[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-2522":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-2522":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1779","ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","",68,"Zutphen","zutphen","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F450470 \u002F HZ ZA 25-105\n\nVonnis van 25 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser] ,\n\nadvocaat: mr. J.W. Verhoeven,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE ZUTPHEN,\n\nte Zutphen,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. N.D. Niederer.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [de eiser] heeft in 2021 het door brand verwoeste rijksmonument [het rijksmonument] in [naamplaats] gekocht. Hij wil het pand restaureren en vervolgens gaan exploiteren. Daarvoor heeft hij bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd. [de eiser] is van mening dat de gemeente niet tijdig op zijn vergunningaanvraag heeft beslist en dat – onder andere om die reden – sprake is van onrechtmatig handelen door de gemeente. [de eiser] vordert onder meer de veroordeling van de gemeente tot betaling van een schadevergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onrechtmatig handelen van de gemeente. De rechtbank wijst de vorderingen van [de eiser] af.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 23 juli 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 januari 2026.\n\n2.2.. \n\nTen slotte heeft de rechtbank bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [het rijksmonument] (hierna: [het rijksmonument] ) is een van rijkswege beschermd monument aan de [het adres] in [naamplaats]. [het rijksmonument] dateert uit de zeventiende eeuw. In de twintigste eeuw en begin eenentwintigste eeuw werd het gebruikt als woning, makelaarskantoor en café.\n\n3.2.. Op 24 april 2020 is [het rijksmonument] door brand verwoest. Sinds de brand staan alleen de muren nog overeind. Het gehele interieur en het dak is verloren gegaan.\n\n3.3.. \n [de eiser] heeft het plan opgevat om [het rijksmonument] te restaureren en vervolgens te exploiteren. Daarvoor is een omgevingsvergunning nodig. Op 16 april 2021 heeft [de eiser] per e-mail aan de gemeente laten weten dat hij een omgevingsvergunning wilde aanvragen voor de verbouw van [het rijksmonument] (productie 1d bij dagvaarding).\n\n3.4.. \n\nBij e-mail van 10 augustus 2021 (productie 3 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de gemeente zijn plan voor [het rijksmonument] gestuurd. Boven de meegestuurde brief staat: “Betreft:Aanvraag Omgevingsvergunning [het rijksmonument] (Fase 1 – vooroverleg).” De brief luidt verder onder meer als volgt:\n\n“(…) Zoals met u besproken hebben wij de stukken nog niet ge-upload op het OLO. We hebben besproken dat via de e-mail het informele vooroverleg met u, het Gelders Genootschap en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) beter doorlopen kan worden.\n\n(…)\n\nWij hopen met deze brief en de bijbehorende stukken u een goed beeld te hebben gegeven van ons plan en onze ambities. Wij zien uit naar een inspirerende samenwerking en realisatie traject. Wat ons betreft treden wij binnenkort in overleg. Wij zien er naar uit!”\n\n3.5.. Bij e-mail van 17 augustus 2021 (productie 5 bij antwoord) heeft de gemeente de ontvangst van de “aanvraag vooradvies” aan [de eiser] bevestigd.\n\n3.6.. Op 10 september 2021 is het plan van [de eiser] besproken in een overleg van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie (RKC).\n\n3.7.. \n\nBij e-mail van 28 september 2021 (productie 5 bij dagvaarding) heeft [de eiser] het preadvies van RCE en RKC van 24 september 2021 ontvangen. Het pre-advies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…) Allereerst is er veel waardering voor de initiatiefnemers om deze grote uitdaging aan te gaan. De toekomstige functies van een beheerderswoning met een logiesfunctie sluiten goed aan bij de oorspronkelijke functie van [het rijksmonument] . Over het algemeen kan worden gesteld dat in het voorliggende plan nog niet voldoende uit is gegaan van het herstel van de oorspronkelijke opzet van voor de brand. Er is nu wat te veel vrijheid genomen voor het doorvoeren van wijzigingen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Het advies is om de oorspronkelijke hoofdvorm als uitgangspunt te nemen. Het is daarbij mogelijk om afgewogen accenten te wijzigen, daarbij volgen wij de principes van de Restauratieladder. In de brief van de RCE van 23 juli 2020 zijn eveneens de uitgangspunten benoemd voor het handhaven van de rijksmonumentenstatus.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende aandachtspunten:\n\n(…)”\n\n3.8.. Op 31 december 2021 heeft de levering van [het rijksmonument] aan [de eiser] plaatsgevonden.