ECLI:NL:RBGEL:2026:5222
Case Summary
Strafrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/174127-25
Datum uitspraak : 25 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1. De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en/of Zutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door
die [aangever] (veelvuldig) (WhatsApp)berichten te sturen en/of
een of meermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en/of
kleding en/of andere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en/of
die [aangever] een of meermalen met zijn auto te achtervolgen en/of (vervolgens) klem te rijden en/of
zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en/of foto's en/of teksten van/over die [aangever] op social media te plaatsen en/of
een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en/of (vervolgens) een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naar een of meerdere personen via WhatsApp te sturen,
met het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de pleegperiode bepleit dat deze dient te starten op 7 april 2025, omdat de communicatie tussen verdachte en [aangever] pas vanaf dan vrijwel volledig eenzijdig is geworden.
Ten aanzien van het rijden door [adres] te Zutphen heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het buurtonderzoek en uit het beeldmateriaal niet is gebleken dat verdachte zelf door de straat is gereden. Verdachte is weleens door de straat gereden omdat zijn kinderen daar verbleven, maar dat is onvoldoende voor het vereiste oogmerk. De rechtbank wordt verzocht verdachte van dat onderdeel vrij te spreken.
Ten aanzien van het weggooien van de spullen van aangeefster is door de raadsvrouw betoogd dat dit onderdeel buiten beschouwing dient te blijven, nu het weggooien van goederen naar zijn aard geen gedraging is die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Als dergelijke handelingen al hebben plaatsgevonden, ligt een beoordeling in de sfeer van vermogensdelicten meer voor de hand. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens te worden vrijgesproken.
Voor de overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Mevrouw [aangever] (hierna: aangeefster) heeft op 15 april 2025 aangifte gedaan van stalking tegen verdachte, haar ex-partner. Zij heeft als volgt verklaard. Verdachte en aangeefster hebben tien jaar een relatie gehad en hebben samen drie kinderen. Op 3 februari 2025 heeft aangeefster een streep onder de relatie gezet. In het begin konden ze nog wel praten en heeft verdachte de kinderen nog wel gezien, maar daarna is verdachte twee weken niet thuis geweest voor de kinderen. Nadat aangeefster het op haar naam gestelde bedrijf van verdachte had beëindigd, begon alle ellende. Aangeefster kreeg heel veel WhatsApp-berichten van verdachte. De hoeveelheid berichten nam toe toen verdachte er eind februari 2025 van overtuigd raakte dat aangeefster een relatie had gekregen met zijn neef [naam 1] , ondanks het feit dat aangeefster hem had verteld dat het slechts een vriendschap betrof. Verdachte begon te dreigen dat hij zijn kinderen zou ontvoeren. Ook zei hij dat aangeefster een hoer was.
Begin april werd aangeefster in Zutphen klemgereden door verdachte en zijn zoon. Ze heeft toen de politie gebeld. Op 5 april 2025 kwam verdachte aangeefster tegemoet gereden toen zij samen met de neef van verdachte in de buurt van Gorssel reed. Toen verdachte hen zag, draaide hij zijn auto en reed hen achterna, waarna hij aangeefster en [naam 1] midden in Gorssel opnieuw heeft klemgereden.
Verdachte bewerkte foto’s van aangeefster en [naam 1] tot stickers en filmpjes en stuurde deze rond met liedjes en teksten over aangeefster erbij. Hij zette ook foto's en filmpjes online op sociale media en zijn WhatsApp-status. Aangeefster werd hierdoor veel gebeld door mensen die de berichten hadden gelezen. Aangeefster kreeg foto’s van verdachte waarop te zien was dat hij haar kleding in een kledingcontainer had gegooid. Hij had alles van haar weggegooid, waardoor zij niks meer had.
Ten tijde van de aangifte zat aangeefster al een week binnen met haar kinderen. De kinderen gingen niet naar school omdat aangeefster bang was dat verdachte naar school zou komen en de kinderen zou meenemen. Verdachte reed de hele dag rondjes om haar maar in de gaten te houden. Hij stopte dan met de auto voor de deur en gaf dan veel gas zodat men hoorde dat hij er was.
