Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5191

Court

Arnhem

Date

1 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Belastingrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 24/3064, 24/3065, 24/3066, 24/3067, 24/4948 en 24/5036
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 juli 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende ] B.V. , uit [vestigingsplaats ] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), in Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 december 2023 en 22 januari 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende gelijktijdig de volgende navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:

Dagtekening

Jaar

Belastbaar bedrag

Belastingrente

Vergrijpboete

30/11/2020

Vpb 2014

€ 116.579

€ 2.413

30/10/2021

Vpb 2015

€ 87.880

€ 4.807

€ 4.816

24/12/2021

Vpb 2016

€ 44.305

€ 2.519

€ 2.808

18/12/2021

Vpb 2017

€ -2.510

De inspecteur heeft daarnaast gelijktijdig de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd en belastingrente- en boetebeschikkingen genomen:

Dagtekening

Tijdvak

Belasting

Belastingrente

Vergrijpboete

30/12/2020

01/01/2015 – 31/12/2015

€ 26.002

€ 4.892

29/12/2021

01/01/2016 – 31/12/2016

€ 15.793

€ 2.969

€ 8.092

De inspecteur heeft met dagtekening 7 december 2023 de bezwaren van respectievelijk 29 december 2020, 8 november 2021 en 6 januari 2022 tegen de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 niet-ontvankelijk verklaard.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2024 de bezwaren van 7 januari 2021 en 31 december 2021 tegen respectievelijk de naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde en mr. [gemachtigde 2] en, namens de inspecteur,

mr. drs. [gemachtigde 3] , drs. [gemachtigde 4] , mr. [gemachtigde 5] , [gemachtigde 6] en mr. [gemachtigde 7] .

Feiten

Algemeen

1. Belanghebbende is opgericht op 28 mei 2003. [gemachtigde 2] ( [gemachtigde 2] ) houdt 100% van de aandelen in belanghebbende. [gemachtigde 2] is tevens enig werknemer van belanghebbende.

2. Op 29 december 2010 is belanghebbende certificaathouder geworden van de Stichting [stichting] en [gemachtigde 2] bestuurder van de [stichting] .

3. [gemachtigde 2] verrichtte tot en met 31 december 2016 werkzaamheden als advocaat voor [bedrijf 1] .

4. Op 31 mei 2018 is bij belanghebbende een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 aangekondigd. Het onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019, uitsluitend voor zover het de bijtelling privégebruik auto betreft. De bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 4 november 2021 (het rapport loonheffingen). Naar aanleiding van de bevindingen van deze controle is het onderzoek tevens uitgebreid naar onder andere de aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting. Dit onderzoek is op 7 februari 2020 aangekondigd. Tijdens het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid van de aangiften Vpb en OB over de jaren 2016 en 2017 onderzocht. Op 16 oktober 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aangiften Vpb over de jaren 2014 en 2015 en de aangiften OB over het jaar 2015. Het conceptrapport heeft als dagtekening 10 juni 2020. De definitieve bevindingen zijn vastgelegd in een controlerapport van 23 november 2021 (het controlerapport).

5. In onderdeel 2.5.1. van het controlerapport is omtrent de financiële administratie het volgende vermeld:

“De heer [naam 1] verzorgt de administratie van [belanghebbende ] B.V.

De echtgenote en de dochter van de heer [gemachtigde 2] boeken de kosten (inkoopfacturen, bonnen). (…)

Tot en met het jaar werd de facturering (management fees en dergelijke) verzorgd door het kantoor van advocatenkantoor [bedrijf 1] .

De adviseur, de heer [naam 1] van [bedrijf 2] , haalt in principe éénmaal per jaar de ordners op en voert de administratie in het boekhoudprogramma Snelstart in.

6. In onderdeel 2.6. van het controlerapport is omtrent de adviseur het volgende vermeld:

“(…)

[bedrijf 2] verzorgt de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting en

vennootschapsbelasting”

7. In onderdeel 3.1.5. van het controlerapport is onder het kopje “Tweede helft debiteurenregeling” het volgende vermeld:

“Op 26 januari 2016 heeft [belanghebbende ] B.V. € 25.000 overgemaakt aan [bedrijf 1] met als omschrijving “Afl. Lening tbv 2e helft debiteurenregeling”

Deze betaling is als volgt gejournaliseerd:

Af te dragen BTW € 4.339

Managementfee [bedrijf 1] (wv-rekening) € 20.661

Aan Rabobank € 25.000

(…)”

8. Belanghebbende en [bedrijf 1] hebben op 18 november 2009 een managementovereenkomst gesloten. Daarin zijn zij overeengekomen dat, indien het resultaat van [bedrijf 1] het toelaat, aan belanghebbende jaarlijks een basismanagementvergoeding toekomt van maximaal € 127.000. Indien het resultaat van [bedrijf 1] het niet toelaat komt aan belanghebbende een gelijk deel van het behaalde resultaat toe. Ook is overeengekomen dat belanghebbende maandelijks een voorschot op de haar toekomende managementfee over het desbetreffende kalenderjaar ontvangt, gerelateerd aan de naar verwachting voor [bedrijf 1] te behalen managementvergoeding over dat jaar.