\n\n3.9.. \n\nOp 3 januari 2022 heeft [de eiser] een aangepast plan bij de gemeente ingediend (productie 6 bij dagvaarding). Daarin staat onder meer:\n\n“(…) Met deze brief ontvangt u een bijgewerkte set voor het vooroverleg Omgevingsvergunning.(…)”\n\n3.10.. Bij e-mail van 11 januari 2022 (productie 7 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan (de casemanager van) de gemeente gevraagd of het plan past binnen het bestemmingsplan en heeft hij gevraagd om een spoedig advies.\n\n3.11.. Vanaf 16 januari 2022 bestond bij [de eiser] het vermoeden van noodzaak tot funderingsherstel. [de eiser] heeft sonderingen laten verrichten door een deskundige. De uitkomst daarvan was dat funderingsherstel noodzakelijk is.\n\n3.12.. Bij e-mail van 28 januari 2022 (productie 8 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] laten weten dat het plan nog niet is besproken met de planoloog en dat het zal worden behandeld tijdens de vergadering van de RCE en RKC op 17 februari 2022.\n\n3.13.. \n\nBij e-mail van 2 februari 2022 (productie 9 bij dagvaarding) heeft [de eiser] aan de casemanager onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nVooroverleg \u002F omgevingsvergunning\n\nWij zijn sinds augustus 2021 al in een vooroverleg situatie. Ik heb op 2 januari 2022 nieuwe stukken gezonden, waarin de kritiekpunten van commissie verwerkt zijn. Jij gaf aan dat 17 februari 2022 de eerste mogelijkheid is voor behandeling in de commissie. Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen. Je gaf ook aan mogelijk niet om een uitgebreide procedure heen te kunnen. Ik ben hier ongerust over. Ik ben bezorgd dat er een lang vooroverleg traject en een uitgebreide procedure beiden noodzakelijk zijn. Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen. Maar we hebben er allemaal niets aan als door capaciteitsproblemen bij gemeente er een bericht van uitstel komt. Wat kan de gemeente mij nu bieden qua prioritering?\n\n(…)”\n\n3.14.. Op 16 februari 2022 heeft [de eiser] het ondernemingsplan ingediend (productie 10 bij dagvaarding). Uitgangspunt van het ondernemingsplan is zeven à acht “verhuurbare eenheden” (woonstudio’s).\n\n3.15.. \n\nNaar aanleiding van het aangepaste plan van [de eiser] (zie 3.9) hebben de RCE en RKC op 21 februari 2022 een nieuw preadvies uitgebracht (productie 11 bij dagvaarding). Dit preadvies luidt onder meer als volgt:\n\n“(…)\n\nOpnieuw wordt waardering uitgesproken voor het aangaan van deze uitdaging en voor de zorgvuldige aanpak. Ook is er veel waardering voor de stappen die sinds de vorige bespreking zijn gezet.\n\nMet betrekking tot het plan hebben de adviseurs de volgende opmerkingen en aandachtspunten:\n\n(…)\n\nAl met al zijn er goede stappen gezet richting een passende en zorgvuldige herbestemming van dit rijksmonument. De adviseurs zien de verdere uitwerking dan ook met vertrouwen tegemoet.\n\n(…)”\n\n3.16.. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend via het Omgevingsloket Online (OLO).\n\n3.17.. \n\nOp diezelfde datum heeft de gemeente een ontvangstbevestiging aan [de eiser] gestuurd (productie 8 bij antwoord). Daarin staat onder meer vermeld:\n\n“(…)\n\nVia www.omgevingsloket.nl hebben wij op 22 februari 2022 uw aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen.(…)”\n\n3.18.. Op 15 maart 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde intaketafel. De intaketafel is een beoordeling door de gemeente van een initiatief dat niet past binnen de regels van het destijds geldende bestemmingsplan. De intaketafel leidt tot een standpunt over de wenselijkheid van het initiatief, de eventuele medewerking en het vervolgproces. In dit geval heeft de intaketafel het standpunt ingenomen dat het initiatief van [de eiser] wenselijk is, maar dat er wel aandachtspunten zijn voor de uitwerking.\n\n3.19.. Op 3 mei 2022 is het plan\u002Fde aanvraag besproken door de zogenoemde omgevingstafel. De omgevingstafel is een overlegvorm voor initiatieven waarvan bij het intaketafelgesprek is geoordeeld dat zij onder voorwaarden mogelijk zijn te realiseren. Aan de omgevingstafel worden de voorwaarden besproken om tot een complete vergunningaanvraag en haalbaar initiatief te komen.\n\n3.20.. Bij e-mail van 18 mei 2022 (productie 12 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] meegedeeld dat het plan is beoordeeld door de omgevingstafel en dat men daar enthousiast is over de ontwikkeling. In de e-mail staat verder dat er vanuit het planologische traject enkele aandachtspunten zijn en dat nader onderzoek is vereist.