De politie heeft een overzicht opgemaakt van de meldingen door aangeefster in de periode na de aangifte. Daaruit volgt dat aangeefster tussen 16 april 2025 en 3 juni 2025 verschillende meldingen heeft gedaan van gedragingen van verdachte. Zo zou verdachte meermaals achter haar aan zijn gereden. Ook zou hij met verschillende auto’s hard door de straat hebben gereden en daarbij dingen hebben geroepen. Op 8 mei 2025 meldde aangeefster dat verdachte foto’s van een naakte vrouw had verspreid en erbij had gezet dat het om haar ging. Op 30 mei 2025 werd vanuit Veilig Thuis het verzoek gedaan om een afspraak op locatie te maken, omdat vader dreigde de kinderen met geweld weg te halen op de verschillende adressen.
Op 27 november 2025 is aangeefster door de politie aanvullend gehoord. Zij verklaarde dat zij in de maanden mei en juni 2025 dagelijks tientallen berichten van verdachte ontving via WhatsApp. Ook kwamen er op meerdere data tussen 15 mei 2025 en 1 juni 2025 meerdere voertuigen door de straat waar ze verbleef. Aangeefster verklaarde verder dat verdachte met veel mensen een foto van een vagina heeft gedeeld, waarvan mensen dachten dat zij het was. Deze foto kwam van een website af.
De politie heeft de telefoon (een iPhone 13) onderzocht die onder verdachte in beslag werd genomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat vanuit deze telefoon, die door verdachte werd gebruikt, tussen 19 maart 2025 en 4 juni 2025 via WhatsApp in totaal 2.923 acties (berichten, bellen, blokkeren en deblokkeren) zijn verricht naar aangeefster. De berichten gaan voornamelijk over de kinderen en de (volgens verdachte) nieuwe partner van aangeefster, de neef van verdachte. Uit de context van de berichten is op te maken dat verdachte wanhopig is en niet wil dat zijn kinderen bij zijn neef waren. Verdachte wil dat aangeefster bij haar (aldus verdachte) nieuwe partner weggaat dan wel dat de kinderen naar hem of naar een pleeggezin gaan. Als ze maar niet bij zijn neef zijn. Dit zou goedschiks dan wel kwaadschiks gebeuren. Verdachte heeft hierbij meermaals bericht dat hij nooit zal opgeven en nog liever dood gaat, dat aangeefster het zeker zal verliezen en dat het nooit goed zal komen. Ook gaf verdachte aan dat hij berichten over aangeefster op Facebook en zijn WhatsAppstatus heeft gezet en nog zal zetten en dat hij haar zal controleren, in de gaten zal houden en bij haar zal langskomen. Uit de berichten komt een vorm van dreiging naar voren.
Uit het onderzoek volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode via WhatsApp veelvuldig schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken met aangeefster, Facebookberichten, foto's en filmpjes van en over aangeefster heeft gedeeld met zijn contacten. Meermaals werd een foto van een vagina gedeeld, direct gevolgd door een foto van aangeefster. Op Facebook plaatste verdachte foto’s van aangeefster waar zij herkenbaar op stond, gepaard met negatieve teksten.
Uit het overzicht van de WhatsApp-gesprekken volgt dat verdachte op 5 april 2025 aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een foto van aangeefster naast een auto stuurde, waarbij hij onder meer schreef: ‘ik reed ze klem’.
Op 8 april 2025 stuurde verdachte aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een aantal foto’s van kleding in een textielcontainer, gevolgd door de teksten: “wil je lachen”, “ik heb al heel veel kleding en dildo’s weggegooid”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niks meer en mag hier nooit meer een stap zetten”.Op 25 april 2025 stuurde verdachte aan aangeefster tientallen berichten waarvan één met de volgende inhoud: “Alles van jou is hier al uit het huis weg kleding echo's kistjes en doosjes en foto’s dus je hebt hier helemaal niks meer te zoeken. Echt alles wat aan jou herinneringen is weggegooid” en één met de volgende inhoud: “Echt alles is weg hier. Dus je hebt hier niks meer te zoeken. En heb maar geen hoop dat er nog iets zou liggen want dan heb je valse hoop”.