9. In onderdeel 3.2.3 van het controlerapport is onder het kopje “Managementfee retour” het volgende vermeld:

“Op 31 december 2015 heeft [belanghebbende ] B.V. middels een memoriaalboeking de volgende journaalpost geboekt:

Debet

Credit

Managementfee

€ 41.322,31

BTW af te dragen hoog

€ 8.677,69

aan

Rekening-courant directie

€ 50.000

De omschrijving in het grootboek is: Man fee retour [bedrijf 1] ivm debiteuren prive betaald

[belanghebbende ] B.V. heeft geen inkoopfactuur, bankafschrift of andere bewijzen c.q. bescheiden aangeleverd waaruit blijkt dat deze journaalpost terecht is geboekt dan wel bewijzen/bescheiden waaruit blijkt dat de dga in privé bedragen heeft betaald voor [belanghebbende ] B.V. (…)”

10. Belanghebbende heeft in de periode van 2011 tot en met 2015 de volgende auto’s gekocht:

Auto

Datum aankoop

Kostprijs

Audi A8

4 november 2011

€ 78.979

Citroën DS 3 Cabrio

30 december 2013

€ 17.425

BMW 435D X-Drive Aut 8 Cabrio

13 juni 2015

€ 73.125

Fiat 500 Twin Air 80

27 juli 2015

€ 11.138

11. Belanghebbende heeft een herinvesteringsreserve van € 12.985 afgeboekt op de kostprijs van de Audi en de Audi geactiveerd voor € 65.994. Zij heeft de Audi op 10 juni 2015 ingeruild voor de BMW en op die inruil een boekwinst behaald van € 26.269. Belanghebbende heeft ter zake van die boekwinst een herinvesteringsreserve gevormd en die reserve afgeboekt op de kostprijs van de BMW. De BMW is vervolgens geactiveerd voor € 46.269. Belanghebbende is voor alle auto’s uitgegaan van een levensduur van vijf jaar en een restwaarde van nihil.

12. Belanghebbende heeft in de jaren 2014 tot en met 2016 op haar zakelijke rekening maandelijks € 1.500 ontvangen van [bedrijf 1] met als omschrijving “Auto- en onkostenvergoeding”.Vennootschapsbelasting

13. Belanghebbende heeft de volgende aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) gedaan:

Jaar

Belastbare winst

Belastbaar bedrag

2014

86.701

86.701

2015

21.131

21.131

2016

6.134

6.134

2017

-5.455

-5.455

14. De inspecteur heeft de aanslagen Vpb 2014 tot en met 2017 met respectievelijk dagtekening 30 september 2017, 7 oktober 2017, 9 juni 2018 en 6 juli 2019 opgelegd overeenkomstig de ingediende aangiften.

14. In het onder 4. genoemde controlerapport wordt medegedeeld dat navorderingsaanslagen Vpb zullen worden opgelegd naar aanleiding van de volgende correcties:

Correctie

2014 (€)

2015 (€)

2016 (€)

2017 (€)

Afschrijving materiële vaste activa

383

778

2.022

2.022

Rente rekening-courant aandeelhouder

937

1.920

2.393

Tweede helft debiteurenregeling

20.661

Omzet auto- en onkostenvergoeding

18.000

18.000

18.000

Afschrijvingen vervoermiddelen

452

430

430

Kosten motorrijtuigenbelasting [kenteken ]

716

143

Kosten douchescherm

619

Privédeel administratiekosten

200

200

Omzetbelasting privégebruik auto

-6.533

-6.397

-2.243

Managementfee retour

41.322

Totaal correcties

18.383

54.956

38.171

2.945

16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 opgelegd met inachtneming van de correcties vermeld in het onderzoeksrapport. Voor die jaren heeft de inspecteur ook correcties toegepast vanwege bedragen die aan [bedrijf 3] in rekening zijn gebracht van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft in de beroepsfase deze correcties en de daarbij behorende boetes laten vervallen omdat de bedragen al in 2018 zijn aangegeven en hij heeft de aanslagen ambtshalve verminderd.

Omzetbelasting

17. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd.

Dagtekening

Tijdvak

Belasting

Belastingrente

Vergrijpboete

30/12/2020

01/01/2015 – 31/12/2015

€ 26.002

€ 4.892

29/12/2021

01/01/2016 – 31/12/2016

€ 15.793

€ 2.969

€ 8.092

18. In punt 5.1.1 van het controlerapport staat dat naheffingsaanslagen OB zullen worden opgelegd in verband met de in dat punt genoemde correcties, namelijk:

2015

2016

Correctie 4.1. Inruil BMW 435D voor Audi A8 TDI

6.734

Correctie 4.2. Omzetbelasting

Correctie 4.3. Rekening-courant

1.105

Correctie 4.5. Tweede helft debiteurenregeling

4.339

Correctie 4.6. Auto- en onkostenvergoeding

3.780

Correctie 4.7. Omzet [bedrijf 3]

0

Correctie 4.8. Managementfee retour

8.677

Correctie 4.9. Douchescherm

130

Correctie 4.10. Dubbel geboekte administratiekosten

Correctie 4.11. Privédeel administratiekosten

42

Correctie 4.12. Privégebruik auto

6.533

6.397

Totaal na te heffen

21.944

15.793

19. In punt 5.1.1. wordt voorts opgemerkt dat de naheffingsaanslag OB 2015 is opgelegd ter behoud van rechten ter grootte van € 26.002 en dat deze naheffingsaanslag ambtshalve wordt verminderd tot € 21.944.

20. In punt 4.12 van het controlerapport wordt de correctie wegens privégebruik van de auto’s van belanghebbende toegelicht. In die toelichting staat:

“De Citroen met kenteken [kenteken 1] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .

De BMW met kenteken [kenteken 2] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .

Inzake de fiat met kenteken [kenteken 3] werden tegenstrijdige verklaringen gegeven over wie in deze auto heeft gereden. In eerste instantie zou dat de dochter van de heer [gemachtigde 2] zijn. Later werd aangegeven dat de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] in de auto heeft gereden. In 2017 is de berijder in ieder geval mevrouw [naam 2] , de schoonzus van de heer [gemachtigde 2] . In beide gevallen is de auto ter beschikking gesteld.

De Mercedes Benz met kenteken [kenteken 4] is ter beschikking gesteld aan mevrouw [gemachtigde 2] .

