een vervolgbespreking (zo nodig) het document nog eens met elkaar bespreken.(…)\n\nParallel aan de verzending aan jullie, leg ik de brief tegelijk voor aan [bedrijf 2] voor advies.\n\n(…)”\n\n2.6.. \n\nIn de bijgevoegde brief (hierna: de conceptbrief) die aan [gedaagden] is gericht, staat voor zover relevant:\n\n“(…)\n\nOp 22 juni 2021 hebben [vader] en [gedaagde 2] gesproken met [eiser 3] , [eiser 2] en ondergetekende[rechtbank: [naam 2] ], op kantoor bij [bedrijf 3] in [plaats] . We hebben gesproken over de koop en verkoop van jullie perceel.\n\n(…)\n\nOvereengekomen is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het betreffende perceel verkopen en dat [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] in onverdeeld eigendom ieder voor 1\u002F3 deel kopen.\n\n(…)\n\nDe koopprijs bedraagt € 65,- per m2 kosten koper. De totale koopsom bedraagt derhalve € 6.362.200,-.\n\n(…)”\n\n2.7.. Op 25 augustus 2021 vond een gesprek plaats tussen [eisers] en [gedaagden] naar aanleiding waarvan de conceptbrief in track changes is aangepast. Op 10 september 2021 stuurde [naam 2] de aangepaste conceptbrief aan [gedaagden]\n\n2.8.. Op of omstreeks 13 september 2021 is namens [gedaagden] door [naam 1] gereageerd. [naam 1] heeft in track changes aanpassingen gedaan in de brief, waaronder de toevoeging dat [gedaagden] onder bepaalde voorwaarden zouden kunnen participeren in de door [eisers] beoogde ontwikkeling van de landbouwgrond.\n\n2.9.. \n\nOp 6 oktober 2021 stuurde [naam 2] de volgende e-mail aan [gedaagden] :\n\n“(…)\n\nAfgelopen week hebben [eiser 3] en ik met [vader] gesproken naar aanleiding van het commentaar van zijn adviseur. Wij hebben [vader] beloofd om onze brief aan te passen op basis van het besprokene. Zie bijgevoegd. [eiser 3] plant een afspraak met [vader] , zijn adviseur en ons drieën, om de brief nog een laatste maal met elkaar te bespreken.\n\n(…)”\n\n2.10.. \n\nEveneens op 6 oktober 2021 reageerde [eiser 3] per e-mail:\n\n“(…)\n\nZou het as dinsdag 12 om 9.30 uur oktober schikken te overleggen om voor alle partijen tot een goede vastlegging te komen.\n\nWe moeten samen met name nog even naar een geschikte formulering eind datum komen.\n\nDeze moet voor [vader] duidelijkheid verschaffen m.b.t. de eindtermijn en voor de kopers gelegenheid geven niet te sneuvelen voor de finish.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n [eisers] en [gedaagden] hebben op 15 oktober 2021 wederom met elkaar gesproken. In dit gesprek hebben [gedaagden] voorgesteld dat [eisers] de koopprijs deels voldoen in geld en deels door een aantal op de landbouwgrond te bouwen woningen aan [gedaagden] te leveren, met het idee dat [gedaagden] die woningen zou kunnen verhuren.\n\n2.12.. \n\nOp 15 november 2021 stuurde [naam 2] de reactie namens [eisers] op dit voorstel:\n\n“(…)\n\nBeste [vader] ,\n\nVandaag heb je [eiser 3] gesproken. Jouw voorstel bleek voor ons gecompliceerder dan wij dachten.(…)\n\nZoals je vernomen hebt: in onze financiële uitwerking kwamen wij tot de conclusie dat wij, naast het geldbedrag van € 1.725.000,- een aantal van 18,5 woningen kunnen leveren om uit te komen op de afgesproken koopsom van € 6.362.200,-. Dit heeft onder meer te maken met de recent sterk gestegen bouwkosten.\n\nWij hebben echter ook jouw signaal aan [eiser 3] goed begrepen en vinden het van belang om er nu op eenvoudige wijze uit te komen met elkaar. Ik stel voor dat we elkaar nog éénmaal ontmoeten om het geheel tot een afronding te brengen en de brief te tekenen.\n\n(…)”2.13.. \n\nOp 17 november 2021 stuurde [naam 2] de volgende e-mail aan [vader] :\n\n“(…)\n\nConform afspraak vandaag met [eiser 3] , ontvang je bij deze e-mail de aangepaste afsprakenbrief.\n\n(…)”\n\n2.14.. \n\nOp 19 november 2021 stuurde [naam 1] namens [gedaagden] de volgende e-mail aan [eisers] :\n\n“(…)\n\nIk heb gekeken naar het concept van de brief van [naam 2] c.s. Inhoudelijk heb ik de navolgende punten die tenminste in de brief opgenomen moeten worden:\n\nEen minimale bouwkavel oppervlak. Ik verwacht van de koper dat zij een concreet en aanvaardbaar voorstel doen;\n\nEen minimale woonoppervlak voor de huurwoningen;\n\nEen opleverdatum van de huurwoning binnen een bepaalde periode na eerste omgevingsvergunning, deze dient realistisch te zijn en zodanig dat er tijdig over de huurinkomsten kan worden beschikt.\n\nOplevering van de woning dient te zijn: gebruikelijke toilet beneden, boven toilet en douche inclusief keuken, betegeling. De woningen dienen gebruiksklaar te zijn, door verkoper dient de vloerbedekking en het sauzen of behangen van de muren nog plaats te vinden.\n\nDe bestemming dient binnen 8 jaar na datum overeenkomst te zijn verleend. Geen verlening betekent een ontbinding koopovereenkomst zonder boete en verrekening van kosten.\n\nBinnen de genoemde 10 jaar dient er een aanvang te zijn gemaakt met de bouw van de huurwoningen en deze bouw dient in een bouwstroom te worden gebouwd.\n\nOntbindingen na 10 jaar kan onder de navolgende voorwaarden (wederkerige ontbinding):\n\nOntbinding dient te geschieden door een schriftelijke verklaring aan verkoper onder overlegging van de aanvragen tot het wijzigen van de bestemmingsplan voor de betreffende percelen van voornoemde 100ha. Deze aanvragen dienen uiterlijk …………………… na het vooroverleg volledig te zijn ingediend, en tevens bij een afwijzende beslissing tijdig bezwaar en beroep te zijn aangetekend en de betreffende procedures adequaat te zijn gevoerd van elke procedure inclusief het vooroverleg, aanvraag, bezwaar en beroep dienen alle drukken inclusief de rapporten en onderbouwingen door koper aan verkoper te worden aangeleverd binnen 2 maanden na het indienen. Indien koper aan het vorenstaande niet of niet tijdig heeft voldaan, dan wel de stukken niet volledig zijn, is koper verplicht aan verkoper uit te keren een bedrag van € 7 miljoen euro.