Aangeefster verbleef in de ten laste gelegde periode aan [adres] te Zutphen. Uit het buurtonderzoek van de politie volgt dat meerdere buurtbewoners hebben gezien dat door verschillende auto’s erg hard door de straat werd gereden, soms wel tien keer per dag. Deze auto’s werden bestuurd door een vader en zijn zoon die een conflict zouden hebben met de bewoners van nummer [nummer] . Volgens een buurtbewoner zou het gaan om verdachte en zijn zoon.
De heer [getuige] is door de politie als getuige gehoord en verklaarde dat in [adres] erg veel werd gescholden en geschreeuwd door verdachte en zijn zoon. Zij reden wel 10 tot 15 keer per dag als een dwaas door de straat en keken dan alleen naar de woning van nummer [nummer] .
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij veelvuldig WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij foto’s van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. De afbeelding van de vagina werd aan hem doorgestuurd en die heeft hij vervolgens zelf ook weer doorgestuurd. Ook heeft hij aangeefster op 5 april 2025 klemgereden in Gorssel. Met zijn gedragingen wilde hij bereiken dat zijn kinderen permanent bij hem zouden komen wonen, in plaats van bij zijn ex-partner en zijn neef. Verder heeft hij enkele malen, in ieder geval op 28 en 29 mei 2025, door [adres] gereden om zijn kinderen te zien. Ook heeft hij kleding en een vibrator van aangeefster weggegooid.Volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting ging het daarbij om oude kleding en rommel van aangeefster die door hem zijn opgeruimd omdat zij die niet kwam ophalen. Aangeefster zou eerder bijna al haar spullen al hebben meegenomen. Het WhatsApp-bericht“wil je lachen”aan ‘ [naam 2] ’ zag volgens verdachte op de vibrator. Op 3 april 2025 heeft hij aangeefster niet klemgereden, maar alleen naast haar gestaan met de auto.
Overwegingen van de rechtbank
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] in de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde gedragingen van verdachte op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Vervolgens zal zij beoordelen hoe de vast te stellen gedragingen juridisch dienen te worden gekwalificeerd.
De ten laste gelegde handelingen
Gelet op het voorgaande constateert de rechtbank dat niet ter discussie staat dat verdachte in een relatief korte periode duizenden WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij zogenaamde WhatsApp-statusupdates over aangeefster en foto’s en teksten over en van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. Ook staat niet ter discussie dat verdachte via WhatsApp naar meerdere personen een afbeelding heeft gestuurd van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is, gevolgd door een foto waarop het gezicht van aangeefster te zien is.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande ook worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals door [adres] is gereden. De aangifte wordt op dit punt ondersteund door de bevindingen van het buurtonderzoek en de getuigenverklaring van [getuige] , waaruit volgt dat verdachte – al dan niet samen met zijn zoon – soms wel 10 keer per dag op hoge snelheid en met veel geschreeuw en gescheld door de straat reed en daarbij vooral gericht was op de woning aan nummer [nummer] , waar aangeefster in de ten laste gelegde periode verbleef. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft verdachte zelf ook erkend dat hij ‘enkele keren’ door de straat heeft gereden. Het betoog van de verdediging dat verdachte dit enkel deed om zijn kinderen te zien, en niet met het oogmerk om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, wordt door hetgeen hiervoor is overwogen – met name ten aanzien van de frequentie, snelheid en het schelden – weersproken.
Op basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan tevens worden vastgesteld dat hij spullen en kleding van aangeefster heeft weggegooid, hetgeen ook volgt uit de aangifte, het onderzoek naar de telefoon van verdachte en de hiervoor weergegeven chatberichten van verdachte van 25 april 2025.