\n\n3.21.. Bij e-mail van 24 mei 2022 (productie 13 bij dagvaarding) heeft de casemanager aan [de eiser] het verslag toegestuurd van het overleg van de omgevingstafel. In dat verslag staat dat voor het initiatief van [de eiser] onder andere advies nodig is op het gebied van stedenbouw\u002Fruimtelijke ordening, economische zaken\u002Frecreatie en toerisme, cultuurhistorie\u002Ferfgoed, archeologie, landschappelijk\u002Fstedelijk groen\u002Fopenbare ruimte\u002Fecologie, verkeer\u002Fparkeren, bodem en geluid. In de begeleidende mail staat dat nog inzicht moet komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat [de eiser] daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moet aanleveren met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets. De e-mail vermeldt ook dat de uitgebreide aanvraagprocedure van toepassing is.\n\n3.22.. Op 7 juli 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente over de noodzaak van funderingsherstel.\n\n3.23.. Bij e-mail van 17 augustus 2022 heeft [de eiser] een ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 naar de gemeente gestuurd (productie 9 bij antwoord). Deze ruimtelijke onderbouwing gaat uit van elf kamers in totaal, waarvan tien kamers in het hoofdgebouw en één kamer in het bijgebouw.\n\n3.24.. Op 6 september 2022 is het plan van [de eiser] opnieuw besproken aan de omgevingstafel. Het verslag van deze bijeenkomst (productie 11 bij antwoord) maakt melding van enkele aandachtspunten. Onder meer staat in het verslag dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan.\n\n3.25.. Op 6 oktober 2022 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] , de gemeente, de RKC en de RCE. [de eiser] heeft toen een presentatie gegeven over zijn plan voor [het rijksmonument] (productie 12 bij antwoord). Onderdeel van die presentatie is een tijdlijn van het vergunningtraject. In die tijdlijn staat onder meer vermeld: “Aanvraag vooroverleg 10 augustus 2021” en “Indiening OLO 22 februari 2022”.\n\n3.26.. Bij e-mail van 6 oktober 2022 (productie 13 bij antwoord) is aan [de eiser] verzocht om de RCE van documenten te voorzien waaruit blijkt dat zal worden voldaan aan het Bouwbesluit 2012 (met name de constructieve veiligheid, brandveiligheid en ventilatie). [de eiser] heeft vervolgens documentatie opgesteld waarin een toetsing aan het Bouwbesluit 2012 is opgenomen (productie 14 bij antwoord).\n\n3.27.. Bij brief van 5 december 2022 (productie 13a bij dagvaarding) heeft [de eiser] de gemeente geïnformeerd over de aanpassingen die hij heeft gedaan naar aanleiding van het overleg van 6 oktober 2022. Het funderingsontwerp is aangepast, er is een wijziging aangebracht in de uitvoering – metselwerk is vervangen door beton – en een actueel geotechnisch advies is bijgevoegd. [de eiser] heeft de gemeente met klem verzocht mee te werken aan een afsluiting, liefst met goedkeuring, voor kerst 2022.\n\n3.28.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] een gewijzigde ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (productie 15 bij antwoord). Deze gaat uit van zeventien kamers in totaal, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het gebouw waar de spa zal worden gerealiseerd.\n\n3.29.. Op 2 januari 2023 heeft de RCE onvoorwaardelijk akkoord gegeven op het funderingsherstel.\n\n3.30.. Op 24 januari 2023 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. Het verslag van dat overleg (productie 16 bij antwoord) vermeldt onder meer dat de ruimtelijke onderbouwing nog op enkele punten moet worden aangepast. Zo heeft de gemeente opgemerkt dat de toevoeging van extra kamers niet met haar is afgestemd of door haar is goedgekeurd en tot gevolg heeft dat extra parkeerplaatsen nodig zijn, en dat het parkeren op eigen terrein vorm moet krijgen met één inrit terwijl nu twee inritten staan ingetekend. Verder heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat zij niet wil meewerken aan een standplaats voor buitenverkoop. Ook moet er inzicht komen in de parkeersituatie en erfinrichting en moet er een goede ruimtelijke onderbouwing komen, met akoestisch onderzoek, archeologisch vooronderzoek, quick scan flora en fauna en een watertoets. [de eiser] heeft op zijn beurt aangegeven dat er een tiende parkeerplaats moet komen, op gemeentegrond, en dat hij graag twee inritten wil. Verder heeft [de eiser] kenbaar gemaakt dat het buitenverkooppunt belangrijk is voor de financiële haalbaarheid van het plan en dat “over een tijd” een ecologisch onderzoek volgt naar uilen en later naar vleermuizen en marterachtigen.\n\n3.31.. Op 31 januari 2023 heeft de RCE een integraal advies uitgebracht (productie 18 bij antwoord). De RCE is op hoofdlijnen akkoord met het plan voor wat betreft erfgoedaspecten. Het advies is positief onder een aantal voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat nog een maquette\u002F3D-beeld van het wellnessgebouw wordt voorgelegd ter advisering.