\n\n8. Contractsovername:\n\nIedere partij kan door middel van contractsovername de overeenkomst overdragen aan de bloedverwant, aanverwant of juridische entiteit, onder borgstelling van de huidige partij gedurende de periode dat het perceel niet onvoorwaardelijk geleverd is en de woningen ten behoeve van verkoper niet zijn gebouwd.\n\nIk verwacht van de koper dat zij een concreet en aanvaardbaar voorstel doen, zodat de bijeenkomst van volgende week kan leiden tot een slot van de onderhandelingen. Mijns inziens zijn er nu te grote punten, om te spreken dat er een overeenkomst is.\n\n(…)”2.15.. \n\nOp 25 november 2021 bespraken [eisers] en [gedaagden] de aangepaste conceptbrief. Tijdens die bespreking zijn op verzoek van [gedaagden] nog twee handgeschreven zinnen toegevoegd aan de conceptbrief. De conceptbrief luidt dan als volgt:\n\n“(…)\n\nGeachte heer en mevrouw [gedaagde 1] , beste [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ,\n\nDe afgelopen periode hebben [vader] en [gedaagde 2] gesproken met [eiser 3] , [eiser 2] en ondergetekende[rechtbank: [naam 2] ], op kantoor bij [bedrijf 3] in [plaats] . We hebben gesproken over de koop en verkoop van jullie perceel. Het perceel ligt tussen de [straat] , de boemelspoorlijn en [straat] en wordt kadastraal aangeduid als: [perceel 1] . De grond is agrarisch bestemd en agrarisch in gebruik. Er is geen bebouwing op de grond aanwezig.\n\nOvereengekomen is dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het betreffende perceel verkopen en dat [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] in onverdeeld eigendom ieder voor 1\u002F3 deel kopen. Het perceel is momenteel verpacht. De pacht eindigt op 31 december 2025. Gedurende de periode dat er nog geen grondbewerkingen plaatsvinden heeft de pachter het gebruiksrecht.\n\nDe koopprijs bedraagt € 1.725.000, exclusief belastingen, kosten koper. Het bedrag wordt niet geïndexeerd. Levering en betaling van het perceel vindt plaats zodra de eerste onherroepelijke bouwvergunning voor woningbouw op de te leveren gronden verkregen is. De koopprijs bestaat voorts uit de levering van koper aan verkoper, om niet, bij eerste oplevering van woningen op het perceel, van 20 middenhuur-woningen van minimaal 100 m2 go, op een kavel van minimaal 110 mr en met Woningborg kwaliteitsniveau (inclusief (fietsen)berging, toilet beneden, toilet en douche boven, basisopstelling keukenmeubel zonder apparatuur, betegeling sanitaire ruimten, behangklaar, cementdekvloer o.g.). levering van deze woningen vindt fiscaal optimaal plaats (beoogd: betreffende percelen blijven op het moment van levering achter bij verkoper en worden door koper bebouwd).\n\nDe overeengekomen koop en verkoop heeft een looptijd van 10 jaar. Is binnen 8 jaar geen bestemming en binnen 10 jaar geen onherroepelijke bouwvergunning verkregen, dan wordt de overeenkomst ontbonden. Zodra de bouwvergunning verkregen is, zal de realisatie direct aanvangen en zijn Woningborg termijnen voor bouwtijd van toepassing.\n\n [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] kopen het perceel met het doel om dit voor eigen rekening en risico te ontwikkelen naar woonfuncties en aanverwante functies. Kopers zullen verkopers op de hoogte houden van de voortgang van de ontwikkeling en relevante stukken verstrekken.\n\n [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn geen ondernemer voor de btw, zijn geen ontwikkellaar en nemen in deze ontwikkeling geen deel. Zij hebben de grond momenteel als onroerende goed in bezit in box 3 en wensen de grond als zodanig te vervreemden.\n\nOp het perceel rusten op het moment van levering geen rechten van derden of belemmeringen, die het gebruik of de ontwikkeling beperken.\n\nDe koopprijs is gebaseerd op een goede staat van het perceel. Er zijn geen verborgen gebreken, bodemvervuilingen, asbestvervuilingen, archeologische resten of explosieven aanwezig. De kopers krijgen voorafgaand aan de levering, doch uiterlijk 1,5 jaar na ondertekening van deze brief, gelegenheid om due diligence te verrichten op de staat van de locatie. Zij zullen zich hiertoe baseren op eigen onderzoek, dat zij voor eigen rekening uitvoeren. Als de resultaten niet conveniërend zijn, treden partijen in overleg en hebben kopers tot uiterlijk 1,5 jaar na de datum van ondertekening van deze brief het recht de koop te ontbinden.\n\nVerkopers en kopers leggen deze overeenkomst(brief) nader vast in een koopovereenkomst. [eiser 1] zal daartoe zo spoedig mogelijk een concept voorleggen ter beoordeling. Indien niet binnen 1 maand na ondertekening van deze brief een conveniërend concept is overlegd zal verkoper 1,5 maand na datum van deze brief een concept overeenkomst voorleggen.\n\nEr wordt één koopovereenkomst opgesteld met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen als verkoper en [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] samen als koper. Deze respectievelijke vijf partijen kunnen ieder een bloedverwant, aanverwant of juridische entiteit, waarin zij een minimaal belang van 50% houden en minimaal 50% zeggenschap hebben, aanwijzen die bij notariële levering daadwerkelijk optreedt als afnemer, onder borgstelling van de huidige partij gedurende de periode dat het perceel niet onvoorwaardelijk geleverd is en de woningen ten behoeve van verkoper niet zijn gebouwd. De rechten en plichten van verkoop en koop zijn niet overdraagbaar aan een derde, anders dan na schriftelijke goedkeuring van de overige vier partijen.