Ook kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte aangeefster meermalen met zijn auto heeft achtervolgd en (vervolgens) heeft klemgereden. Aangeefster spreekt van twee incidenten die op 3 en 5 april 2025 hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting het incident op 5 april 2025 bekend, maar zegt bij het eerste incident alleen met zijn auto naast aangeefster te hebben gestaan. De rechtbank overweegt dat zij, gelet op al het voorgaande, geen reden heeft om aan de verklaring van aangeefster op dit punt te twijfelen en acht dus bewezen dat verdachte aangeefster meermalen heeft achtervolgd en klemgereden.
Pleegperiode
Uit de genoemde bewijsmiddelen volgt dat alle voornoemde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde pleegperiode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat verdachte al vanaf 19 maart 2025 veelvuldig WhatsApp-berichten heeft verstuurd naar aangeefster, hetgeen ter terechtzitting ook door hem is bekend. Dat aangeefster in de periode van 19 maart 2025 tot en met 6 april 2025 nog (sporadisch) heeft gereageerd op de berichten van verdachte, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.
Juridische kwalificatie
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van alle hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Door de verdediging is bepleit dat het weggooien van de spullen van aangeefster hierbij buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze gedraging naar zijn aard geen gedraging zou zijn die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank overweegt echter dat het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet geen vastomlijnd begrip is en dat het tal van terreinen omvat. Met het welbewust weggooien van de kleding en spullen van aangeefster en het vervolgens versturen van foto’s daarvan naar aangeefster zelf en naar derden, met teksten als “wil je lachen”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niets meer”, heeft verdachte opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Gelet op de inhoud van de vele berichten stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn handelen het oogmerk heeft gehad het slachtoffer te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en haar vrees aan te jagen.
Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster.
3. De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeksde periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en/ofZutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door
die [aangever] (veelvuldig)(WhatsApp)berichten te sturen en/of
een ofmeermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en/of
kleding en/ofandere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en/of
die [aangever] een ofmeermalen met zijn auto te achtervolgen en/of(vervolgens) klem te rijden en/of
zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en/offoto's en/ofteksten van/over die [aangever] op social media te plaatsen en/of
een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en/of (vervolgens)een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naareen ofmeerdere personen via WhatsApp te sturen,
met het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Belaging
5. De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 9 september 2025, uitgebracht in een andere, maar aanverwante zaak, te weten:
een meldplicht bij de reclassering;
een training Cognitieve Vaardigheden of een andere ambulante behandeling, te bepalen door de reclassering.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.
Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een direct en indirect contactverbod met [aangever] en een locatieverbod voor de volgende locaties in Zutphen: [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , gelegen aan de [adres] , inclusief de bijbehorende parkeerplaats. Daarbij dient voor elke overtreding de vervangende hechtenis te worden bepaald op één (1) week, met een maximum van zes maanden. Van dit contact- en locatieverbod mag enkel worden afgeweken na toestemming van de Jeugdbescherming, de reclassering of andere hulpinstanties. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 140 uur. Daarnaast heeft zij verzocht om aan verdachte een contactverbod met [aangever] op te leggen voor de periode van een jaar, behoudens overleg over de kinderen met toestemming van jeugdzorg. Het locatieverbod dient te worden beperkt tot de straat waar [aangever] woonachtig is en een straal van 200 meter daaromheen. Ook dient het locatieverbod te worden beperkt tot een periode van een jaar.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat geen aansluiting moet worden gezocht bij een oud reclasseringsrapport dat ziet op een andere zaak. In de huidige zaak is een nieuw rapport opgemaakt, waarin de reclassering een straf zonder reclasseringsbemoeienis adviseert.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] . Nadat zij de relatie had beëindigd heeft verdachte haar maandenlang dagelijks tientallen berichten gestuurd, achtervolgd, getreiterd en zwartgemaakt door belastende berichten over haar te plaatsen op sociale media en WhatsApp-updates. Ook gooide hij haar spullen in een vuilcontainer en heeft hij aan meerdere mensen een van internet geplukte foto van een vagina gestuurd, direct gevolgd door een afbeelding van haar gezicht.