De Audi A8 met kenteken [kenteken 5] is ter beschikking gesteld aan de heer [gemachtigde 2] .

Voor de jaren 2015 tot en met 2017 corrigeren wij tijdsgelang op basis van het forfait van 2,7%.

Belanghebbende stelt in de reactie d.d. 22 september 2021 dat deze correctie moet worden berekend op basis van de door de belastingplichtige aangeleverde sluitende rittenadministratie, waarbij rekening dient te worden gehouden met de verhouding tussen de zakelijke en privé kilometers, in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting.

Belanghebbende houdt echter geen administratie bij van de autokosten per auto. Zo wordt op de grootboekrekening autokosten niet vermeld op welke auto deze kosten betrekking hebben. Bovendien blijkt uit het rapport inzake loonheffingen dat belastingplichtige of geen rittenregistratie heeft aangeleverd (Citroen met kenteken [kenteken 1] en de Fiat met kenteken [kenteken 3] ) of dat de rittenregistratie niet betrouwbaar is (BMW [kenteken 2] , Mercedes-Benz [kenteken 4] , [kenteken 5] )

Uit de administratie blijkt dan ook niet in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt. Omdat niet blijkt in hoeverre de auto’s voor privédoeleinden zijn gebruikt of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen is het forfait als uitgangspunt genomen.”

21. In punt 4.12 is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 als volgt berekend:

[afbeelding gepseudonimiseerd]

22. In datzelfde punt is de correctie wegens privégebruik auto voor het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 als volgt berekend:

[afbeelding gepseudonimiseerd]

Beoordeling door de rechtbank

23. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 en naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016 terecht en tot de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

24. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen haar oordeel heeft.

Navorderingsaanslag Vpb 2017

25. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Vpb 2017 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens belanghebbende was het duidelijk dat zij ook bezwaren had met betrekking tot het jaar 2017, omdat zij bezwaren had ingediend met betrekking tot de andere jaren die in het onderzoek zijn meegenomen. Omdat het onderzoek de periode 2014 tot en met 2017 betrof, is het volgens haar logisch dat de bezwaren betrekking hadden op die hele periode. Dat de navorderingsaanslagen niet tegelijkertijd zijn verzonden kan niet aan belanghebbende worden toegerekend. Voor zover het bezwaarschrift te laat is ontvangen is de termijnoverschrijding volgens haar verschoonbaar gezien de connectie met de andere zaken.

25. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit de overgelegde stukken volgt dat belanghebbende wel afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslagen 2014 tot en met 2016, maar niet tegen de navorderingsaanslag 2017. Uit die bezwaarschriften volgt ook niet dat belanghebbende mede heeft bedoeld bezwaar te maken tegen de navorderingsaanslag 2017. Daaraan doet niet af dat het volgens belanghebbende logisch is dat zij ook bezwaar had tegen de navorderingsaanslag 2017, aangezien voor het maken van bezwaar is vereist dat belanghebbende een bezwaarschrift indienten dat heeft belanghebbende ten aanzien van die navorderingsaanslag niet gedaan. Dat volgens belanghebbende sprake is van connectie met de andere jaren kan ook niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Daarvoor is vereist dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid. Belanghebbende heeft zelf niet de vereiste zorgvuldigheid betracht.

Inzage in de stukken

27. Belanghebbende stelt dat zij niet in alle stukken inzage heeft gehad, omdat deze niet beschikbaar of bekend waren.

27. Artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Indien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is.

29. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen. Belanghebbende heeft, mede gelet op de uitvoerige toelichting van de inspecteur, onvoldoende geconcretiseerd welke stukken die de inspecteur heeft gebruikt bij de voorbereiding van de besluitvorming ontbreken of welke informatie daaruit van belang kan zijn voor de beoordeling van de geschilpunten. De rechtbank heeft alle geschilpunten kunnen beoordelen aan de hand van de (digitale) stukken die partijen in het geding hebben gebracht.

Eindgesprek

30. Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen eindgesprek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek.

30. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de voorgenomen correcties en het voornemen om boetes op te leggen. Uit de stukken volgt dat belanghebbende (in de persoon van [gemachtigde 2] ) in een e-mail van 11 december 2020 heeft aangegeven dat hij geen prijs meer stelde op een eindgesprek. Daarnaast is het concept-rapport op 10 juni 2021 met begeleidend schrijven aan belanghebbende toegezonden en is belanghebbende in gelegenheid gesteld op de bevindingen in het controlerapport, waaronder het voornemen om boetes op te leggen, te reageren. Op 17 september 2021 is een bespreking over de boetes gepland op 29 september 2021. Belanghebbende heeft vervolgens op 22 september 2021 schriftelijk gereageerd, daarbij is tevens ingegaan op de aangekondigde boetes. Na overleg met belanghebbende is de bespreking van 29 september 2021 komen te vervallen.

Motiveringsbeginsel

32. Belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen onvoldoende en onjuist zijn gemotiveerd.

32. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft belanghebbende niks aangevoerd. Mede gelet op het controlerapport en de toelichtingen die daarin per correctie zijn opgenomen is de rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur het motiveringsbeginsel niet heeft geschonden.Managementfee retour

34. Belanghebbende stelt dat zij in het verleden door [bedrijf 1] werd verplicht om boven een bepaalde debiteurenstand zelf geld bij te storten op de gemeenschappelijke rekening. [bedrijf 1] kon, zolang uitstaande facturen niet waren voldaan, de opbrengsten uit die facturen namelijk niet gebruiken als bedrijfskapitaal ter betaling van de lopende kosten. Om die reden moesten de vennoten zelf een waarborgsom betalen indien de debiteurenstand een bepaald grens/percentage van het totaal overschreed. De waarborgsom werd pas terugbetaald zodra de openstaande facturen werden voldaan. Het betreft daarom een voorschotbetaling. De betaling van € 50.000 houdt verband met de waarborgsom die zij heeft voorgeschoten. Per saldo is met de transactie geen omzet gemaakt.