\n\nVerkopers verlenen medewerking aan fiscaal optimale levering, mits zij hier geen nadeel van ondervinden, zulks ter beoordeling van verkopers. Medewerking zal niet op onredelijke gronden worden geweigerd.\n\nKopers houden verkoper eens per half jaar op de hoogte over de vorderingen in de planontwikkeling middels een bijeenkomst waar verslag van gemaakt wordt.\n\n[rechtbank: begin handgeschreven toevoeging]\n\nHet half jaar te rekenen vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomsten daaropvolgende vanaf elke bijeenkomst\u002Fverslag\n\n[rechtbank: eind handgeschreven toevoeging]\n\nKoper zal de plannen voor de huurwoningen schriftelijk goedkeuren op gezette moment, of hier gemotiveerd zijn goedkeuring op onthouden, waaronder in ieder geval het stedenbouwkundig plan, de aanvraag omgevingsvergunning en de oplevering.\n\nTot slot; nogmaals dank voor de prettige contacten tot op heden. Wij zetten deze graag voort in de nadere uitwerking van koop, verkoop en levering.\n\nGraag ontvang ik deze brief getekend retour, ter bevestiging van hetgeen wij overeengekomen zijn.\n\n[rechtbank: ruimte voor handtekeningen]\n\n[rechtbank: begin handgeschreven toevoeging]\n\nBij het tekenen van de overeenkomst vergoeden kopers aan verkoper € 5.000,- totaal aan advieskosten (zonder factuur) 25\u002F11\u002F2021. Huissen.\n\n[rechtbank: eind handgeschreven toevoeging]\n\n(…)”2.16.. \n\nOp 25 november 2021, de dag van de laatste bespreking, stuurde [eiser 3] de door [eisers] ondertekende en op iedere pagina geparafeerde brief per e-mail aan [gedaagden] en [vader] :\n\n“(…)\n\nOnderwerp:Overeenkomst [plaats]\n\nBijlagen:Overeenkomst 25 nov 2021 [gedaagde 1] [eiser 3] [eiser 1] [eiser 2] .pdf\n\n(…)\n\nZie in de bijlage de (gescande) door kopers getekende overeenkomst.\n\nGraag getekend retour zenden.\n\n(…)”\n\n2.17.. Op 30 november 2021 stuurde [vader] de ook door [gedaagden] ondertekende en op iedere pagina geparafeerde brief (met de inhoud zoals weergegeven in overweging 2.15 en overgelegd als productie 9 bij dagvaarding) (hierna: de brief) aan [eisers]\n\n2.18.. \n [eisers] hebben vervolgens een notaris opdracht gegeven om de brief nader uit te werken. Op 26 januari 2022 is een eerste concept aan [gedaagden] gestuurd en op 24 februari 2022 is daarover bij de notaris een bespreking geweest. Op 3 mei 2022 stuurde de notaris een aangepast concept aan partijen (zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding). Daarna wisselden partijen nog enkele e-mails over een te houden bespreking naar aanleiding van het concept.\n\n2.19.. Op 22 juli 2022 lieten [gedaagden] per e-mail aan [eisers] weten dat er volgens hen weinig schot in de zaak zit, dat zij weinig vertrouwen hebben in een adequate voortzetting van de onderhandelingen en een sluitende vastlegging van het resultaat daarvan in een koopovereenkomst. [gedaagden] geven aan de onderhandelingen te willen staken.\n\n2.20.. Bij e-mail van 27 juli 2022 vroegen [eisers] om een gesprek met [gedaagden] Op 16 september 2022 lieten [gedaagden] weten daarvoor open te staan, maar alleen voor een fatsoenlijke afsluiting van de contacten. Op 23 september 2022 vond dat gesprek plaats. [gedaagden] heeft toen aangegeven moeite te hebben met de notaris. [eisers] stelde daarop voor om de brief te laten uitwerken door een andere notaris. [gedaagden] stemden daarmee in maar gaven aan dat te zien als ‘een laatste en uiterste mogelijkheid om tot een akkoord te komen’. Op 4 november 2022 lieten [gedaagden] per e-mail weten dat zij akkoord gingen met de door [eisers] voorgestelde notaris en herhaalden zij dit te zien als een uiterste mogelijkheid om tot een akkoord te komen.\n\n2.21.. \n\nVervolgens hebben [eisers] en [gedaagden] – al dan niet via hun adviseurs – gecorrespondeerd over de nadere uitwerking van de brief. De advocaat van [eisers] heeft in zijn brief van 16 maart 2023 een tiental punten opgesomd die volgens [gedaagden] nadere uitwerking behoeven in de koopovereenkomst:\n\n“(…)\n\n1.\n\nAls we het goed zien dan vallen de uitgangspunten uiteen in twee onderdelen:(…)\n\nHet eerste onderdeel is een koopovereenkomst en het tweede deel is dat niet. het lijkt een aannemingsovereenkomst te zijn.\n\n2.\n\nVoor de koopovereenkomst is het gebruikelijk dat een waarborgsom\u002Fbankgarantie wordt gesteld. Zijn hier afspraken over gemaakt?(…)\n\n3.\n\n(…)\n\nIs er exclusiviteit afgesproken? Is afgesproken dat de 20 woningen als eerste zullen worden gebouwd? Wat als verkopers de gronden in de tussentijd willen overdragen?(…)\n\n4.\n\nWat is de uiterste datum waarop de bestemmingsplanwijziging moet zijn aangevraagd?(…)\n\n5.\n\nWat bedoelen partijen met middenhuur woningen?(…)\n\n6.\n\nWij adviseren om als zekerheid voor de nakoming van de aannemingsovereenkomst te zijner tijd een eerste recht van hypotheek te bedingen op de gronden die aan kopers zullen worden overgedragen.(…)\n\n7.\n\nHoe worden de twintig woningen verdeeld?(…)\n\n8.\n\nIn de overeenkomst zal moeten worden opgenomen dat de woningen vrij op naam worden geleverd.(…)\n\n9.\n\nBij start bouw zal voldoende zekerheid moeten zijn gesteld door kopers over de afbouw van de woningen.(…)\n\n10.\n\nVoor wiens rekening komen de kadastrale splitsingen ten aanzien van de percelen van de huur-\u002Fbeleggingswoningen? Welk stuk grond gaat niet worden overgedragen in verband met de bouw van de twintig woningen?