[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-4272":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-4272":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1655","ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05.245487.25\n\nDatum uitspraak : 1 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geb. datum] 1979 in [geboorteplaats] (Polen),\n\nwonende aan de [adres] [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. B.G.M. Frencken, advocaat in 's-Hertogenbosch.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2016 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het been en\u002Fof knie, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel, stok en\u002Fof de platte hand en\u002Fof - (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof - aan de kleren en\u002Fof het lichaam van die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof - (met kracht) die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakken en\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 16 augustus 2020 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen, althans eenmaal, - die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fof been, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een stok en\u002Fof - die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof de wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 3zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks periode van 7 september 2014 tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel , en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) haar kind(eren), te weten a) [slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), en\u002Fof b) [slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, - uit te schelden, te kleineren en\u002Fof denigrerend toe te spreken met ‘rotkind’, ‘kurva’, ‘japig’, ‘je doet niks goed’, ‘je gaat niks bereiken’ en\u002Fof ‘je krijgt later een slechte baan’, althans woorden van gelijke aard en\u002Fof strekking en\u002Fof - getuige te doen zijn van huiselijk geweld (gericht tegen zijn broer(tje) en\u002Fof zijn\u002Fhun vader) en\u002Fof - zorg te onthouden door het niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof door het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding (verplicht als straf) buiten te laten verblijven en\u002Fof voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] (ondanks hun verzoek) niet de woning in te laten en\u002Fof - bloot te stellen aan verbaal agressief gedrag door tegen hem\u002Fhen te schreeuwen en\u002Fof - vrees en\u002Fof angst aan te jagen door een Bobo(k) masker op te zetten en\u002Fof te dreigen die voornoemde [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in een zak te steken\u002Fduwen en\u002Fof (een van) hen mee te nemen en\u002Fof - bloot te stellen aan (school)prestatiedruk door voornoemde [slachtoffer 1] dagelijks om 06:00 (zes) uur te wekken teneinde te leren, althans (school)prestatiedruk op voornoemde [slachtoffer 1] uit te oefenen, - een mes en\u002Fof tuinschaar in de handen te nemen en\u002Fof te dreigen de handen en\u002Fof tenen van voornoemde [slachtoffer 2] af te knippen en\u002Fof te dreigen de vingers van [slachtoffer 2] op het fornuis te leggen, althans woorden en\u002Fof gedragingen van gelijke dreigende aard, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] psychisch letsel heeft\u002Fhebben bekomen en\u002Fof een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording bij hem\u002Fhen is veroorzaakt en\u002Fof waardoor opzettelijk de (geestelijke) gezondheid van voornoemde [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] werd benadeeld.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder feit 1 tot en met 3.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De raadsman heeft betoogd dat de wijze waarop de kinderen zijn verhoord, sturend en suggestief is geweest en dat niet is uit te sluiten dat de kinderen werden beïnvloed omdat zij werden verhoord door voor hen bekende hulpverleners van Veilig Thuis. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat niet is uit te sluiten dat de kinderen in de tijd vanaf de melding bij de grootouders tot aan de verhoren zijn beïnvloed door derden. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn niet betrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen zou moeten leiden tot vrijspraak van feit 1 tot en met 3 aldus de raadsman.\n\nSubsidiair heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 erop gewezen dat verdachte ontkent dat er meer is gebeurd dan dat zij bij de politie en ter terechtzitting heeft erkend. Verdachte bestrijdt de verklaringen van haar kinderen die spreken over elke dag slaag en het meerdere keren slaan met stokken en kabels op de rug, benen of het hoofd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman erop gewezen dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zijn broertje [slachtoffer 2] erg veel fantasie heeft. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot gedachtestreepje 6 partieel nietig dient te worden verklaard, nu onvoldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten. Ten aanzien van gedachtestreepje 1, 3, 5 en 6 van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat deze handelingen geen psychische mishandeling opleveren. Tot slot heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde handelingen onder feit 3 niet kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOverwegingen over de betrouwbaarheid van de verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nDe raadsman heeft gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) niet betrouwbaar zijn en niet als bewijsmiddelen kunnen worden gebruikt. De rechtbank deelt dit standpunt niet en zal dit eerst toelichten voordat zij overgaat tot de bespreking van de verwijten.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren, ten tijde van het afleggen van hun verklaringen, respectievelijk 13 en 10 jaar oud. De rechtbank stelt voorop dat verklaringen van kinderen in het algemeen met behoedzaamheid dienen te worden beoordeeld, gelet op hun leeftijd en de daarmee samenhangende beïnvloedbaarheid en wijze van herinneren en het verwoorden van herinneringen. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat dergelijke verklaringen onbetrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitgebreid, consistent en gedetailleerd zijn. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de broers elkaar grotendeels ondersteunen en ook ondersteuning vinden in overige processtukken in het dossier. De verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in februari 2025 hebben afgelegd, komen bovendien op belangrijke punten overeen met de inhoud van de eerste melding bij Veilig Thuis.\n\nDe rechtbank ziet geen concrete aanwijzingen dat de verklaringen van de kinderen door sturing, suggestie of anderszins zijn beïnvloed. De rechtbank wijst erop dat de kinderen zijn verhoord door medewerkers van Veilig Thuis, die zijn opgeleid voor het voeren van dergelijke gesprekken met kinderen. De verhoren van de kinderen hebben plaatsgevonden volgens een wetenschappelijk erkende methode, de zogeheten NICHD-methode. De rechtbank is van oordeel dat de vraagstelling en de manier van doorvragen in de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voldoen aan de eisen die worden gesteld aan het verhoren van kinderen. Dat de kinderen niet zijn gewezen op hun verschoningsrecht, acht de rechtbank niet opvallend of onrechtmatig nu de medewerkers van Veilig Thuis geen opsporingsambtenaren zijn. De raadsman heeft in het pleidooi enkele vragen aangehaald die volgens hem niet voldoende open zijn gesteld en daarmee suggestief zijn. De rechtbank overweegt hierover dat de voorbeelden die de raadsman heeft aangehaald, niet in strijd zijn met de genoemde methode en steeds moeten worden gelezen in de context van de direct voorafgaande vragen en antwoorden eerder tijdens de verhoren.\n\nDe rechtbank overweegt dat enige beïnvloeding van de kinderen in de periode dat zij bij hun grootouders woonden door de grootouders, medewerkers van Veilig Thuis of derden, zoals door de raadsman is gesteld, niet concreet is geworden. Dat de kinderen (mogelijk) met anderen over de verwijten hebben gesproken, zou kunnen betekenen dat sprake is van enige mate van beïnvloeding. De rechtbank is van oordeel dat dit niet wil zeggen dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank wijst erop dat er door Veilig Thuis voortvarend is gehandeld. Immers was er op 6 januari 2025 voor het eerst contact tussen de grootouders en Veilig Thuis naar aanleiding van de melding door de huisarts, en werden de kinderen reeds op 3 februari 2025 door de medewerkers gehoord. Hierdoor is het tijdsverloop tussen de eerste melding en het afleggen van de verklaringen door de kinderen minimaal en is de kans op beïnvloeding door derden zo beperkt als mogelijk gehouden.\n\nGelet op het bovenstaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar en zal zij deze voor het bewijs gebruiken. Wel zal de rechtbank bij de waardering van deze verklaringen de nodige behoedzaamheid betrachten vanwege de leeftijd van de kinderen.\n\nBewezenverklaring\n\nBewijsmiddelen\n\nOp 7 februari 2025 werd door Veilig Thuis een melding bij de politie gedaan van het vermoeden van kindermishandeling van [slachtoffer 1] (geb. [geb. datum] 2011) en [slachtoffer 2] (geb. [geb. datum] 2014), kinderen van [verdachte] (hierna: verdachte), wonende te [woonplaats] .\n\nOp 2 januari 2025 zijn de grootvader en de oom van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de huisarts geweest om zorgen te melden. Op 22 december 2024 waren de kinderen naar opa en oma gekomen. De dag ervoor wilde verdachte een filmpje sturen naar haar familie in Polen en vroeg zij aan de kinderen of zij wilden vertellen hoe fijn hun jaar was geweest. De oudste zoon (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) zei toen dat het helemaal geen fijn jaar was.