De heftige en blijvende gevolgen van deze belaging zijn door [aangever] treffend verwoord in de verklaring die zij ter zitting heeft voorgedragen. Zij leefde maandenlang met haar kinderen in angst en onzekerheid. Alles ging gepaard met spanning. Tot op de dag van vandaag staat zij in de overlevingsmodus en is zij haar gevoel van veiligheid kwijt.
Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en daar ook zijn spijt voor heeft betuigd, toont hij weinig inzicht in wat hij zijn ex-partner én zijn kinderen heeft aangedaan. Verdachte lijkt de omvang en ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan, ook voor zijn kinderen om wie het hem naar eigen zeggen allemaal te doen was, te bagatelliseren. Hij lijkt vooral oog te hebben gehad voor zichzelf en voor wat hem door aangeefster zou zijn aangedaan. Dit rekent de rechtbank hem aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat de leefgebieden "relatie partner, gezin en familie" en "psychosociaal functioneren" als direct delictgerelateerd aangemerkt worden. Omdat Jeugdbescherming en de rechterlijke macht nu betrokken zijn, wordt de grondslag van onderhavige verdenking door de reclassering niet meer als risicofactor voor toekomstig delictgedrag gezien. Beschermende factoren in het leven van verdachte zijn de liefde en zorg voor zijn kinderen en het aangesloten zijn van Jeugdbescherming, om de omgang met de kinderen in goede banen te leiden naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank. Verdachte wil geen contact meer met zijn ex-partner en heeft geen gevoelens meer voor haar. Positief is dat de wijkagent van verdachte heeft aangegeven dat er geen recente meldingen omtrent verdachte gedaan zijn, hij niet meer wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis en er op dit moment geen zorgen zijn. De toezichthouder van de reclassering die in 2025 belast was met het toezicht van verdachte geeft aan dat het toezicht goed verlopen is. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden worden ingeschat als laag. Omdat verdachte geen hulpvragen heeft, er een omgangsregeling omtrent de kinderen tot stand is gekomen en zowel Jeugdbescherming als de wijkagent betrokken zijn, wordt een afdoening zonder reclasseringsbemoeienis geadviseerd. Wel wordt er een contactverbod voor één jaar geadviseerd, omdat zowel verdachte als zijn ex-partner dit wensen.
De rechtbank overweegt dat het dossier ook een reclasseringsrapport bevat dat in een eerder stadium is opgemaakt in een andere strafzaak tegen verdachte. In die zaak ging het om een verdenking van onttrekking aan het wettelijk gezag van de oudste zoon van verdachte en aangeefster. Verdachte is van deze verdenking vrijgesproken op 3 oktober 2025. Hoewel deze zaak betrekking had op dezelfde partijen en gezinssituatie, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de reclassering ten aanzien van de huidige zaak een nieuw rapport heeft opgemaakt, waarin wordt uitgegaan van een recentere stand van zaken, maar met inachtneming van de voorgeschiedenis, aanleiding om dit meest recente rapport als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de straf.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Gelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte ter terechtzitting ten aanzien van aangeefster, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Op die manier heeft verdachte een flinke stok achter de deur om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze taakstraf in mindering te worden gebracht.
Ook zal de rechtbank aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht opleggen aan verdachte. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte en [aangever] vanwege hun kinderen met elkaar verbonden blijven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [aangever] , met uitzondering van contact ten behoeve van overleg over de kinderen dat plaatsvindt met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en een locatieverbod voor [adres] in Zutphen. Een breder locatieverbod voor de omliggende straten en [adres] acht de rechtbank niet noodzakelijk, gezien het feit dat er ook een contactverbod wordt opgelegd.
De rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren, zodat de periode gelijkloopt met de proeftijd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van in totaal 6 maanden.