\n\n(…)”\n\n2.22.. Op 9 juli 2023 lieten [gedaagden] via hun advocaat weten dat zij de onderhandelingen definitief staken. Daarna hebben (de advocaten van) [eisers] en [gedaagden] nog gecorrespondeerd over onder meer de vraag of tussen partijen reeds een overeenkomst tot stand is gekomen en over het voortzetten van de onderhandelingen.\n\n2.23.. Op 17 april 2024 hebben [eisers] in verband met hetgeen zij in deze procedure vorderen conservatoir beslag laten leggen op de landbouwgrond.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad\n\nprimair\n\nI. verklaart voor recht dat tussen [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds op 25 november 2021 dan wel 28 november 2021 dan wel 30 november 2021, althans op enige andere in goede justitie vast te stellen datum een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] , welke koopovereenkomst woordelijk is opgenomen in productie 9 van de dagvaarding;\n\nII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot nakoming van de onder I genoemde koopovereenkomst door het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] conform de bepaling van de onder I genoemde koopovereenkomst aan [eisers] te leveren, tegen ontvangst van de in de koopovereenkomst bepaalde koopprijs en [eisers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten;\n\nIII. te bepalen dat, indien [gedaagden] niet aan de onder II genoemde veroordeling voldoen dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagden] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte en de toestemming om het perceel te betreden voor de benodigde onderzoeken;\n\nsubsidiair\n\nIV. [gedaagden] hoofdelijke veroordeelt om binnen veertien (14) dagen na de datum van dit vonnis met [eisers] een koopovereenkomst te sluiten, zoals deze als productie 12A van de dagvaarding is overgelegd, zulks op straffe van een dwangsom groot € 10.000,00 per dag, ingaande op de vijftiende (15e) dag na de datum van dit vonnis, tot aan de dag dat [gedaagden] aan deze veroordeling voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen groot € 3.000.000,00;\n\nmeer subsidiair\n\nV. verklaart voor recht dat de onderhandelingen tussen [eisers] en [gedaagden] in een zodanig stadium zijn geraakt dat het [gedaagden] niet langer vrij stond de onderhandelingen af te breken en [gedaagden] hoofdelijke veroordeelt om met [eisers] door te onderhandelen over de koopovereenkomst tot aankoop van het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] , waarbij de door partijen op 25 november 2021 gemaakte afspraken, zoals woordelijk opgenomen in productie 9 van de dagvaarding, reeds vaststaan, zulks op straffe van een dwangsom groot € 10.000,00 per dag, ingaande op de vijftiende (15e) dag na de datum van dit vonnis, tot aan de dag dat [gedaagden] aan deze veroordeling voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen groot € 3.000.000,00;\n\nmeest subsidiair\n\nVI. verklaart voor recht dat de onderhandelingen tussen [eisers] en [gedaagden] in een zodanig stadium zijn geraakt dat het [gedaagden] niet langer vrij stond de onderhandelingen af te breken althans niet zonder (schade)vergoeding, met veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de door [eisers] geleden en nog te lijden schade, waaronder de gederfde winst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nzowel primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair\n\nVII. [gedaagden] hoofdelijk, voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt in de kosten van onderhavig geding en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze (proces)kosten vanaf de vijftiende dag na de dag van dit vonnis.\n\n3.2.. \n [eisers] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Tussen [eisers] en [gedaagden] is een koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 9 bij dagvaarding tot stand gekomen op grond waarvan [gedaagden] onder meer ertoe zijn gehouden de landbouwgrond te leveren aan [eisers] en [eisers] toe te laten tot de landbouwgrond om de overeenkomen onderzoeken uit te (laten) voeren (primair). Indien voormelde koopovereenkomst niet tot stand is gekomen, was zijdens [eisers] sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat (de nadere uitwerking van) de koopovereenkomst in de vorm van de concept koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding tot stand zou komen, zodat het [gedaagden] niet vrijstond de onderhandelingen af te breken. [gedaagden] zijn daarom gehouden de concept koopovereenkomst zoals overgelegd als productie 12A bij dagvaarding te sluiten (subsidiair), daarover door te onderhandelen (meer subsidiair) dan wel de schade die is veroorzaakt door het afbreken van de onderhandelingen te vergoeden (meest subsidiair).\n\n3.3.. \n [gedaagden] betwisten dat met [eisers] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagden] is geen sprake van wilsovereenstemming over de koop\u002Fverkoop van de landbouwgrond, is geen sprake van wilsovereenstemming over de essentialia van een koopovereenkomst en is de door [eisers] gestelde wederprestatie om 20 middenhuur-woningen te leveren niet voldoende bepaalbaar. Volgens [gedaagden] houdt de brief die [eisers] als productie 9 bij dagvaarding heeft overgelegd niet meer in dan een intentie die afhankelijk is van de voorwaarde dat de nadere uitwerking van de brief in een koopovereenkomst naar tevredenheid is van [gedaagden] Die nadere uitwerking is er nooit gekomen, althans niet naar tevredenheid van [gedaagden] , ook niet in de vorm van de conceptkoopovereenkomst die [eisers] als productie 12A heeft overgelegd. [gedaagden] betwisten dat sprake is van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen bij [eisers] [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n [gedaagden] vorderen in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n [eisers] veroordeelt om het door hen ten laste van [gedaagden] gelegde beslag binnen twee dagen na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom aan ieder van hen van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 500.000,00 dat [eisers] of één van hen in gebreke blijft; en\n\n [eisers] veroordeelt tot betaling aan [gedaagden] van alle schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet die [gedaagden] hebben geleden en\u002Fof nog zullen lijden als gevolg van de conservatoire beslaglegging door [eisers] ten laste van [gedaagden] ; en\n\n [eisers] veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.