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben op 22 december 2024 afzonderlijk van elkaar bij opa en oma verteld dat zij werden mishandeld door hun moeder. De kinderen vertelden dat zij werden geslagen door hun moeder met een kabel en een stok en dat zij aan de haren werden getrokken. Opa en oma hebben vage blauwe striemen gezien op het been van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] gaf aan dat hij tussen het fysieke geweld tussen zijn moeder en broertje is gesprongen en de klappen heeft opgevangen. [slachtoffer 1] is twee keer met bloed in zijn nek naar school gekomen. Af en toe kreeg hij kaartjes mee naar huis van school als hij niet goed naar de juf had geluisterd. Moeder werd dan erg boos op hem en sloeg hem. Moeder zou een keer naar de buren zijn gelopen om aan te geven dat zij [slachtoffer 2] horen schreeuwen, maar dat er niets aan de hand was. [slachtoffer 1] vertelde dat [slachtoffer 2] toen met een stok is geslagen. Vader, moeder, opa, oma en de kinderen hebben een gezamenlijk gesprek gevoerd. [slachtoffer 1] zei toen tegen zijn moeder dat hij de laatste week al vier keer is geslagen door haar.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting onder andere verklaard dat zij tikjes heeft gegeven op de schouders en oren van haar kinderen.\n\nfeit 1\n\nOp 3 februari 2025 is [slachtoffer 1] (hieronder weergegeven als [slachtoffer 1] ) gehoord door twee medewerkers van Veilig Thuis, [medewerker 1] (hieronder weergegeven als [medewerker 1] ) en [medewerker 2] (hieronder weergegeven als [medewerker 2] ). [slachtoffer 1] verklaarde, onder meer, het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Ja. En dat slaan met de kabels. Vertel daar eens wat over.[slachtoffer 1] : Ja, ze had de kabel uit de tv gehaald. En dan sloeg ze ons zo hard. Dat is een rubberen kabel. (…)[medewerker 1] : Waar slaat ze dan met de kabels?[slachtoffer 1] : Op mijn been. Ze heeft bijna mijn gezicht geraakt en ze heeft mij in hoekjes geduwd en ze heeft mij geslagen. (…)[medewerker 1] : Nee. Je vertelde over dat bloed in je nek. Vertel eens over die gebeurtenis. Wat er gebeurd is.[slachtoffer 1] : (...) Toen (…) wou ze mijn kleren uittrekken. Want ik deed het weer verkeerd natuurlijk want ik wilde mijn telefoon niet afgeven dus ze wou mijn kleren eraf trekken. En ze heeft mij in een hoekje geduwd en ze heeft mij, ze pakte me bij mijn keel en ze heeft mij zo gepakt waardoor ik hier bloedde. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] wijst met zijn rechterhand op de rechterkant van zijn hoofd.) (…)\n\n [medewerker 1] : En welke kleren trok ze uit? Wat deed ze toen?[slachtoffer 1] : Ze trok mij gewoon aan mijn kleren. Want ik had een pak gekregen van mijn opa en oma en die heeft ze ook helemaal kapot gescheurd omdat ze zo boos op mij was. Ze trok het zo kapot en zulke dingen heeft ze wel eens bij mij gedaan. (…)[medewerker 1] : Ja. Waar deed het het meeste pijn als je werd geslagen?[slachtoffer 1] : (…) Vooral bij mijn hoofd. En dan bij mijn wangen. Want ik krijg altijd de platte hand van mijn moeder. Vroeger was dat met de platte hand, maar het is alleen maar erger geworden. (...)[medewerker 1] : Ja. En hoe vaak gebeurde het de laatste tijd dat je geslagen werd?[slachtoffer 1] : Elke dag. (...)[medewerker 1] : En wat was dan de aanleiding bijvoorbeeld?[slachtoffer 1] : Leren. Mama vond dat ik het niet goed deed met leren. En toen werd ze boos op me. (…)\n\n [medewerker 1] : En vertel eens over de laatste keer specifiek wat er toen gebeurde.[slachtoffer 1] : (…) Ja, dat weet ik nog wel, dat was ook die zaterdag. Want toen wilde mijn moeder mijn broertje ook slaan maar toen ging ik voor hem staan. Dan heb ik liever dat ze mij slaat dan dat ze hem slaat. Dan ging ik voor hem staan en dan sloeg ze mij maar. Maar toen heeft ze mij geslagen. Ja, prima.[medewerker 1] : Hoe sloeg ze jou?[slachtoffer 1] : Met de platte hand. En ook met de kabel. Maar met de kabel heeft ze de laatste tijd veel vaker gedaan. Want er heeft ook een paar weken een kabel op tafel gelegen waarmee ze mij een paar keer mee heeft geslagen. En dat heeft mij ook veel pijn gedaan. Er hebben ook strepen op mijn benen gezeten. (…)\n\n [slachtoffer 1] : (…) Ze heeft me met de platte hand geslagen. Ze heeft me bij mijn kleren getrokken. Aan mijn haren. Ze heeft me haren van mijn kop af getrokken. En ja zulke dingen. Er vielen ook allemaal haren uit. En dat deed behoorlijk veel pijn.\n\n(…)\n\n [medewerker 2] : Nou, ik ben nog wel benieuwd. Je vertelde dat jouw mama jou bij de keel had gegrepen. Wat gebeurde er precies?[slachtoffer 1] : Ja, dan duwt ze mij in een hoekje wat ik net vertelde en dan pakt ze je zo vast zeg maar en dan laat ze je gewoon niet los. En dan, ze stopt alleen als ik bijna stik. Want dan stopt ze pas, want ze blijft door gaan. Want mijn moeder weet niet waar haar grens zit zeg maar.(…)\n\n [medewerker 2] : Je zei: Dan pakt ze mij bij mijn keel totdat ik bijna stik. Waar sta jij dan?