34. Onder verwijzing naar de memoriaalboeking (punt 9.) stelt de inspecteur dat door de memoriaalboeking een negatief bedrag aan managementfee in aanmerking is genomen. De winst is dus verlaagd met € 41.322. Daarnaast is € 8.677 btw teruggevraagd. Ten slotte is de vordering op [gemachtigde 2] verminderd met € 50.000. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur in 2015 een managementfee van [bedrijf 1] ontvangen. [bedrijf 1] heeft geen creditnota gezonden die betrekking heeft op de managementfee en die de memoriaalboeking verklaart.

36. Uit de vastgestelde feiten volgt dat de inspecteur € 50.000 heeft gecorrigeerd in verband met een teruggeboekte management fee. Belanghebbende stelt dat zij die kosten wel daadwerkelijk heeft (terug)betaald. Deze stelling van belanghebbende vindt evenwel geen steun in de feiten. Zo is er geen creditnota die betrekking heeft op de managementfee. Het komt de rechtbank dan ook aannemelijk voor dat overboeking verband houdt met de waarborgsom. Het betreft hier een betaling, waarvan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze in dit jaar tot aftrek kan leiden. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat zij tot een bedrag van € 50.000 een voorziening kon vormen, kan de rechtbank belanghebbende hierin evenmin volgen. Uit de overgelegde stukken volgt bijvoorbeeld niet dat tussen belanghebbende en [bedrijf 1] is gecorrespondeerd over die vergoeding en dat belanghebbende die betaling verschuldigd was. Ook op andere wijze is niet gebleken dat het waarschijnlijk is dat de uitgaven zich zullen voordoen.

Omzet auto- en onkostenvergoeding

37. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de auto- en onkostenvergoeding ten onrechte tot de winst heeft gerekend. Deze vergoeding was bestemd voor [gemachtigde 2] in privé. Dit is door [bedrijf 1] fiscaal afgestemd met de inspecteur en is door de accountant van [bedrijf 1] bevestigd. Daarnaast is de heffing over de vergoeding verlegd naar [bedrijf 1] . In punt 3.5.2 van het rapport loonheffingen staat “Uit praktische overwegingen hebben wij deze vergoedingen en verstrekkingen in overleg met [bedrijf 1] tot het loon bij de werkmaatschappij [bedrijf 1] gerekend”.

37. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat er een geldstroom is geweest van [bedrijf 1] naar belanghebbende en dat die vergoeding niet bij [bedrijf 1] en evenmin bij belanghebbende in de heffing is betrokken. De rechtbank is van oordeel dat de auto- en onkostenvergoeding daarom terecht tot de winst is gerekend. Aan het controlerapport voor de loonheffingen kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat de passage waarnaar belanghebbende verwijst betrekking heeft op een andere vergoeding dan de auto- en onkostenvergoeding. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel gelet op het gestelde overleg tussen [bedrijf 1] en de inspecteur kan dit evenmin slagen. Deze stelling is in het licht van de gemotiveerde betwisting door de inspecteur onvoldoende onderbouwd.

Afschrijvingen vervoermiddelen

39. Belanghebbende stelt dat bij de verkoop van de vervoermiddelen steeds een afwikkeling plaatsvindt met de Belastingdienst, al dan niet met gebruikmaking van de herinvesteringsreserve. Dat er geen restwaarde is gehanteerd bij de afschrijvingen leidt derhalve slechts tot een verschuiving van de belastingheffing. Het is daarnaast niet zeker dat de restwaarde van een auto 10% zou moeten zijn, omdat dat afhangt van de auto en het gebruik daarvan.

39. De bewijslast om de omvang van de afschrijvingen aannemelijk te maken rust op belanghebbende. In die bewijslast is zij niet geslaagd. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom de auto’s na vijf jaren geen (rest)waarde meer hebben. Dat het niet zeker is dat de restwaarde 10% zal bedragen, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft de inspecteur aan de hand van de inkoop- en verkoopprijzen van de Audi A8 en de BMW Roadster aannemelijk gemaakt dat een restwaarde van 10% zeker niet te hoog is.

Omzet [bedrijf 3]

41. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de omzet [bedrijf 3] ten onrechte tot de winst heeft gerekend.

41. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 tot de belastbare winst mede heeft gerekend omzet [bedrijf 3] van respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De inspecteur heeft deze correcties in beroep teruggenomen en de navorderingsaanslagen overeenkomstig ambtshalve verminderd. Daarmee is de vraag of de omzet [bedrijf 3] terecht tot de winst is gerekend niet langer in geschil. Wel zijn de beroepen om die reden gegrond en moeten de belastbare winsten en tevens de belastbaar bedragen van de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 worden verminderd met respectievelijk € 11.495 en € 9.500. De opgelegde boetes moeten eveneens dienovereenkomstig worden verminderd.

Naheffingsaanslagen OB 2015 en 2016: Auto- en onkostenvergoeding

43. Belanghebbende betwist de correctie genoemd in punt 4.6 van het controlerapport, namelijk de correctie met betrekking tot de auto- en onkostenvergoeding. Deze kwestie hoort volgens haar thuis in de loonheffingssfeer en die vergoeding moet worden aangemerkt als een vergoeding die aan [gemachtigde 2] in privé toekomt. In overleg met [bedrijf 1] wordt die vergoeding ook al op het niveau van [bedrijf 1] belast. Om die reden is sprake van een dubbeltelling.

43. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar standpunt en verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen zij daarover met betrekking tot de navorderingsaanslagen Vpb heeft overwogen (punt 38).Naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015 en 2016: Privégebruik auto

45. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ter zake van het privégebruik van verschillende auto’s ten onrechte naheffingsaanslagen heeft opgelegd. Volgens haar is geen sprake geweest van privégebruik. Zij stelt dat voor alle jaren een sluitende kilometeradministratie is aangeleverd, waaruit blijkt dat er nagenoeg niet privé is gereden. Er is alleen sprake geweest van woon-werkverkeer. Een correctie van de omzetbelasting is daarom niet aan de orde. Voor zover een correctie wel aan de orde is moet rekening gehouden worden met de verhouding tussen de zakelijk gereden kilometers en de in privé gereden kilometers in samenhang met de werkelijk in vooraftrek genomen omzetbelasting. Op 12 september 2025 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Met deze elementen heeft de inspecteur geen rekening gehouden. Belanghebbende verwijst verder naar het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2017, waaruit volgens haar blijkt dat de omvang van het privégebruik van een bedrijfsauto in beginsel moet berusten op de werkelijke verhouding tussen de categorieën zakelijk/privé.

46. De inspecteur heeft de btw die verschuldigd is met betrekking tot de auto’s die tot het bedrijfsvermogen van belanghebbende behoren vastgesteld met toepassing van het Besluit van 11 juli 2012. Uit het controlerapport voor de loonheffingen blijkt dat de onder 22. en 23. genoemde auto’s ter beschikking zijn gesteld en dat er privé mee is gereden. Uit het rapport loonheffingen en het verweerschrift voor de loonheffingen blijkt volgens de inspecteur ook duidelijk dat er geen sluitende kilometeradministratie is bijgehouden. Ten aanzien van het door belanghebbende verstrekte overzicht heeft de inspecteur ter zitting aangegeven dat in de bezwaarfase ook al een overzicht is verstrekt met andere cijfers, dat er geen onderbouwing van de cijfers is, dat hij niet kan vaststellen of de cijfers kloppen, dat hij het overzicht niet betrouwbaar vindt en dat hij verder verwijst naar de correcties die in de loonheffingen zijn aangebracht.

47. Het gebruik van een tot een het bedrijf behorende auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.De vergoeding waarover vervolgens omzetbelasting verschuldigd is wordt gesteld op de door de ondernemer voor het verrichten van de diensten gemaakte uitgaven.Als uit de kilometeradministratie niet blijkt in hoeverre de auto voor andere dan bedrijfsdoeleinden is gebruikt en/of welke kosten daaraan zijn toe te rekenen, is onder voorwaarden onderdeel 2.2 van het Besluit van 11 juli 2012 van toepassing. Daarin is bepaald dat de btw verschuldigd als gevolg van de toepassing van artikel 4, tweede lid, letter a, van de Wet OB wordt vastgesteld op 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) van de desbetreffende auto.

48. In het door belanghebbende genoemde arrest (punt 45.) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omvang van het privégebruik niet uitsluitend is vast te stellen aan de hand van een kilometeradministratie. Ingeval de administratie van een ondernemer geen gegevens bevat waaruit is af te leiden in hoeverre een goed voor privédoeleinden is gebruikt, moet de omvang van het privégebruik met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid worden bepaald. Bij deze beoordeling moeten omstandigheden in aanmerking worden genomen zoals de aard van de onderneming, de zakelijke doeleinden waarvoor het aangeschafte goed binnen die onderneming bruikbaar is, alsmede de positie en de werkzaamheden binnen de onderneming van degene die het goed gebruikt, en voorts hetgeen bekend is omtrent de wijze waarop het goed voor privédoeleinden mag worden gebruikt of is gebruikt zoals bijvoorbeeld voor woonwerkverkeer. Wanneer een beroep wordt gedaan op statistische gegevens, dient aan de hand van omstandigheden als hiervoor vermeld aannemelijk te worden gemaakt dat deze gegevens in het desbetreffende geval bruikbaar zijn.

49. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de correctie wegens privégebruik van de auto’s terecht vastgesteld op basis van het Besluit. Uit het rapport loonheffingen, volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW, een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig is aangepast. Voor de overige drie auto’s is geen rittenadministratie bijgehouden en heeft belanghebbende wisselende verklaringen afgelegd omtrent het gebruik. Dat [gemachtigde 2] , noch zijn echtgenote in privé gebruik maken van de auto’s acht de rechtbank, mede gelet op het ontbreken van een auto in privé bij beiden, niet aannemelijk. De door belanghebbende verstrekte overzichten zijn, gelet op het ontbreken van een toelichting, op het moment dat zij zijn overgelegd en op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet bruikbaar.

Zijn aan belanghebbende terecht boetes opgelegd?

Wettelijk kader

50. Ingevolge artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ingevolge artikel 67f van de AWR kan de inspecteur een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet is betaald.

51. In paragraaf 28, zesde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) is bepaald dat indien de bijtelling in verband met privégebruik niet heeft plaatsgevonden, de inspecteur een boete oplegt van 40% in geval van grove schuld en 80% in geval van opzet. In paragraaf 28, zevende lid, van het BBBB staat dat de boete indien sprake is van een onjuiste of onvolledige rittenadministratie wordt verhoogd naar 100% van de grondslag.

52. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 8 april 2022⁷ dienen bij de beantwoording van de vraag of het bewijs met betrekking tot een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dat geval (voorwaardelijk) opzet, is geleverd, de waarborgen in acht te worden genomen die de belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) . Die waarborgen brengen onder meer mee dat de bewijslast op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. Dit betekent dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. Deze maatstaf stemt overeen met de in fiscale wetgeving voorkomende formulering “doen blijken”, die inhoudt dat de desbetreffende feiten en omstandigheden overtuigend moeten worden aangetoond. De stelplicht met betrekking tot die feiten en omstandigheden rust op de inspecteur, die deze vervolgens overtuigend zal moeten aantonen voor zover zijn stellingen worden betwist. Voor de beantwoording van de vraag of (voorwaardelijk) opzet aanwezig is, is mede van belang dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de betrokkene dat gevolg heeft gewild of althans de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.Daarvoor moet vaststaan (i) dat hij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven, en (ii) dat hij deze kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Vergrijpboetes Vpb en OB

53. Bij beschikking zijn de volgende vergrijpboetes Vpb opgelegd:

Vpb 2015

Omzet [bedrijf 3] 50% van 20% van € 9.500 = € 950

Auto-/onkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800

Managementfee retour 25% van 20% van € 41.322 = € 2.066

Vpb 2016

Auto-/onkostenvergoeding 50% van 20% van € 18.000 = € 1.800

Tweede helft debiteurenregeling 25% van € 4.034 = € 1.008

Omdat de correctie [bedrijf 3] is vervallen, is ook de daarbij behorende boete vervallen. Volgens de inspecteur moet de boete in verband met “Managementfee retour” tevens worden verminderd met € 104 tot € 1.962.

54. Bij beschikking is de volgende vergrijpboete OB 2016 opgelegd:

Auto-/onkostenvergoeding 50% van € 3.780 = € 1.890

Privégebruik auto 80% van € 6.397 = € 5.117

Tweede helft debiteurenregeling 25% van €4.334 = € 1.085

55. Belanghebbende stelt dat de inspecteur voor de jaren 2015 en 2016 ten onrechte vergrijpboetes Vpb en OB heeft opgelegd. Hij heeft voor beide middelen de volgende gronden aangevoerd en de inspecteur heeft op deze gronden gereageerd.

Una via en ne bis in idem

56. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur handelt in strijd met het una via-beginsel en ne bis in idem-beginsel.

57. Het una via-beginsel vindt zijn grondslag vindt in artikel 5:44 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende strafrechtelijk is/wordt vervolgd. Van schending van het una via beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

58. Het ne bis in idem-beginsel vindt zijn grondslag in artikel 5:43 van de Awb. Op grond van die bepaling legt de inspecteur niet wegens dezelfde overtreding meerdere bestuurlijke boetes op. Uit het dossier volgt niet dat aan belanghebbende voor 2015 en 2016 andere bestuurlijke boetes zijn opgelegd dan de vergrijpboetes. Van schending van het ne bis in idem beginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Op cumulatie van de boetes zal hierna worden ingegaan.

Onschuldpresumptie en nemo tenetur

59. De vergrijpboete is volgens belanghebbende in strijd met het arrest Melo Tadeauopgelegd. Het uitgangspunt is de onschuldpresumptie. De inspecteur heeft die presumptie geschonden, omdat de inspecteur al bij het tweede gesprek uitging van schuld/verwijt. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur ook het nemo tenetur-beginsel geschonden, omdat niemand gehouden is bewijs tegen zichzelf te regelen. Belanghebbende is ondervraagd door de inspecteur, de heer [naam 3] , zonder voorafgaande melding en zonder belanghebbende te wijzen op het zwijgrecht. Vervolgens heeft de inspecteur een verdenking geuit en heeft hij besloten om het onderzoek uit te breiden. Het materiaal dat is verkregen is wilsafhankelijk materiaal. Dat materiaal is dus ten onrechte verkregen en mag niet worden meegenomen in de beoordeling of de vergrijpboete terecht is opgelegd.

60. De inspecteur stelt dat de heer [naam 3] niet belast is geweest met het onderzoek in de Vpb en evenmin bij het vaststellen van de boeten in de Vpb en OB. Dit was de heer [gemachtigde 4] . De informatie waarop de boetes zijn gebaseerd, betreft volgens de inspecteur allemaal wilsonafhankelijke informatie. Het gaat hierbij om facturen, boekingen in de administratie, etc. Deze informatie betreft informatie die de belanghebbende op grond van artikel 47 van de AWR dient te verstrekken. Het is vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat het nemo tenetur beginsel niet in de weg staat aan de verplichting om informatie te verschaffen voor een juiste belastingheffing.

61. Naar het oordeel van de rechtbank is het Melo Tadeau-arrest niet van toepassing, omdat het arrest slechts van belang is wanneer zich een samenloop voordoet tussen een strafrechtelijke uitspraak en een fiscale procedure. Zoals eerder opgemerkt is belanghebbende niet strafrechtelijk vervolgd.

62. De Hoge Raad heeft in het arrest van 8 augustus 2014het volgende overwogen:

“2.4. (…)

Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal op grond van een wettelijke informatieverplichting (…) ter zake daarvan geen schending van artikel 6 opleveren, (…)

2.5. Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. EHRM 3 mei 2001, no. 31827/96, J.B. tegen Zwitserland, BNB2002/26), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien. (...)”

63. Voor zover door belanghebbende stukken uit de administratie heeft verstrekt, is sprake van wilsonafhankelijk materiaal en is het nemo tenetur- beginsel niet van toepassing.