\n\n3.32.. Op 2 februari 2023 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente. De gemeente heeft daarbij aan [de eiser] onder meer laten weten dat het maximaal aantal kamers in het hoofdgebouw twaalf stuks is en dat in de bijgebouwen geen kamers mogen worden gerealiseerd. Verder moet worden geparkeerd op eigen terrein en met één inrit en moet het buitenverkooppunt uit de ruimtelijke onderbouwing worden gehaald. De onderbouwing van het stikstofaspect is volgens de gemeente onvoldoende. Ten slotte heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten hoe het ecologisch aspect in kaart moet worden gebracht en dat de watertoets moet worden gevolgd bij Waterschap Vallei en Veluwe.\n\n3.33.. Naar aanleiding van het overleg op 2 februari 2023 is een interne memo opgesteld voor de portefeuillehouder van de gemeente (productie 19 bij antwoord). Daarin staat vermeld dat nog niet alle onderzoeken zijn aangeleverd die horen bij de ruimtelijke onderbouwing, zoals ecologisch onderzoek. Bovendien is de ruimtelijke onderbouwing op 8 december 2022 door het toevoegen van meerdere kamers zodanig gewijzigd dat dit leidt tot een vergrote intensiteit op het perceel, die onwenselijk wordt geacht. Volgens het memo neemt de gemeente het standpunt in dat in het hoofdgebouw maximaal twaalf kamers zijn toegestaan en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw.\n\n3.34.. Bij e-mail van 3 februari 2023 (productie 20 bij antwoord) heeft [de eiser] aan de gemeente meegedeeld dat de vier kamers in het spagebouw en de suite in de oude stal nodig zijn voor een haalbare businesscase en dat [het rijksmonument] zonder deze vijf kamers niet haalbaar is.\n\n3.35.. Bij e-mail van 9 februari 2023 (productie 21 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat de gemeente blijft bij het standpunt dat twaalf kamers in het hoofdgebouw en één (mindervalide)kamer in het bijgebouw passend en verantwoord is. De gemeente heeft aan [de eiser] geadviseerd om voor dit deel het vergunningtraject in te gaan en de ruimtelijke onderbouwing aan te passen, zodat [de eiser] kan starten met de opbouw. Daarnaast heeft de gemeente [de eiser] geadviseerd om voor een eventuele uitbreiding op dit plan – de kamers in de bijgebouwen – een apart traject te starten en een vooradvies in te dienen, met daarbij een passend participatietraject voor de buurt.\n\n3.36.. Bij brief van 17 februari 2023 (productie 22 bij antwoord) heeft [de eiser] zijn ongenoegen geuit en de gemeente in gebreke gesteld “wegens het ook op dit onderdeel ongefundeerd opvoeren van niet bestaande nadelige effecten van het voorliggende ontwerp op de leefomgeving. Ik verwacht van uw gemeente datuiterlijk op maandag 19 februari 2023 om 14:00 uur schriftelijk aan mij is bevestigd dat er geen nadelige verkeer-aantrekkende werking optreedt en als u dat niet doet in ieder geval uiterlijk op dat moment met een concrete, geobjectiveerde en verifieerbare weerlegging van onze argumentatie aanlevert.”\n\n3.37.. \n\nBij brief van 20 februari 2023 (productie 23 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college van burgemeester en wethouders onder meer geschreven:\n\n“(…) Wij zijn in een vooradviestraject gegaan met gemeente in maart 2021(…).”\n\nVerder vermeldt deze brief dat de vier kamers aan het eerdere plan zijn toegevoegd naar aanleiding van de dialoog met de RKC en RCE en de veranderde wereld, zoals de oorlog in Oekraïne en de daarmee veranderde economische situatie (gestegen (bouw)kosten, gewijzigd investeringsklimaat en veranderend consumentengedrag, wat leidde tot een “substantieel uitdagender businesscase”).\n\n3.38.. Bij brief van 21 februari 2023 (productie 16 bij dagvaarding) aan de gemeente heeft [de eiser] zich op het standpunt gesteld dat het proces om te komen tot een omgevingsvergunning buitengewoon moeizaam is gebleken, met onverantwoord lange doorlooptijden en enorme vertragingen tot gevolg. [de eiser] heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het handelen van de gemeente stelt te hebben geleden en nog steeds lijdt. Eén van de verwijten van [de eiser] aan de gemeente is dat de gemeente ten onrechte geen extra kamers\u002Fsuites heeft toegestaan, terwijl minimaal zestien kamers\u002Fsuites nodig zijn voor een sluitende businesscase.\n\n3.39.. Bij brief van 13 maart 2023 (productie 24 bij antwoord) heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze gaat uit van tien kamers in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in de spa. De ruimtelijke onderbouwing maakt melding van een peiling die is gehouden in de buurt, waaruit blijkt dat de omwonenden positief zijn over de plannen en het een goede ontwikkeling vinden in de wijk. Ook bevat de ruimtelijke onderbouwing een watertoets, stikstoftoets en ecologische toets.