\n\n3.5.. \n [gedaagden] leggen aan hun vorderingen in reconventie kort gezegd ten grondslag hetgeen [gedaagden] in conventie als verweer voeren: er is geen koopovereenkomst totstandgekomen en van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen bij [eisers] is geen sprake, zodat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. Daarom is het conservatoire beslag van [eisers] op de landbouwgrond onrechtmatig.\n\n3.6.. \n [eisers] voeren verweer. Dat verweer komt kort gezegd erop neer dat de vorderingen van [eisers] in conventie toewijsbaar zijn, zodat van onrechtmatige beslaglegging geen sprake is. Daarnaast dient het gevorderde te worden afgewezen omdat [gedaagden] niet heeft gesteld of onderbouwd dat het beslag tot schade heeft geleid, aldus [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.\n\n3.7.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nIn conventie en reconventie\n\n4.1.. In het licht van de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de rechtbank deze gelijktijdig beoordelen.\n\n4.2.. \n [eisers] stellen dat zij met [gedaagden] in november 2021 in de vorm van de brief een koopovereenkomst hebben gesloten waaruit onder meer voor [gedaagden] de verbintenis volgt om de landbouwgrond te leveren aan [eisers] en voor [eisers] de verbintenissen volgen om daarvoor de koopprijs van € 1.725.000,00 te betalen en 20 middenhuur-woningen te leveren. Uit de totstandkoming en ondertekening van de brief volgt volgens [eisers] dat wilsovereenstemming is bereikt over de inhoud van de brief, die de essentialia van een koopovereenkomst bevat. De verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren is voldoende bepaalbaar omdat uit de brief blijkt aan welke eisen de woningen moeten voldoen en levering fiscaal optimaal dient plaats te vinden, aldus [eisers] Uit de brief en de totstandkoming daarvan blijkt volgens [eisers] ook dat van een intentieovereenkomst of een voorwaardelijke overeenkomst geen sprake is.\n\n4.3.. \n [gedaagden] betwisten dat een koopovereenkomst ter zake de landbouwgrond tot stand is gekomen. Partijen hebben geen wilsovereenstemming bereikt over de essentialia van een koopovereenkomst, waaronder over de prijs, het te leveren object en alle punten die zijn opgesomd in de brief van 16 maart 2023 van de advocaat van [gedaagden] Daarnaast is de overeenkomst volgens [gedaagden] nietig, omdat niet wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een koopovereenkomst. De afspraak dat [eisers] 20 middenhuur-woningen leveren is volgens [gedaagden] niet voldoende bepaalbaar. In dit verband wijzen [gedaagden] eveneens op voormelde brief van de advocaat van [gedaagden] en stellen zij dat onduidelijk is op welke wijze de woningen geleverd zullen worden en wat in dat verband en anderszins de fiscale implicaties zijn. Daar komt bij dat [eisers] niet het bedrag van € 5.000,00 hebben betaald aan [gedaagden] terwijl dat betaald zou worden bij ondertekening van de overeenkomst. Daaruit, en uit het ontbreken van een sluitingsdatum in de concepten van de nadere uitwerking van de overeenkomst die de notaris heeft opgesteld, blijkt dat de brief niet kan worden beschouwd als een koopovereenkomst. Als al wel een koopovereenkomst tot stand is gekomen, is het een intentieovereenkomst die uitsluitend afspraken op hoofdlijnen bevat en is aangegaan onder de voorwaarde van nadere uitwerking van die afspraken. Die nadere uitwerking is er nooit gekomen, zodat geen sprake is van een totstandgekomen onvoorwaardelijke koopovereenkomst, aldus [gedaagden]\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. In artikel 6:217 BW is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Het doen van een aanbod en de aanvaarding daarvan zijn rechtshandelingen. In artikel 3:33 BW is bepaald dat een rechtshandeling een op rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Uit artikel 3:35 BW blijkt dat tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Blijkens artikel 3:37 lid 1 BW kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen.\n\n4.5.. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen en hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden (de Haviltex-maatstaf; zie Hoge Raad 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352 en Hoge Raad 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213).\n\nWilsovereenstemming\n\n4.6.. Tussen partijen is de inhoud en de wijze van totstandkoming van de brief niet in geschil. Wel in geschil is of de brief een koopovereenkomst inhoudt, zoals [eisers] heeft gesteld en [gedaagden] heeft betwist. De rechtbank zal daarom eerst aan de hand van voormelde Haviltex-maatstaf beoordelen welke betekenis moet worden toegekend aan de brief.