[slachtoffer 1] : Ja dan sta ik. Mama heeft ook meerdere keren achter mij aangelopen en dan pakt ze mij zo vast en dan wordt ze zo boos op me en dan gaat ze helemaal tekeer en dan scheld ze je uit en dan wil ze je niet meer los laten. Dan gaat ze door tot ze niet meer kan. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 1] legt zijn hand rond zijn keel.)[medewerker 2] : Hoe merk je dan dat je bijna stikt?[slachtoffer 1] : Ja, ik kan dan gewoon niet meer ademen. Want mama pakt mij dan zo hard. Mama heeft mij echt harde klappen gegeven. (…)\n\n [slachtoffer 2] is ook door de twee medewerkers van Veilig Thuis gehoord.[slachtoffer 2] verklaarde onder andere het volgende:\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Okay. En je begon met; thuis werd er geslagen.(...) [slachtoffer 2] : Bijvoorbeeld als [slachtoffer 1] , [slachtoffer 1] is niet zo goed in leren en als [slachtoffer 1] een paar dingen fout deed dan werd soms heel vaak heel hard geslagen. (…)\n\n [medewerker 1] : Waar was jij toen [slachtoffer 1] geslagen werd?[slachtoffer 2] : Daar was ik bij.[medewerker 1] : Wat zag je?[slachtoffer 2] : Dat [slachtoffer 1] heel veel pijn had.[medewerker 1] : En hoe sloeg jouw moeder [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Ook met de platte hand.[medewerker 1] : Waar sloeg ze [slachtoffer 1] ?[slachtoffer 2] : Op zijn gezicht. (...)[medewerker 1] : Vertel er eens over wat jij gezien hebt. [slachtoffer 2] : Hij werd heel hard aan zijn haren getrokken. Ik zag een keer dat mama zo boos was geworden. Mama duwde [slachtoffer 1] op de bank en ze pakte [slachtoffer 1] bij de keel. En toen had ze een wondje op haar duim en toen werd ze helemaal boos op [slachtoffer 1] dat het allemaal door [slachtoffer 1] komt.[medewerker 1] : Hoe ging dat dan? Bij de keel pakken?[slachtoffer 2] : Zo of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn linkerhand rond de keel.)[medewerker 1] : Hoe lang duurde dat?[slachtoffer 2] : Een paar seconden.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Ik stond in de hal.[medewerker 1] : En jij kon het zien?[slachtoffer 2] : Ja.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij [slachtoffer 1] met een kabel had gepatst. Ze heeft [slachtoffer 1] een paar tikjes gegeven, met de platte hand op zijn oor en op zijn schouder. Op 21 december 2025 wilde verdachte samen met de kinderen de kerstboom opzetten. Toen de jongens door bleven gaan met een telefoon en de Playstation, heeft verdachte de kabel van de Playstation gepakt. [slachtoffer 1] wilde de telefoon niet afgeven. Verdachte verklaarde dat de emotie hoog bij haar opliep en dat zij [slachtoffer 1] met de kabel van de Playstation op zijn been patste. Vóór de kerst had verdachte de telefoon van [slachtoffer 1] proberen af te pakken. Toen [slachtoffer 1] weigerde, pakte verdachte hem bij zijn pak en trok. [slachtoffer 1] had hierdoor bloed.\n\nDe rechtbank concludeert dat uit de voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, blijkt dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte hem met de platte hand in zijn gezicht en op zijn wangen heeft geslagen. Ook verklaarde hij dat zijn moeder hem een keer met een kabel op zijn benen sloeg. Hierdoor hadden er strepen op zijn benen gezeten. Blijkens de melding van Veilig Thuis zijn deze strepen ook waargenomen door de opa en oma van [slachtoffer 1] . De verklaring van [slachtoffer 1] vindt op de voorgaande punten steun in de verklaring van verdachte en door de verklaring van zijn broertje [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hard werd geslagen als hij een paar dingen fout deed. Dit was dan ook met de platte hand in het gezicht. [slachtoffer 1] heeft daarnaast verklaard dat zijn moeder hem aan zijn kleding heeft getrokken. Hierdoor is een pak dat hij van zijn opa en oma had gekregen, gescheurd. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte, namelijk dat zij [slachtoffer 1] aan zijn pak heeft getrokken. De verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij aan zijn haren werd getrokken en bij zijn keel werd gepakt, wordt ten slotte ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank merkt daarbij op dat beide jongens tijdens hun verklaring over het bij de keel pakken van [slachtoffer 1] een gebaar maakten waarbij zij een hand om hun keel legden.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem te slaan met een kabel en de platte hand, hem aan zijn haren te trekken, hem aan zijn kleren te trekken en hem bij de keel vast te pakken. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 1] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd. De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het gooien met boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van [slachtoffer 1] , nu niet is gebleken dat [slachtoffer 1] hierdoor werd geraakt en hij pijn of letsel heeft gehad. Tot slot zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het slaan van [slachtoffer 1] met een stok. Hoewel [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en verdachte verklaren over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok, gebeurde dit verklaren vaak in de context dat ‘we’ of ‘ze’ met stokken werden geslagen, om vervolgens meer gedetailleerd te verklaren over de keren dat [slachtoffer 2] met een stok werd geslagen. Over het slaan van [slachtoffer 1] met een stok wordt niets concreets verklaard, ook niet door [slachtoffer 1] zelf.