\n\n3.40.. Bij e-mail van 15 maart 2023 (productie 13b bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] laten weten dat zij zou overgaan tot het gereedmaken van de omgevingsvergunning.\n\n3.41.. Bij e-mail van 22 maart 2023 (productie 14 bij dagvaarding) heeft de gemeente aan [de eiser] verzocht om een planschadeovereenkomst te ondertekenen en om vragenformulieren in te vullen in het kader van een toets aan de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur).\n\n3.42.. Bij e-mail van 24 mei 2023 (productie 25 bij antwoord) heeft de gemeente aan [de eiser] de laatste actiepunten gestuurd die nog moeten worden uitgevoerd voordat de gemeente op de aanvraag kan beslissen. Het gaat om het aanleveren van de benodigde informatie voor de Bibob-toetsing, het aanleveren van de ondertekende planschadeovereenkomst, het verwerken van de laatste aanpassingen en opmerkingen op het gebied van brandveiligheid en het verwerken van de erfgoedkundige voorwaarden.\n\n3.43.. Op 30 mei 2023 heeft [de eiser] een planschadeovereenkomst ondertekend en naar de gemeente gestuurd (productie 26 bij antwoord).\n\n3.44.. Op 1 juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [de eiser] en de gemeente (productie 28 bij antwoord). Daarin heeft [de eiser] aangegeven dat de omgevingsvergunning een voorwaarde is voor de aanvraag van een hypotheek bij het Nationaal Restauratiefonds en de aanvraag van een subsidie bij de provincie Gelderland.\n\n3.45.. Op 26 juni 2023 hebben de RCE en RKC een positief definitief advies uitgebracht (productie 32 bij antwoord). Aan het advies zijn enkele bouwkundige voorwaarden verbonden.\n\n3.46.. Op 14 juli 2023 heeft de gemeente het ontwerpbesluit ter inzage gelegd (productie 33 bij antwoord). Onderdeel van het ontwerpbesluit is de ruimtelijke onderbouwing van 13 maart 2023, die betrekking heeft op het realiseren van vijftien kamers. Aan de vergunningverlening is de opschortende voorwaarde verbonden dat [de eiser] de gegevens overlegt waarmee het Bibob-onderzoek kan worden verricht (productie 29 bij antwoord).\n\n3.47.. Op 24 augustus 2023 heeft [de eiser] een zienswijze op het ontwerpbesluit ingediend (productie 34 bij antwoord). Daarin heeft hij de gemeente verzocht om de woonfunctie te handhaven voor alle huisnummers op het perceel met het oog op de woonhuissubsidie, voorschrift c over het overleg over de uitvoeringswerkzaamheden te schrappen en medewerking toe te zeggen aan ‘plan B’ (slopen en nieuwbouw).\n\n3.48.. Bij brief van diezelfde datum (productie 36 bij antwoord) heeft [de eiser] aan het college onder meer geschreven dat tijdens het vooroverleg in de periode van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is opgetreden “door slecht vooroverleg”.\n\n3.49.. Op 31 oktober 2023 heeft de gemeente de omgevingsvergunning aan [de eiser] verleend (productie 18 bij dagvaarding). Naar aanleiding van de zienswijze van [de eiser] zijn ten opzichte van het ontwerpbesluit tekstuele aanpassingen gedaan, maar geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht.3.50.. De omgevingsvergunning is door het ongebruikt verstrijken van de beroepstermijn onherroepelijk geworden.\n\n3.51.. Bij brief van 20 december 2023 (productie 19 bij dagvaarding) heeft [de eiser] een wethouder van de gemeente verzocht om rectificatie van onjuiste, schadelijke uitlatingen die de wethouder in raadsvergaderingen en de media zou hebben gedaan over [de eiser] en het project. Daarnaast heeft [de eiser] in de brief uiteengezet dat en op welke wijze de gemeente volgens hem in het vergunningtraject zeer onzorgvuldig en onjuist jegens hem heeft gehandeld, waardoor forse vertragingsschade is ontstaan die de gemeente moet vergoeden.\n\n3.52.. Bij brief van 29 mei 2024 (productie 26 bij dagvaarding) heeft (de advocaat van) de gemeente aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n3.53.. \n [de eiser] is tot op heden niet met de bouwwerkzaamheden begonnen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [de eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [de eiser] door niet tijdig op de aanvraag voor een omgevingsvergunning te beslissen;\n\nII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de schade die [de eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden, door [de eiser] begroot op € 1.087.692,00 inclusief btw (€ 898.919,00 exclusief btw), althans tot vergoeding van een door de rechtbank te bepalen bedrag;\n\nIII. de gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 6.775,00 exclusief btw, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;\n\nIV. de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.\n\n5. De beoordeling\n\nDe vorderingen van [de eiser] worden afgewezen\n\n5.1.. De rechtbank zal de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot die beslissing komt.