Gelet op het bewezenverklaarde houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gedragen jegens [aangever] . Om die reden zal de rechtbank de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.
8. De beoordeling van de civiele vordering
Mevrouw [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal:
€ 3.333,33 aan materiële schade voor de door verdachte weggegooide goederen (o.a. kleding); en
€ 5.000 aan immateriële schade;
telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke exacte kleding en spullen door verdachte zijn weggegooid. Hij heeft de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de materiële schade te bepalen op een bedrag van € 1.500,00. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het gehele bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen. Voor beide bedragen heeft de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot materiële schade, primair gelet op het verweer dat het weggooien van de goederen geen belaging oplevert als bedoeld in de tenlastelegging. Subsidiair wordt aangevoerd dat deze schadepost niet is onderbouwd, terwijl nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Meer subsidiair is betoogd dat deze schadepost zich – voor wat betreft de goederen van de kinderen – niet leent voor behandeling in het strafproces, omdat er geen bijzondere curator is benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen, zoals in het civiele recht in dergelijke situaties in de rede ligt.
Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. Indien de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending aanleiding geven tot vergoeding van immateriële schade, wordt de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot € 750,00, omdat dit bedrag beter aansluit bij de aard, duur en ernst van het verweten handelen en bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
De rechtbank constateert dat niet kan worden vastgesteld welke exacte spullen verloren zijn gegaan. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Dit is gelet op de situatie echter begrijpelijk. Verdachte heeft bovendien zelf aan aangeefster en een andere geadresseerde laten weten dat hij ‘heel veel kleding’ en ‘echt alles’ wat aan aangeefster herinnerde, heeft weggegooid. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, en de schade als gevolg van de weggegooide goederen naar billijkheid – en met inachtneming van afschrijving – begroten op een bedrag van € 1.500,00.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schade.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van het bewezenverklaarde en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.
Blijkens de toelichting op de vordering kampte de benadeelde partij door het tenlastegelegde onder meer met angstklachten, stress en slaapproblemen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zijn zo ingrijpend dat dit meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Voor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het hoofdstuk belaging in de zogeheten Rotterdamse Schaal. De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde zich op het snijvlak bevindt tussen de categorieën ‘(a) meest ernstig’ en ‘(b) ernstig’. Hoewel het bewezenverklaarde voor wat betreft de duur in categorie b kan worden geschaard, zijn er ook elementen in het gedrag van verdachte die bij de meest ernstige categorie passen. Zo heeft verdachte (veelvuldig) beeldmateriaal over en van de benadeelde op sociale media geplaatst, ook met een seksuele strekking. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding dan ook naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 5.000,00.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van het bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade, te weten het moment waarop de goederen zijn weggegooid: 8 april 2025.
Ten aanzien van het bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf de laatste dag van de tenlastegelegde periode: 4 juni 2025.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.
9. De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:
een gebiedsverbod: verdachte bevindt zich gedurende drie jaren niet in [adres] te Zutphen; en
een contactverbod: verdachte onthoudt zich gedurende drie jaren van – direct of indirect – contact met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1987, tenzij dit contact plaatsvindt ten behoeve van overleg over de kinderen en met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en daarbij de aanwijzingen van de betreffende instantie worden opgevolgd;
beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]
veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van:
€ 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van
€ 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.
Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 2025159994, gesloten op 30 oktober 2025, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Het proces-verbaal van aangifte van 15 april 2025, p. 8-13.
Het proces-verbaal van bevindingen meldingenoverzicht na aangifte, aanvullend proces-verbaal, p. 16-18.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 27 november 2025, aanvullend proces-verbaal, p. 8-11.
Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Apple iPhone 13 en de bijlage uitlezen telefoon, p. 199-200, 230-231, 233-234.
Chatbijlage WhatsApp, p. 270, bijlage bij pv tijdlijn in stalkingszaken, p. 171 e.v.
Het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 180.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 186.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 11 juni 2026.