\n\nfeit 2\n\n [slachtoffer 2] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard aan de medewerkers van Veilig Thuis.\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Vertel daar eens over wat je zelf gevoeld hebt.[slachtoffer 2] : Ja ik vroeg: mama mag ik je telefoon lenen. Toen zei ze: Ja. En toen had ik hem gepakt en toen ging ik hem gebruiken en toen sloeg ze mij in ene keer en toen zei ze; Hoezo gebruik je mijn telefoon? Dus dat vond ik wel heel raar. En toen die dag had mama ze ook uit huis gegooid.[medewerker 1] : Hoe ging dat slaan? Waarmee of hoe slaat mama dan? Of hoe slaat ze jou?[slachtoffer 2] : Hard met de platte hand.[medewerker 1] : Waar komt die hand dan?[slachtoffer 2] : Hier (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] legt zijn opengevouwen hand op zijn linkerwang.) Of gewoon op mijn gezicht.[medewerker 1] : En deed dat pijn?[slachtoffer 2] : Ja. (…)\n\n [medewerker 1] : Vertel eens meer als mama jou sloeg. Was dat altijd met de platte hand of ook wel eens anders.[slachtoffer 2] : Soms aan de haren trekken.[medewerker 1] : Hoe deed ze dat dan?[slachtoffer 2] : Echt zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] pakt met zijn rechterhand een pluk haar op zijn hoofd vast).[medewerker 1] : Hoe deed ze dat precies?[slachtoffer 2] : Wegtrekken en duwen.[medewerker 1] : Terwijl ze jouw haren vast had?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Dus dan gaat jouw hoofd heen en weer.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe voelde dat?[slachtoffer 2] : Heel veel pijn. (…)\n\n [slachtoffer 2] : Mmm. Mama had mij een keer met een stok geslagen. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] houdt met beide handen zijn hoofd vast.) [medewerker 1] : Kan je aangeven wat voor een stok dat was of hoe dik die was.[slachtoffer 2] : (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] geeft met duim en wijsvinger ongeveer 7 centimeter aan en een lengte van 60 centimeter). En dan heel hard.[medewerker 1] : Waar was jij toen?[slachtoffer 2] : Op mijn kamer. En toen sloeg ze mij in ene keer met de stok.[medewerker 1] : En deed ze dat met een hand of met twee handen? Hoe hield ze die vast?[slachtoffer 2] : Ja, met twee handen.[medewerker 1] : Waar was je in jouw kamer?[slachtoffer 2] : Op mijn bed. (...)[medewerker 1] : En kan je bij [medewerker 2] aangeven waar ze jou dan ongeveer sloeg met de stok?[slachtoffer 2] : Hier zo ongeveer. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand naar onder bij zijn rug.)[medewerker 2] : In het midden?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg ze jou toen?[slachtoffer 2] : Twee of drie keer.[medewerker 1] : Had je daar ook plekken van gehad? Of heb je iets anders gezien op je rug?[slachtoffer 2] : Nee.[medewerker 1] : En is dat de enige keer dat ze jou met een stok heeft geslagen of is dat vaker gebeurd?[slachtoffer 2] : Vaker.[medewerker 1] : Vertel nog eens over een andere keer dat je je herinnert.[slachtoffer 2] : Dat was volgens mij op mijn been. Toen had ik heel veel last van mijn been. Ik kon bijna niet meer lopen toen. [medewerker 1] : En waar was jij toen dat gebeurde? [slachtoffer 2] : Toen was mijn oma uit Polen in mijn kamer want ze was een paar weken op bezoek dus ik was bij de zonnebankkamer en toen sloeg ze mij. (...)[medewerker 1] : En waar op jouw been was dat gebeurt?[slachtoffer 2] : Hier zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn rechterhand op zijn rechterbovenbeen\u002F-dijbeen).[medewerker 1] : En hoe vaak sloeg zij?[slachtoffer 2] : Een of twee keer.[medewerker 1] : Had ze toen die stok in een of twee handen?[slachtoffer 2] : Volgens mij een hand toen.[medewerker 1] : Ja. En waar was jij op dat moment in die kamer?[slachtoffer 2] : Op een matras. (…)\n\n [medewerker 1] : Wanneer was de ergste keer? Vertel daar eens over.[slachtoffer 2] : Op mijn rug.[medewerker 1] : Kan je dat helemaal vertellen hoe dat ging? Alle details.[slachtoffer 2] : Ik had een paar dingen stiekem gepakt uit de kast en toen werd ze heel boos op mij. En toen had ze mij volgens mij met de stok geslagen.[medewerker 1] : En jij zei; ik was in mijn kamer. Kwam ze jouw kamer binnen of liepen jullie samen naar jouw kamer toe?[slachtoffer 2] : Nee. Ze liep naar mijn kamer. Want bij mij heb ik nog een zolder boven op mijn kamer daar heeft mama oude spullen liggen. En daar ligt die stok. Want die heb je nodig om die open te maken. (…) En die stok is heel hard en als je die, want die stok is helemaal van hout en als je daar door wordt geraakt, dan doet dat heel veel pijn.