\n\nEr geldt een beslistermijn van maximaal zes maanden na ontvangst van de aanvraag\n\n5.2.. Op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is de reguliere of de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Partijen zijn het er op zichzelf over eens dat in dit geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Op grond van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt daarbij een beslistermijn van maximaal zes maanden (26 weken), die ingaat op de dag na de ontvangst van de aanvraag. Deze beslistermijn kan eenmalig met zes weken worden verlengd (artikel 3.12 lid 8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze destijds gold).\n\nDe beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022\n\n5.3.. De wettelijke beslistermijn voor de gemeente is ingegaan op 23 februari 2022. Op 22 februari 2022 heeft [de eiser] immers de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend via het daarvoor bestemde OLO (zie 3.16) en heeft de gemeente de ontvangst van de aanvraag aan hem bevestigd (zie 3.17).\n\n5.4.. Het standpunt van [de eiser] , dat hij de aanvraag heeft gedaan op 10 augustus 2021 en dat de beslistermijn toen is ingegaan, snijdt geen hout. Met de e-mail die [de eiser] op die dag naar de gemeente heeft gestuurd, heeft hij geen aanvraag gedaan, maar een document ingediend ten behoeve van een vooroverleg. Zo omschrijft [de eiser] het zelf en zo heeft de gemeente het ook opgevat zoals blijkt uit de ontvangstbevestiging van 17 augustus 2021 (zie 3.4 en 3.5). Ook in het aangepaste plan dat [de eiser] op 3 januari 2022 bij de gemeente heeft ingediend en in zijn e-mail van 2 februari 2022 aan de casemanager spreekt hij van “vooroverleg” (zie 3.9 en 3.13). In die e-mail schrijft [de eiser] verder: “Deze lange aanlooptijd zou de indiening en doorlooptijd van de vergunning moeten bespoedigen.(…)Ik ben geneigd dan maar een omgevingsvergunning op te starten, dan gaat de formele procedure tenminste lopen.” Van een formele aanvraag en procedure was toen dus ook volgens [de eiser] zelf nog geen sprake. Ook uit andere communicatie van [de eiser] met de gemeente blijkt dat volgens [de eiser] op 10 augustus 2021 nog geen sprake was van een aanvraag. In de presentatie die [de eiser] op 6 oktober 2022 heeft gegeven aan de RCE, RKC en de gemeente (zie 3.25), heeft hij in een tijdlijn van het vergunningtraject vermeld dat op 10 augustus 2021 een vooroverleg is aangevraagd en dat op 22 februari 2022 een indiening via het OLO heeft plaatsgevonden. Verder heeft [de eiser] in zijn brief van 20 februari 2023 aan het college (zie 3.37) geschreven dat sprake was van een vooradviestraject vanaf maart 2021. En in zijn brief van 24 augustus 2023 (zie 3.48) aan het college heeft [de eiser] geschreven dat tijdens het vooroverleg van 10 augustus 2021 tot en met 22 februari 2022 vertraging is ontstaan doordat één en ander niet voortvarend zou zijn opgepakt. Gezien het voorgaande heeft [de eiser] op 10 augustus 2021 geen aanvraag gedaan.\n\n5.5.. Het primaire standpunt van de gemeente, dat de beslistermijn is ingegaan op 13 maart 2023 omdat toen pas sprake was van een volledige aanvraag, houdt evenmin stand. Dat de aanvraag op 22 februari 2022 nog niet compleet was en dat [de eiser] eerst nog aanvullende gegevens moest aanleveren voordat de gemeente een inhoudelijke beslissing kon nemen, maakt – anders dan de gemeente betoogt – niet dat de beslistermijn niet op de daaropvolgende dag is ingegaan.\n\n5.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wettelijke beslistermijn is ingegaan op 23 februari 2022, de dag nadat [de eiser] de aanvraag heeft ingediend via het OLO.\n\nDe beslistermijn is met veertien maanden overschreden\n\n5.7.. De beslistermijn is in dit geval zes maanden (artikel 3:18 Awb) en is begonnen op 23 februari 2022. De beslistermijn eindigde dus in beginsel op 24 augustus 2022. De vergunning is afgegeven op 31 oktober 2023. Dat is (ruim) veertien maanden te laat.\n\nDe overschrijding van de beslistermijn is niet onrechtmatig\n\n5.8.. De enkele omstandigheid dat een bestuursorgaan een besluit neemt met overschrijding van de wettelijke beslistermijn, is onvoldoende voor het oordeel dat daarmee onrechtmatig wordt gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die meebrengen dat het bestuursorgaan, door pas na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn een besluit te nemen, in strijd handelt met de in het maatschappelijk verkeer jegens een belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de mate waarin de beslistermijn wordt overschreden, de oorzaak of oorzaken van de termijnoverschrijding en de voor het bestuursorgaan kenbare belangen van de betrokken belanghebbenden.Een beslistermijn strekt er in de eerste plaats toe het bestuursorgaan met voortvarendheid te laten beslissen en voor betrokkenen duidelijkheid te scheppen op welke termijn de beslissing is te verwachten. De wettelijke beslistermijn beoogt niet zonder meer om ook te beschermen tegen mogelijke schade die voor een belanghebbende kan ontstaan bij uitblijven van de beslissing binnen die termijn.