In het controlerapport wordt ten aanzien van het privégebruik auto verwezen naar het rapport loonheffingen. Uit het rapport loonheffingen

volgt dat op 29 oktober 2018 een inleidend gesprek is gevoerd met de heer [gemachtigde 2] . In dat gesprek heeft [gemachtigde 2] over het privégebruik van de aanwezige auto’s een verklaring gegeven. Op 30 november 2018 heeft belanghebbende ordners met bankgegevens en rittenadministraties verstrekt. Op 30 november 2018 heeft de heer [naam 1] per e-mail aangegeven welke bijtelling voor privégebruik auto is toegepast en -voor zover bekend- welke auto’s het betreft. Tevens heeft de heer [naam 1] bericht omtrent de aanwezige auto’s en het gebruik. Op pagina 5 van het rapport is het volgende vermeld: “De aangeleverde rittenregistraties leverden de nodige vragen op”. De heer [gemachtigde 2] heeft op 10 december 2018 verklaard dat zijn vrouw in beide Mercedessen heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring Van de heer [gemachtigde 2] van 10 november 2018 en de verklaringen daarna als wilsafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt. Dat de verklaringen zijn afgelegd in het kader van het onderzoek naar de loonheffingen maakt dat niet anders, voor zover de verklaringen ook zijn gebruikt in het kader van het opleggen van de boete ten aanzien van het privégebruik auto voor de OB. Gelet op hetgeen op pagina 5 van het controlerapport is vermeld, had het op de weg van de inspecteur gelegen om belanghebbende op dat moment te wijzen op de gerezen twijfels en de mogelijke gevolgen daarvan, namelijk de mogelijkheid dat boetes zouden worden opgelegd. Op de gevolgen hiervan zal hierna worden ingegaan.

Boete Vpb 2015 en 2016 en OB 2016: auto-/onkostenvergoeding

64. De inspecteur stelt dat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat de vergoeding voor belanghebbende en niet voor [gemachtigde 2] bestemd was. Dat een medewerker van [bedrijf 1] een andersluidende verklaring zou hebben gegeven acht de inspecteur niet aannemelijk. Door de fiscale verwerking, te weten het verwerken van de vergoeding in rekening-courant met de aandeelhouder in plaats van als omzet, aan de administrateur voor te schrijven, heeft belanghebbende zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat te weinig belasting zou worden geheven. Subsidiair is sprake van grove schuld, omdat belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten of kunnen begrijpen dat haar handelen zou kunnen leiden tot het heffen van te weinig belasting. Dit geldt temeer gelet op de bij belanghebbende aanwezige kennis van het fiscale recht.

65. Naar het oordeel van de rechtbank is de inspecteur er in geslaagd overtuigend aan te tonen dat bij belanghebbende sprake was van opzet. Daarbij is van belang dat de bewijslast dat sprake was van opzet op de inspecteur rust en dat de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat zij niet heeft geweten dat het door haar behaalde resultaat niet in de heffing zou moeten worden betrokken. Belanghebbende heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de vergoedingen daadwerkelijk aan [gemachtigde 2] toekwamen. De enkele door de administrateur afgelegde verklaring maakt dat niet anders omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , wist dat deze verklaring niet kon kloppen. Door desalniettemin de administrateur de opdracht te geven de vergoedingen in rekening-courant met de aandeelhouder te verwerken, heeft belanghebbende geweten dat te weinig belasting zou worden geheven. Onder deze omstandigheden is het aan de opzet van belanghebbende te wijten dat te weinig belasting is geheven.

66. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.530 , de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 1.530 en de boete OB 2016 tot €1.606.

Boete Vpb 2015 managementfee retour

67. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld. Aangezien aan de memoriaalboeking geen facturen, bankafschriften of andere bescheiden ten grondslag liggen, is het volgens de inspecteur uitgesloten dat de administrateur deze boeking op eigen initiatief is gemaakt. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om aan de administrateur duidelijke instructies te geven over de boeking. Nu hij dit heeft verzuimd, is sprake van grove schuld.

68. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] en/of betalingen door [gemachtigde 2] namens belanghebbende aan [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.

69. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2015 moet worden verminderd tot € 1.667 (85% van € 1.962).

Boete Vpb en OB 2016 tweede helft debiteurenregeling

70. De inspecteur stelt dat sprake is van grove schuld. Door de onder punt 7. vermelde boeking is de winst verlaagd met € 20.661, terwijl aan de boeking geen facturen of andere bescheiden ten grondslag liggen. Bij de bankafschrijving staat “afl. lening”. Dit kan volgens de inspecteur niets anders betekenen dan “aflossing lening”. De inspecteur acht het uitgesloten dat de administrateur dit op eigen houtje op de winst- en verliesrekening heeft geboekt, dit moet op initiatief van belanghebbende zijn gebeurd. De verklaring van belanghebbende dat de boeking in overleg met [bedrijf 1] is geschied en op basis van een creditnota, acht de inspecteur niet aannemelijk.

71. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van grove schuld. Omdat belanghebbende, in de persoon van [gemachtigde 2] , zich als fiscaal advocaat had kunnen realiseren dat de managementfee slechts mocht worden teruggeboekt als onderliggende stukken, zoals creditnota’s van [bedrijf 1] , daartoe aanleiding gaven, maar zich verder niet de moeite heeft getroost de onderliggende stukken te vergaren en zich ook verder niet heeft vergewist van de juistheid van haar handelwijze, had zij redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg zou kunnen hebben dat te weinig belasting zou worden geheven.

72. De rechtbank beoordeelt tevens of de boetes moeten worden gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De boetes zijn aangekondigd in het conceptrapport van 10 juni 2020, waardoor de redelijke termijn op dat moment is gaan lopen. Tussen die datum en deze rechtbankuitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Gezien de duur van de periode tussen het opleggen van de boete en de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn overschreden. De rechtbank acht daarom een vermindering van de boetes met 15% geboden. Dat betekent dat de boete Vpb 2016 moet worden verminderd tot € 856 en de boete OB 2016 moet worden verminderd tot € 922.