[medewerker 1] : Ja. En toen had zij geslagen. Hoe vaak had zij geslagen daarmee op dat moment?[slachtoffer 2] : Twee keer.\n\n(…) [medewerker 1] : Je zei net het gebeurde heel vaak met de hand, met de vlakke hand.[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : In je gezicht. Kan je voordoen hoe ze dan precies sloeg met haar arm? Wat deed ze dan precies?[slachtoffer 2] : Dan deed ze zo. Zo. En dan eigenlijk op z’n allerhardst. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] zwaait zijn rechter arm naar achteren en slaat naar voren. Hij doet dit twee keer voor.) Daarom heb ik hier volgens mij nog een litteken of zo. (Opmerking verbalisant: [slachtoffer 2] wijst met zijn linker wijsvinger op zijn wang.)[medewerker 1] : Mag ik dat eens zien. Ik zie een streepje en een rondje. Was het een streepje of een rondje?[slachtoffer 2] : Een rondje. En toen het weg was heeft mama mij nog heel vaak geslagen op die kant, dus toen is dat litteken heel lang gebleven.[medewerker 1] : Als zij zo sloeg vanaf hier. Dan ging dat met best veel kracht toch?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Maar had jij nog lang daarna pijn?[slachtoffer 2] : Vaak wel. Maar na tien minuutjes was het wel weer over.[medewerker 1] : En waar deed het dan pijn?[slachtoffer 2] : Nou, op mijn gezicht vooral. (…)\n\n(…)\n\n [medewerker 1] : Wat vindt je het ergste wat er thuis is gebeurd? Waar heb je het meeste last van?[slachtoffer 2] : De stok.[medewerker 1] : Ja. En dat was twee keer gebeurd zei je he?[slachtoffer 2] : Ja.[medewerker 1] : Een keer op je rug en een keer op je been.[slachtoffer 2] : Ja. (...)\n\n [slachtoffer 1] heeft op 3 februari 2025 het volgende verklaard over de mishandeling van zijn broertje [slachtoffer 2] :\n\n(…)\n\n [slachtoffer 1] : Stokken, want wij zo, ja, wij hebben een zolder en daar zit een soort van ladder aan en die moet je naar beneden trekken en daar hebben ze een stok voor en die ligt op mijn broertjes kamer. Hij is heel hard geslagen. Hij had mijn schoenen vies gemaakt, mijn nieuwe schoenen. En toen werd mama zo boos en werd hij geslagen met een stok. [medewerker 1] : En waar was jij op dat moment?[slachtoffer 1] : Ik was beneden en ik hoorde hem in een keer keihard schreeuwen en hij had een blauwe plek op zijn benen. Dat was echt niet normaal. (…)\n\n [medewerker 1] : Ja. Jij zegt een paar keer. Ik heb mijn broertje beschermd of proberen te beschermen. Vertel eens over de laatste keer dat dat was. Wat gebeurde er toen?[slachtoffer 1] : Ja, ik heb altijd voor mijn broertje, mijn broertje is tien en ik ben dertien. Dus ik neem dan mijn verantwoordelijkheid voor hem. Want ik wil niet dat mijn broertje geslagen wordt door iemand. (…) En dan zie ik ook dat mijn moeder hem slaat, ja, dan denk ik, mooi niet. En dan ga ik voor hem staan, want dan slaat ze mij maar. Maar ik laat niet mijn broertje slaan. (…)\n\nVerdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer 2] met de stok van de vlizotrap op zijn benen had geslagen. Verdachte had gezien dat er weer fikkie was gestookt. Zij vroeg [slachtoffer 2] of hij weer bezig was geweest met een aansteker. [slachtoffer 2] bleef ontkennen en verdachte zei hem dat hij niet moest liegen. De emotie liep zo hoog op en zij had de stok in haar handen.\n\nDe rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte haar kind [slachtoffer 2] heeft mishandeld. [slachtoffer 2] heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard dat zijn moeder hem op zijn rug en benen heeft geslagen met een stok, dat zij hem met de platte hand in zijn gezicht heeft geslagen en dat zij hem aan zijn haren heeft getrokken. De verklaring van verdachte, dat zij tikjes heeft gegeven op de oren van haar kinderen en dat zij [slachtoffer 2] met een stok heeft geslagen, en de verklaring van [slachtoffer 1] , dat hij voor zijn broertje ging staan als zijn moeder zijn broertje sloeg en dat zijn moeder [slachtoffer 2] met een stok sloeg, ondersteunen de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank acht daarmee feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het duwen van [slachtoffer 2] , nu uit het dossier niet is gebleken dat dit pijn of letsel heeft opgeleverd.\n\nPeriode feit 1 en 2\n\nDe rechtbank acht een kortere periode bewezen dan ten laste is gelegd, te weten de periode van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024. De rechtbank ziet dat er in het dossier concrete aanknopingspunten zitten dat in 2024 de mishandelingen van beide kinderen hebben plaatsgevonden. De rechtbank wijst er in dat verband op dat [slachtoffer 1] tegen verdachte zou hebben opgemerkt dat het een verschrikkelijk jaar was geweest toen zij op 21 december 2024 een filmpje voor familie wilde maken. Concrete aanknopingspunten voor mishandelingen die eerder dan 2024 zouden hebben plaatsgevonden, heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen. De rechtbank zal daarom voor feit 1 en 2 uitgaan van een kortere bewezen verklaarde periode, van 1 januari 2024 tot en met 21 december 2024, en verdachte voor de overige ten laste gelegde periode vrijspreken.