\n\n4.7.. Uit de onder de feiten vermelde omstandigheden over de totstandkoming en de inhoud van de brief en hetgeen partijen in dat verband over en weer hebben verklaard (zie overwegingen 2.3-2.17), trekt de rechtbank de volgende conclusies. Vast staat dat [eisers] reeds in het eerste gesprek met [gedaagden] duidelijk hebben gemaakt dat zij de landbouwgrond van [gedaagden] wilden kopen, zoals [gedaagden] ook ter zitting hebben bevestigd, en dat partijen daarover ongeveer tien maanden hebben onderhandeld. [eisers] hebben in juni 2021 een eerste concept van de brief aan [gedaagden] voorgelegd waarna partijen daarin over en weer aanpassingen hebben gedaan. [eisers] boden aanvankelijk een kale koopprijs voor de landbouwgrond. [gedaagden] hebben evenwel bedongen dat zij konden participeren in de beoogde ontwikkeling van de landbouwgrond door een deel van de koopprijs voldaan te krijgen in de vorm van 20 middenhuur-woningen. Hierover is door partijen onderhandeld. Op 19 november 2021 is namens [gedaagden] aan [eisers] gevraagd om een concreet en aanvaardbaar voorstel te doen zodat de bespreking van een week later tot een slot van de onderhandelingen zou kunnen leiden. De brief is naar aanleiding hiervan door [eisers] aangepast en op 25 november 2021 wederom besproken. [eisers] en [gedaagden] hebben in die bespreking naar het oordeel van de rechtbank wilsovereenstemming bereikt over de inhoud van de brief. Dat blijkt uit het voorgaande, de e-mail van [eiser 3] van 25 november 2021 aan [gedaagden] (zie overweging 2.16) en de ondertekening van de brief en de parafering van iedere pagina door beide partijen (zie overweging 2.17).\n\n4.8.. In de brief staat dat is overeengekomen dat [gedaagden] de landbouwgrond verkopen aan [eisers] tegen betaling van de koopprijs van € 1.725.000,00 en de levering van 20 middenhuur-woningen door [eisers] (zie overweging 2.15). Uit het samenstel van de door [gedaagden] en [eisers] over en weer afgelegde verklaringen gedurende de onderhandelingen (zie overwegingen 2.3-2.17, waarvan de kern hiervoor in overweging 4.7 is weergegeven) moet [gedaagden] redelijkerwijs hebben afgeleid dat de wil van [eisers] op voormelde koop was gericht en heeft [eisers] redelijkerwijs mogen afleiden dat de wil van [gedaagden] op voormelde verkoop was gericht. Derhalve komt vast te staan dat partijen wilsoverstemming hebben bereikt over de koop en verkoop van de landbouwgrond.\n\n4.9.. Dat [gedaagden] geen ervaring met of kennis van grondtransacties hebben, zoals [gedaagden] ter zitting onweersproken hebben aangevoerd, maakt het voorgaande niet anders. [gedaagden] hebben zich gedurende de onderhandelingen immers laten bijstaan door [naam 1] , wiens ervaring en kennis derhalve aan [gedaagden] kan worden toegerekend. [eisers] hebben onweersproken gesteld dat [naam 1] deskundig en ervaren is op het gebied van agrarische grondtransacties (zie overweging 2.4).\n\nIntentieovereenkomst en voorwaardelijke overeenkomst\n\n4.10.. Niet in geschil is dat de brief nader zou worden uitgewerkt. De brief vermeldt daarover: “Verkopers en kopers leggen deze overeenkomst(brief) nader vast in een koopovereenkomst.” en “Er wordt één koopovereenkomst opgesteld met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen als verkoper en [eiser 3] , [eiser 2] en [eiser 1] samen als koper.”\n\n4.11.. \n [gedaagden] worden echter niet gevolgd in hun stelling dat de inhoud van de brief voorwaardelijk is overeengekomen, in die zin, dat een overeenkomst pas tot stand zou komen als de afspraken in de brief nader waren uitgewerkt of dat sprake is van een intentieovereenkomst. Uit hetgeen partijen gedurende de onderhandelingen over en weer hebben verklaard (zie overweging 2.3-2.17), blijkt immers niet dat partijen hebben beoogd om de door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke overeenkomst of intentieovereenkomst aan te gaan. De inhoud van de brief wijst daar evenmin op, zoals [eisers] terecht hebben gesteld. In de brief staat immers dat de koop “is overeengekomen” (tweede alinea), “de overeengekomen koop en verkoop” (vierde alinea) en dat “deze overeenkomst(brief)” nader wordt vastgelegd in een koopovereenkomst (negende alinea). Een nadere vastlegging staat als zodanig niet in de weg aan de totstandkoming van een onvoorwaardelijke overeenkomst. Ook staat in de brief dat de overeenkomst wordt ontbonden als niet binnen 10 jaar een onherroepelijke bouwvergunning is verkregen en bevat de brief de mogelijkheid voor [eisers] om binnen anderhalf jaar na ondertekening van de brief de koop te ontbinden als de staat van de landbouwgrond daartoe aanleiding geeft. Dit alles wijst naar het oordeel van de rechtbank op de totstandkoming van een onvoorwaardelijke overeenkomst. Dat [naam 2] de brief voor advies zou voorleggen aan [bedrijf 2] (zie overweging 2.5) en een ‘afsprakenbrief’ heeft genoemd (zie overweging 2.13), zoals [gedaagden] in dit verband onweersproken hebben gesteld, maakt dat niet anders.\n\n4.12.. Na ondertekening van de brief hebben [eisers] aan een notaris opdracht gegeven om de brief nader uit te werken (zie overweging 2.18). In de concepten die de notaris in dat verband heeft opgesteld, is de sluitingsdatum opengelaten. Voor zover [gedaagden] hebben gesteld dat daaruit blijkt dat de brief het door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke of intentionele karakter heeft, worden [gedaagden] daarin niet gevolgd. De sluitingsdatum in de concepten heeft naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking op die concepten. Dat de nadere uitwerking van de brief van een latere datum is dan de brief zelf is inherent aan een nadere uitwerking en doet niet af aan de reeds op 25 november 2021 totstandgekomen onvoorwaardelijke overeenkomst.4.13.. Aan het slot van de brief is handgeschreven toegevoegd: “Bij het tekenen van de overeenkomst vergoeden kopers aan verkoper € 5.000,- totaal aan advieskosten(…)” (zie overweging 2.15). [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat [eisers] dat bedrag nog niet hebben betaald. Als partijen zijn overeengekomen dat die betaling zou worden gedaan na ondertekening van de nader uitgewerkte overeenkomst, zoals [gedaagden] lijken te stellen, dan brengt dat nog niet mee dat de brief het door [gedaagden] gestelde voorwaardelijke of intentionele karakter heeft. Een dergelijke afspraak kan immers ook worden gemaakt als partijen reeds een onvoorwaardelijke overeenkomst hadden gesloten, zoals hier naar het oordeel van de rechtbank het geval is.