Boete OB privégebruik auto

73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur overtuigend aangetoond dat belanghebbende meerdere auto’s voor privédoeleinden ter beschikking heeft gesteld aan [gemachtigde 2] en zijn familieleden. Uit het rapport loonheffingen volgt dat belanghebbende weliswaar voor twee auto’s, te weten de Audi en de BMW een rittenadministratie in Black Box heeft bijgehouden, maar dat deze later handmatig zijn aangepast, dat voor de resterende auto’s geen rittenadministratie is bijgehouden en dat de rittenadministraties meerdere malen door belanghebbende zijn aangepast. Voorts heeft de inspecteur meerdere omissies in de rittenadministraties vastgesteld en aangetoond dat op jaarbasis met meerdere auto’s meer dan 500 kilometer in privé is gereden. Door deze handelwijze kan naar het oordeel van het rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat [gemachtigde 2] zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat met betrekking tot de ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte geen loonheffing ter zake van het privégebruik zou worden geheven en dat hij dat gevolg niettemin bewust heeft aanvaard. Van belang is daarbij tevens dat [gemachtigde 2] zelf heeft verklaard dat hij werkzaamheden als fiscaal jurist verricht. Derhalve is sprake van (voorwaardelijk) opzet aan de zijde van belanghebbende. De stelling van belanghebbende dat hij zelf geen inhoudelijke administratieve handelingen heeft verricht strookt niet met de verklaring van [gemachtigde 2] tijdens het inleidend gesprek bij het boekenonderzoek, namelijk dat hij zelf de input levert voor de financiële administratie en de loonadministratie. De in punt 64. geconstateerde schending van het nemo tenetur-beginsel heeft geen gevolgen voor de boete omdat de boeteoplegging voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van de boekhouder en andere bij het onderzoek verkregen informatie, zoals de agenda en de bekeuringen. De inspecteur heeft, gelet op het bepaalde in artikel 67f van de AWR, mitsdien terecht een vergrijpboete aan belanghebbende opgelegd. Anders dan belanghebbende stelt kan voor elk jaar en voor meerdere middelen een boete worden opgelegd. De rechtbank ziet daarin wel aanleiding om de boete van 80% naar 25% te verlagen. Daarmee is tevens voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De boete wordt dus verminderd van € 5.117 met € 3.518 tot een bedrag van € 1.599.

Belastingrente

74. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Omdat de beroepen inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 en 2015 gegrond zijn in verband met het vervallen van de correcties [bedrijf 3] , moeten de beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig worden verminderd. De beschikkingen belastingrente inzake de navorderingsaanslagen Vpb 2014 tot en met 2016 moeten eveneens worden verminderd overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.

Immateriële schadevergoeding

75. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de door haar geleden immateriële schade in verband met de lange behandelingsduur van haar zaken.

76. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van 19 februari 2016en 14 juni 2024. Op grond van het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen.

77. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, zodat voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar moet worden gehanteerd. Omdat de rechtsmiddelen niet tegelijkertijd zijn aangewend rekent de rechtbank voor de mate van overschrijding van de redelijke termijn vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Dat is in dit geval het bezwaar van 29 december 2020 tegen de navorderingsaanslag Vpb 2014. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is afgerond 66 maanden. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met 42 maanden overschreden. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500. De uitspraak op bezwaar van de inspecteur is van 7 december 2023. Dit is langer dan de termijn van zes maanden die voor hem geldt. De rechtbank zal de inspecteur daarom veroordelen om een bedrag van € 2.500 (30/42 x € 3.500). aan belanghebbende te vergoeden. De Staat moet het resterende bedrag vergoeden, namelijk € 1.000 (12/42 x € 3.500).

Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid is het niet nodig de Staat om een reactie te vragen op het verzoek.

Conclusie en gevolgen

78. De beroepen tegen de uitspraken op bezwaar inzake de Vpb over de jaren 2014 tot en met 2016 zijn gegrond. De navorderingsaanslag Vpb 2014 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 116.579 -/- € 11.495=) € 105.084. De navorderingsaanslag Vpb 2015 wordt verminderd tot naar een belastbare winst van (€ 87.880 -/- € 9.500=) € 78.380. De beschikkingen belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete Vpb 2015 wordt verminderd tot € 1.667. De vergrijpboete 2016 wordt verminderd tot € 2.386. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de Vbp over het jaar 2017 is ongegrond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2016 is gegrond, uitsluitend voor zover het boete betreft. De rechtbank vermindert de boete tot een bedrag van € 4.127. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de OB over het jaar 2015 is ongegrond. Omdat de beroepen (deels) gegrond zijn, krijgt belanghebbende een vergoeding van haar griffierecht. Ook moet de inspecteur de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt die vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 4.800 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 666 en 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1,5 vanwege vier of meer samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2014 gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2014 tot naar een belastbare winst van € 105.084;

bepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;

verklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2015 gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de navorderingsaanslag Vpb 2015 tot naar een belastbare winst van € 78.380;

bepaalt dat de beschikking belastingrente overeenkomstig wordt verminderd;

vermindert de vergrijpboete Vpb 2015 tot € 1.667;

verklaart het beroep inzake de navorderingsaanslag Vpb voor het jaar 2016 gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;

vermindert de vergrijpboete Vpb 2016 tot € 2.386;

verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag OB voor het jaar 2016 gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar, maar uitsluitend voor zover het de boete betreft;

vermindert de vergrijpboete OB 2016 tot € 4.127;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde (delen van de) uitspraken op bezwaar;

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 2.500;

veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

veroordeelt de inspecteur in de door belanghebbende gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 4.800;

bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en mr. R. van der Struijk, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 1 juli 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

voorzitter

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:4 van de Awb.

Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.

³ ECLI:NL:HR:2017:711

Nr. BLKB 2012/639M, Staatscourant 2012, 14822.

⁵ Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

⁶ Artikel 8, zevende lid, van de Wet OB.

⁷ ECLI:NL:HR:2022:526.

EVRM 23 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778510.

EHRM 10 september 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC00765401.

ECLI:NL:HR:2014:2144.

ECLI:NL:HR:2026:59.

ECLI:NL:HR:2016:252.

ECLI:NL:HR:2024:853.

Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, 20210, samen met de Regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid van 27 oktober 2017, Staatscourant 2017, 62751.

More Decisions