\n\nVrijspraak feit 3\n\nJuridisch kader\n\nOnder feit 3 is een aantal gedragingen als mishandeling ten laste gelegd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat de onder feit 3 ten laste gelegde gedragingen door het openbaar ministerie als psychische mishandeling worden gezien.\n\nDe rechtbank zal verdachte geheel vrijspreken van feit 3. De rechtbank zal om die reden niet toekomen aan het verweer dat ziet op partiële nietigheid.\n\nDe rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Onder ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677).\n\nMet betrekking tot psychische mishandeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Naar geldend recht moet het bestanddeel ‘mishandeling’ zo worden uitgelegd, dat psychische mishandeling alleen strafbaar kan zijn als sprake is van gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. Voorbeelden in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn het in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht brengen (ECLI:NL:HR:2012:BX5468) en het verergeren van iemands ziektebeeld door verkeerd medisch handelingen (ECLI:NL:HR:2013:BY4858). Het gaat hier om gevallen waarin het handelen van de verdachte een lichamelijke uitwerking op het slachtoffer had. Het binnen de reikwijdte van artikel 300 Sr brengen van psychische mishandeling zónder fysiek aspect of gevolg is onwenselijk – met name in het licht van het zogenoemde bepaaldheidsgebod – omdat de betekenis van de term mishandeling daarmee minder scherp zou worden omlijnd dan zij nu op grond van de wetsgeschiedenis is. Daarmee zou ook de rechtszekerheid in het geding kunnen komen: het is voor de burger dan niet goed te voorzien welk gedrag onder de strafbaarstelling van mishandeling kan worden geschaard (vgl. de conclusie van A-G Van Kempen van 10 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:238).\n\nDe rechtbank zal aan de hand van het bovenstaande juridisch kader beoordelen of de ten laste gelegde gedragingen kunnen worden aangemerkt als mishandeling en dus kunnen worden bewezenverklaard.\n\nCategorie A: geen betekenisvol fysiek aspect of gevolg\n\nDe rechtbank is, gelet op het bovenstaande juridisch kader, van oordeel dat ten aanzien van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring, omdat het niet gaat om gedragingen met enig betekenisvol fysiek aspect of gevolg. De gedragingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr. Verdachte zal om die reden van de gedachtestreepjes 1, 2 en 4 tot en met 7 worden vrijgesproken.\n\nCategorie B: fysiek aspect, maar geen sprake van strafbare mishandeling\n\nTen aanzien van beide kinderen is onder gedachtestreepje 3 van feit 3 het onthouden van zorg door niet en\u002Fof onvoldoende aanbieden van voedsel en\u002Fof het (in de winterperiode) zonder en\u002Fof onvoldoende warme kleding als straf buiten laten verblijven en hen niet in de woning te laten, ten laste gelegd.\n\nDe rechtbank overweegt dat de gedragingen, zoals deze uit het dossier naar voren komen, niet een dusdanig fysiek aspect of gevolg hebben, dat deze kunnen worden aangemerkt als mishandeling. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet afdoende is gebleken dat de kinderen gedurende een langere periode honger, kou of een gebrek aan zorg hebben ervaren. Er kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat dergelijk gedrag mishandeling als bedoeld in artikel 300 Sr oplevert. Verdachte zal dan ook van dit gedachtestreepje van feit 3 worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank zal verdachte, concluderend, geheel vrijspreken van feit 3.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeks de periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 1] (geboren op [geb. datum] 2011), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 1] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 1] op\u002Ftegen het hoofd, het beenen\u002Fof knie,althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een kabel,stoken\u002Fofde platte hand en\u002Fof- (met) boeken op\u002Ftegen\u002Fin de richting van die voornoemde [slachtoffer 1] te gooien en\u002Fof te duwen en\u002Fof- aan de klerenen\u002Fof het lichaamvan die voornoemde [slachtoffer 1] te trekken en\u002Fof-(met kracht)die voornoemde [slachtoffer 1] bij de keel vast te pakkenen\u002Fof te grijpen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nfeit 2zij opeen ofmeerdere tijdstippen inof omstreeksde periode van 1 januari 2024tot en met 21 december 2024 te [woonplaats] , gemeente Maasdriel ,en\u002Fof elders in Nederland, althans in Nederland,[slachtoffer 2] (geboren op [geb. datum] 2014), heeft mishandeld, door: meermalen,althans eenmaal,- die voornoemde [slachtoffer 2] te duwen en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] aan de haren te trekken en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2] op\u002Ftegen de rug en\u002Fofbeen,althans op\u002Ftegen