\n\n5.9.. In het in voetnoot 2 genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad verder dat het erom gaat of de overschrijding van de beslistermijn in het licht van de omstandigheden van het geval in redelijkheid aanvaardbaar was. Bij de beoordeling of een termijnoverschrijding al dan niet onrechtmatig is, komt gewicht toe aan de mogelijkheid die het bestuursorgaan heeft om een termijn te verlengen. Of van die mogelijkheid gebruik is gemaakt, is daarbij niet doorslaggevend. Bij de beoordeling van de onrechtmatigheid kan niet zonder meer voorbij worden gegaan aan de omstandigheid dat, hoewel geen formele verlenging van de termijn heeft plaatsgevonden, de overschrijding van de termijn wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ had kunnen worden door verdaging. De Hoge Raad hecht belang aan het feit dat het voor betrokkene duidelijk was wanneer wel een besluit kon worden verwacht.\n\n5.10.. Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een onrechtmatige overschrijding van de beslistermijn. Daartoe overweegt zij het volgende.\n\n5.11.. Nadat de aanvraag op 22 februari 2022 was ingediend – en terwijl het traject bij de omgevingstafel gaande was – heeft de casemanager van de gemeente op 24 mei 2022 aan [de eiser] laten weten dat nog inzicht moest komen in het parkeren, de erfinrichting (inpassing van bebouwing en parkeren en groen op het erf in relatie tot de omgeving) en dat daarna een goede ruimtelijke onderbouwing moest worden opgesteld met de volgende onderzoeken: akoestisch onderzoek, archeologisch onderzoek, quick scan flora en fauna en watertoets (zie 3.21). Pas op 17 augustus 2022, dus bijna een half jaar na de aanvraag, heeft [de eiser] voor het eerst een ruimtelijke onderbouwing naar de gemeente gestuurd (zie 3.23). Uitgaande van de wettelijke beslistermijn van zes maanden\u002F26 weken had de gemeente daar dan binnen een week op moeten beslissen. Dat is niet reëel.\n\n5.12.. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld – en [de eiser] heeft op zichzelf niet weersproken – dat de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 zowel op planologisch gebied als op erfgoedkundig gebied onvoldoende was uitgewerkt om tot vergunningverlening over te gaan. Daarbij wijst de gemeente op het verslag van de omgevingstafel van 6 september 2022, waarin staat vermeld dat voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is dat de (deels) al aanwezige haag de toekomstige parkeerplaatsen afschermt en dat op de ingediende kaart niet duidelijk is waar de inrit naar het perceel is gesitueerd en hoe de parkeerplaatsen worden ontsloten in verband met een te behouden beuk. Verder vermeldt het verslag een aantal verbeteringen die moeten worden aangebracht op het gebied van parkeren, omdat de parkeernorm waarschijnlijk niet wordt gehaald en het aanleggen van parkeerplaatsen langs de openbare weg niet is toegestaan (zie 3.24). De gemeente heeft ook onweersproken aangevoerd dat bij de ruimtelijke onderbouwing van 12 augustus 2022 niet alle benodigde onderzoeken door [de eiser] zijn aangeleverd, terwijl hij daar wel op was gewezen in het eerste verslag van de omgevingstafel van 24 mei 2022. De watertoets, stikstoftoets en ecologische toets zijn pas in maart 2023 door [de eiser] aangeleverd (zie 3.39). Verder heeft [de eiser] pas in oktober 2022 een toetsing aan het Bouwbesluit laten uitvoeren (zie 3.26). Ook heeft [de eiser] na het overleg met de RKC en de RCE van 6 oktober 2022 nog aanpassingen doorgevoerd op erfgoedkundig gebied, zoals blijkt uit zijn brief aan de gemeente van 5 december 2022 (zie 3.27). Gelet op deze gang van zaken is de ontstane vertraging opgetreden aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om tot een complete vergunningaanvraag te komen ligt bij [de eiser] Hij kan de gemeente dan ook niet verwijten dat zij in 2022 nog geen besluit heeft genomen op de vergunningaanvraag en dus ook niet dat de wettelijke beslistermijn is overschreden in de periode van 22 augustus 2022 tot en met december 2022.