\n\nDe essentialia\n\n4.14.. De afspraak dat [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] leveren en dat [eisers] daarvoor € 1.725.000,00 aan [gedaagden] betalen, is een koopovereenkomst in de zin van artikel 7:1 BW. In dat artikel is immers bepaald dat koop de overeenkomst is waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. De afspraak dat [gedaagden] de landbouwgrond aan [eisers] leveren en dat [eisers] daarvoor 20 middenhuur-woningen aan [gedaagden] leveren, is een ruilovereenkomst in de zin van artikel 7:49 BW. In dat artikel is immers bepaald dat ruil de overeenkomst is waarbij partijen zich verbinden elkaar over en weer een zaak in de plaats van een andere te geven. Uit het voorgaande volgt dat [eisers] en [gedaagden] wilsovereenstemming hebben bereikt over de essentialia van koop en ruil, zodat sprake is van een gemengde overeenkomst in de zin van artikel 6:215 BW.\n\n4.15.. Het verweer van [gedaagden] dat de koopovereenkomst nietig is omdat niet is voldaan aan de eisen die de wet daaraan stelt, wordt op grond van het voorgaande verworpen.\n\n4.16.. De punten die de advocaat van [gedaagden] in zijn brief van 16 maart 2023 opsomt (zie overweging 2.21), behoren niet tot de essentialia van koop of ruil. Voor zover [gedaagden] hebben bedoeld te stellen dat die punten voor hen zo essentieel waren dat [eisers] redelijkerwijs niet had mogen verwachten dat een overeenkomst tot stand zou komen totdat ook over die punten overeenstemming was bereikt, worden [gedaagden] in dat verweer niet gevolgd. Gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagden] die punten onder de aandacht hebben gebracht van [eisers] voorafgaand aan het bereiken van wilsovereenstemming op 25 november 2021. Voor hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs uit elkaars verklaringen hebben mogen afleiden, zijn die punten derhalve niet van belang. Daar komt nog bij dat de in de brief van 16 maart 2023 opgesomde punten met name betrekking hebben op de levering door [eisers] van 20 middenhuur-woningen en dat is nu juist in de brief terechtgekomen op voorstel van [gedaagden] Tegen deze achtergrond lag het des te meer op de weg van [gedaagden] om tijdig – voorafgaand aan het bereiken van wilsovereenstemming – aan [eisers] kenbaar te maken over welke punten volgens [gedaagden] (minimaal) overeenstemming zou moeten worden bereikt. Dat hebben [gedaagden] nagelaten.\n\n4.17.. \n\nTer zitting hebben [gedaagden] nog opgemerkt dat de brief uitsluitend is overeengekomen zodat ‘ [eisers] een verhaal zouden hebben bij de gemeente’. [eisers] hebben dit ter zitting betwist en [gedaagden] hebben niet nader toegelicht wat zij hiermee bedoelen. Deze stelling wordt daarom gepasseerd.\n\nDe bepaalbaarheid en de uitvoerbaarheid\n\n4.18.. In artikel 6:227 BW is bepaald dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn. Bepaalbaar zijn de verbintenissen, wanneer de vaststelling naar van tevoren vaststaande criteria en zo nodig mede naar de eisen van redelijkheid en billijkheid kan geschieden. Aan de bepaalbaarheid worden niet al te strenge eisen gesteld.\n\n4.19.. \n\nTussen partijen staat niet ter discussie dat in de brief (zie overweging 2.15) het volgende is bepaald over de door [eisers] te leveren woningen:\n\n“(…) De koopprijs bestaat voorts uit de levering van koper aan verkoper, om niet, bij eerste oplevering van woningen op het perceel, van 20 middenhuur-woningen van minimaal 100 m2 go, op een kavel van minimaal 110 mr en met Woningborg kwaliteitsniveau (inclusief (fietsen)berging, toilet beneden, toilet en douche boven, basisopstelling keukenmeubel zonder apparatuur, betegeling sanitaire ruimten, behangklaar, cementdekvloer o.g.). Levering van deze woningen vindt fiscaal optimaal plaats (beoogd: betreffende percelen blijven op het moment van levering achter bij verkoper en worden door koper bebouwd).(…)”.\n\n4.20.. \n [eisers] hebben onweersproken gesteld dat het Woningborg kwaliteitsniveau op detailniveau voorschrijft aan welke eisen een nieuwbouwwoning moet voldoen en dat het Woningborg kwaliteitsniveau van toepassing is op de aan [gedaagden] te leveren woningen, zodat dat komt vast te staan.\n\n4.21.. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verbintenis van [eisers] om 20 middenhuur-woningen te leveren aan [gedaagden] aan de hand van de in de brief opgenomen en derhalve vooraf vaststaande criteria voldoende bepaalbaar is. Immers bestaat geen twijfel over het aantal te leveren woningen, staat niet ter discussie dat de woningen gebouwd moeten worden op de landbouwgrond en is aan de hand van de in de brief vastgestelde criteria, waaronder het Woningborg kwaliteitsniveau, en zo nodig mede naar de eisen van redelijkheid en billijkheid vast te stellen aan welke eisen de woningen ten minste moeten voldoen. Ook volgt uit de brief dat de woningen worden geleverd bij eerste oplevering van woningen op de landbouwgrond.