het lichaam,te slaan met een stok en\u002Fof- die voornoemde [slachtoffer 2]op\u002Fin\u002Ftegen het gezicht en\u002Fofde wang, althans op\u002Ftegen het lichaam, te slaan met een platte hand,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 en feit 2, telkens:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen haar kind, meermalen gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van het de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren zal worden opgelegd, bij niet uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de rechtbank bij de strafoplegging rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en de beperktere bewezenverklaring zoals de raadsman die heeft bepleit. Daarnaast heeft de raadsman gevraagd dat de rechtbank rekening houdt met het feit dat verdachte langdurig niet thuis heeft gewoond en dat zij hulp heeft gezocht bij Kairos en Entrea-Lindenhout. De raadsman heeft betoogd dat er zijns inziens geen ruimte is voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is bereid een geldboete te betalen en een voorwaardelijke straf zal door haar worden geaccepteerd.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het fysiek mishandelen van haar zoons. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van haar kinderen ernstig geschonden. De mishandelingen vonden thuis plaats, terwijl een kind zich juist op deze plek bij zijn ouder(s) geborgen en veilig moet kunnen voelen. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat de mishandelingen pas stopten toen haar kinderen zelf de moedige stap namen om hun verhaal te doen bij hun grootouders.\n\nDe rechtbank neemt in strafverminderende zin mee dat verdachte na de melding bij Veilig Thuis de hulpverlening heeft geaccepteerd en heeft aangegrepen en de hulpverleningstrajecten positief heeft doorlopen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van de Reclassering Nederland van 9 april 2026. De reclassering heeft in de rapportage beschreven dat er na de melding van Veilig Thuis verschillende interventies in werking zijn gezet, en Veilig Thuis de kinderen tot en met april 2025 bij de grootouders heeft geplaatst. Verdachte startte in april 2025 een behandeltraject bij Kairos. Op dat moment gingen de kinderen weer in het ouderlijk huis wonen en trok verdachte, in goed overleg met Veilig Thuis, tijdelijk bij vrienden in. In juni 2025 werd Entrea-Lindenhout actief betrokken bij het gezin, en vond begeleiding plaats bij het gezin. In september 2025 werd besloten dat verdachte weer thuis kon wonen. De reclassering beschrijft dat er een aantal beschermende factoren is. Verdachte heeft een stabiele baan en heeft een vaste woonplek in [woonplaats] . Verdachte heeft een goede vriendin waarmee ze alles kan bespreken. Verder heeft verdachte wekelijks contact met haar moeder. Verdachte heeft door haar behandeling genoeg handvatten gekregen waardoor ze nu goed kan omgaan met dagelijkse triggers. Haar kinderen zijn, op het moment van het opstellen van de rapportage, 11 en 14 jaar oud. De kinderen zijn nu pubers en zoeken vaak de grenzen op. Verdachte heeft aangegeven zich in te zetten wanneer toezicht of behandeling nog gewenst is. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdere interventies of toezicht worden niet nodig geacht. De rechtbank neemt dit advies over.\n\n De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank een kortere periode en minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gesteld. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden is, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 60 dagen hechtenis. De rechtbank zal geen voorwaardelijk strafdeel opleggen, nu zij uit de reclasseringsrapportage opmaakt dat verdachte en haar gezin voldoende zijn ingebed in hulpverlening en zij het goed acht als na het uitvoeren van de taakstraf een voor de kinderen nare periode in het gezin definitief kan worden afgesloten.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde feit;\n\n verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R .M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. M. Hoedeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.\n\nmr. R .M. Pennings is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer ON5R025012, gesloten op 21 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Melding Veilig Thuis d.d. 7 februari 2025, p. 14-16.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 34, 37-38 en 41-44.\n\n Dit verhoor is opgenomen en vervolgens uitgekeken en uitgewerkt door verbalisanten van de politie van de eenheid Oost-Nederland.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51, 56 en 59.\n\n Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 51-53, 55-56, 60 en 65-66.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 36 en 41.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2025.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:4272","ecli-nl-rbgel-2026-4272",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]