\n\n5.13.. Op 8 december 2022 heeft [de eiser] bovendien een aangepaste ruimtelijke onderbouwing ingediend. Deze ging uit van zeventien (in plaats van elf) kamers, waarvan twaalf in het hoofdgebouw, één in het bijgebouw en vier in het spa-gebouw. Zowel op 24 januari 2023 (zie 3.30) als op 2 februari 2023 (zie 3.32) heeft de gemeente aan [de eiser] kenbaar gemaakt dat deze uitbreiding van het aantal kamers planologische gevolgen heeft waaraan de gemeente niet wil meewerken. Ook is [de eiser] er op gewezen dat nog steeds bepaalde onderzoeken niet zijn overgelegd terwijl [de eiser] er al op 24 mei 2022 over was geïnformeerd dat hij die onderzoeken moest aanleveren (zie 3.21). Tijdens het overleg op 24 januari 2023 heeft [de eiser] meegedeeld dat hij “over een tijd” ecologisch onderzoek zal laten verrichten naar uilen en later ook naar vleermuizen en marterachtigen. Ook hier is de vertraging ontstaan aan de zijde van [de eiser] De verantwoordelijkheid om de benodigde gegevens tijdig aan te leveren ligt bij hem. Hij kan de vertraging niet aan de gemeente tegenwerpen.\n\n5.14.. Op 13 maart 2023 heeft [de eiser] een nieuwe ruimtelijke onderbouwing overgelegd. Deze ging uit van vijftien kamers in totaal. Ook zijn daarbij de nog ontbrekende onderzoeken (watertoets, stikstoftoets en ecologische toets) aangeleverd (zie 3.39). Daarmee was de ruimtelijke onderbouwing van de aanvraag compleet. Na het definitieve akkoord van de RCE en RKC van 26 juni 2023 (zie 3.45) kon de gemeente positief op de aanvraag beslissen.\n\n5.15.. Gerekend vanaf 14 maart 2023 had de gemeente, uitgaande van de beslistermijn van zes maanden (26 weken), op 12 september 2023 een besluit moeten nemen. De vergunning is verleend op 31 oktober 2023. Dat is een zodanig geringe overschrijding van de beslistermijn dat deze geen onrechtmatig handelen van de gemeente oplevert.\n\n5.16.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [de eiser] op 24 augustus 2023 (de een-na-laatste dag van de termijn) zelf een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, dat op 14 juli 2023 ter inzage is gelegd. Ook deze handelwijze van [de eiser] heeft vertragend gewerkt op de besluitvorming. De rechtbank neemt bij het voorgaande ook de voor de gemeente kenbare belangen van [de eiser] in aanmerking. Deze kenbare belangen houden in dat [de eiser] , zoals hij aan de gemeente heeft meegedeeld, minimaal zestien kamers nodig heeft voor een sluitende businesscase en ook dat hij de vergunning nodig heeft om een hypotheek en subsidie te kunnen aanvragen. Wat daarvan verder ook zij, deze omstandigheden doen er niet aan af dat het op de weg van [de eiser] lag om de benodigde gegevens tijdig bij de gemeente aan te leveren.\n\n5.17.. Het enkele feit dat de gemeente de beslistermijn nooit (tussentijds) heeft verlengd, maakt het voorgaande niet anders. De termijnoverschrijding had immers wel (gedeeltelijk) ‘gedekt’ kunnen worden door verlenging van de termijn. De belangen afwegend komt de rechtbank tot de slotsom dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de gemeente. Aan een beoordeling van de gestelde schade komt de rechtbank dan niet toe.\n\nOok ‘in breder perspectief’ komt onrechtmatig handelen van de gemeente niet vast te staan\n\n5.18.. \n [de eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de handelwijze van de gemeente ook “in breder perspectief” onrechtmatig is, omdat de gemeente heeft gehandeld in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. In dat kader voert [de eiser] elf (vermeende) gedragingen van de gemeente op die onrechtmatig zouden zijn. De gemeente heeft hiertegen aangevoerd dat [de eiser] op dit punt niet heeft voldaan aan de stelplicht, omdat hij heeft nagelaten per (vermeende) onrechtmatige gedraging aan te geven tot welke schade en tot welk schadebedrag dit handelen heeft geleid. Dit verweer is gegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze grondslag komt de rechtbank niet toe.\n\n [de eiser] krijgt ongelijk en wordt veroordeeld in de proceskosten\n\n5.19.. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen van [de eiser] afwijzen. Wat partijen meer of anders hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.\n\n5.20.. \n [de eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van de gemeente op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n9.262,00\n\n(2 punten × € 4.631,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n16.312,00\n\n5.21.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [de eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 16.312,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms, mr. K.H.A. Heenk en mr. F.M.C. Boesberg en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.\n\nJE\u002FPB\u002FKH\u002FFB\n\n Vgl. Hoge Raad 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7040\n\n Vgl. Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7579","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2522","ecli-nl-rbgel-2026-2522",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]