\n\n4.22.. Aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren meer in detail had kunnen worden uitgewerkt en dat bepaalde aspecten summier of niet geregeld zijn. Dat brengt op zichzelf echter niet mee dat de verbintenis in haar huidige vorm niet voldoende bepaalbaar is. Dat in de brief niet alle fiscale consequenties uitputtend worden geregeld en [gedaagden] nog vragen hadden over onder meer overdrachtsbelasting en btw, zoals [gedaagden] onweersproken hebben gesteld, maakt dat niet anders. Zoals [eisers] onweersproken hebben gesteld, bevat de brief immers afspraken op hoofdlijnen over de fiscale aspecten. Zo dient levering van de landbouwgrond fiscaal optimaal plaats te vinden en bovendien volgt uit de brief dat de koopprijs exclusief belastingen is en dat de woningen ‘om niet’ worden geleverd aan [gedaagden] , zodat de fiscale implicaties ter zake de koopprijs en de levering van de woningen [gedaagden] niet raken. Dat de wijze waarop de woningen uiteindelijk aan [eisers] geleverd worden – door het bebouwen van landbouwgrond die bij [gedaagden] is achtergebleven of door het terugleveren van bebouwde grond – niet is geregeld in de brief, zoals [gedaagden] onweersproken hebben gesteld, is niet van belang voor de beantwoording van de vraag of de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren voldoende bepaalbaar is. Het is immers in beginsel aan [eisers] om te bepalen op welke wijze zij de op hun rustende verbintenissen nakomen. Dat geldt ook voor de verbintenis om 20 middenhuur-woningen te leveren aan [gedaagden]\n\n4.23.. Voor zover [gedaagden] hebben gesteld dat het object van koop niet voldoende bepaalbaar is, worden zij daarin niet gevolgd. Op [gedaagden] rust immers de verbintenis om de landbouwgrond te leveren (zie overweging 2.1 en 2.15). Dat de nakoming door [eisers] van de op hun rustende verbintenis om de woningen te leveren aan [gedaagden] eventueel meebrengt dat een deel van de landbouwgrond bij [gedaagden] ten behoeve van de bebouwing achterblijft of bebouwd wordt teruggeleverd, doet daar niet aan af.\n\nDe conclusie\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat tussen [eisers] en [gedaagden] een koopovereenkomst tot stand is gekomen zoals overgelegd als productie 9 bij dagvaarding. [gedaagden] hebben geen verweer gevoerd tegen het onderzoek naar de staat van de landbouwgrond dat [eisers] willen (laten) uitvoeren. Dit betekent dat in conventie de primaire vorderingen onder I, II en III van [eisers] zullen worden toegewezen.\n\n4.25.. \n [eisers] hebben in verband met hetgeen zij in conventie hebben gevorderd beslag laten leggen op de landbouwgrond. [gedaagden] hebben gesteld dat dit beslag onrechtmatig is. Uit hetgeen in conventie is overwogen, volgt dat de primaire vorderingen van [eisers] zullen worden toegewezen. Het beslag is dus niet onrechtmatig. De vorderingen van [gedaagden] in reconventie zullen daarom worden afgewezen.\n\n(Proces)kosten\n\n4.26.. De rechtbank begrijpt dat [eisers] de beslagkosten van [gedaagden] willen vorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 344,52 en € 98,32 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 614,00 voor salaris advocaat, derhalve in totaal € 1.744,84.\n\n4.27.. \n [gedaagden] zijn in conventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden in conventie begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,37\n\n- griffierecht\n\n€\n\n688,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.228,00\n\n(2 punten × € 614,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n178,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.206,37\n\n4.28.. \n [gedaagden] zijn in reconventie eveneens in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden in reconventie begroot op € 614,00 (1 punt x € 614,00).\n\n4.29.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.30.. De veroordeling in conventie en in reconventie wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat dat tussen [eisers] enerzijds en [gedaagden] anderzijds op 25 november 2021 een koopovereenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] ), kadastraal bekend als [perceel 1] , welke koopovereenkomst woordelijk is opgenomen in productie 9 van de dagvaarding,\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot nakoming van de onder 5.1 genoemde koopovereenkomst door het perceel landbouwgrond, gelegen te [plaats] , kadastraal bekend als [perceel 1] conform de bepaling van de onder 5.1 genoemde koopovereenkomst aan [eisers] te leveren, tegen ontvangst van de in de koopovereenkomst bepaalde koopprijs en [eisers] toe te laten de benodigde onderzoeken te verrichten;\n\n5.3.. bepaalt dat, indien [gedaagden] niet aan de onder 5.2 genoemde veroordeling voldoen, dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van [gedaagden] voor de medewerking aan het opmaken en passeren van de notariële leveringsakte en de toestemming om het perceel te betreden voor de benodigde onderzoeken;\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.744,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.206,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nin reconventie\n\n5.9.. wijst het gevorderde af,\n\n5.10.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 614.00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.11.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.12.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de proceskostenveroordeling.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:2790","ecli-nl-rbgel-2025-2790",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]