[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5282":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5282":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"586","ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","",68,"Zutphen","zutphen","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F454310 \u002F HZ ZA 25-189\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [naam eiser in conventie 1] ,\n\nte [woonplaats] , 2. [naam eiser in conventie 2],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [de eiser in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. C. Cenik,\n\ntegen\n\n [naam gedaagde in conventie],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [de gedaagde in conventie] ,\n\nadvocaat: mr. K.W. Janssen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 maart 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de eiser in conventie] hebben op 11 april 2016 van [de gedaagde in conventie] en haar voormalige partner de eigendom verkregen van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 1] te [woonplaats] . [de gedaagde in conventie] is eigenares van de woning aan de [straatnaam] [huisnummer 2] te [woonplaats] . Partijen zijn (directe) buren van elkaar.\n\n2.2.. \n\nIn de akte waarbij de woning aan [de eiser in conventie] is geleverd zijn verschillende erfdienstbaarheden gevestigd. In de akte staat in dit verband onder meer het volgende:\n\n“(…)\n\nVESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN\n\nVerkoper en koper zijn voorts blijkens voormelde overeenkomst overeengekomen en vestigen ter uitvoering daarvan:\n\n(…)\n\nten behoeve en ten laste van het bij deze verkochte, het woonhuis (voorhuis) [straatnaam] [huisnummer 1] [postcode] [woonplaats] , het heersende erf, en ten behoeve en ten laste van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte (…) het woonhuis (achterhuis) [straatnaam] [huisnummer 2] te [postcode] [woonplaats] , over en weer als heersende en dienende erven, erfdienstbaarheden, inhoudende te dulden, dat de toestand waarin de erven zich ten opzichte van elkaar bevinden wordt gehandhaafd, speciaal voor wat betreft (…) toevoer van licht en lucht (…);\n\nde gemeenschappelijke muren zullen gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens zal door het hart van die muren lopen;\n\nvoormelde zojuist gevestigde erfdienstbaarheden worden door verkoper en koper aangenomen.\n\n(…)”\n\n2.3.. Tussen partijen zijn door de jaren heen verschillende geschilpunten ontstaan.\n\n2.4.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, toen [de eiser in conventie] met vakantie waren en zonder hun medeweten, een deel van het bordes van de entree tot de woning van laatstgenoemden verwijderd en een zwarte houten wand geplaatst tegen de zijkant van deze entree. Aan de ene kant was de wand bevestigd aan de eiken paal die het afdak boven de entree ondersteunt, aan de andere zijde aan de muur naast de entree. De lichtinval bij de entree van de woning van [de eiser in conventie] werd daardoor aanzienlijk verminderd.\n\n2.5.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van haar perceel een haagbeuk geplaatst.\n\n2.6.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar perceel naast de mandelige scheidsmuur op slordige wijze een muur gemetseld waarop van boven naar beneden de letters “A J A X” zijn gemetseld. Later heeft zij voor deze letters een groen geschilderde houten plank gehangen.\n\n2.7.. \n [de gedaagde in conventie] heeft, zonder toestemming van [de eiser in conventie] houten planken op de mandelige tuinmuur geplaatst. Deze heeft zij na ontvangen sommaties verwijderd en vervolgens bevestigd aan de achtergelegen pergola.\n\n2.8.. Aan de achterzijde van de woningen staat langs de erfgrens op het perceel van [de gedaagde in conventie] een dubbel hekwerk, dat wil zeggen een binnen- en buitenhekwerk met daartussen een beukenhaag. [de gedaagde in conventie] heeft op en langs het buitenste deel van het hekwerk, aan de zijde van [de eiser in conventie] , stroomdraad bevestigd.\n\n2.9.. \n [de eiser in conventie] zijn eigenaar van de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de woning van [de gedaagde in conventie] . Bij de levering van de woning aan [de eiser in conventie] is ten behoeve van het perceel van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid gevestigd op grond waarvan [de gedaagde in conventie] van en naar haar woning mag lopen of rijden.\n\n2.10.. \n [de gedaagde in conventie] heeft aan de achterzijde van de woning de houten balk van haar pergola bevestigd aan de muur.2.11.. Nadat verschillende incidenten tussen partijen hadden plaatsgevonden hebben [de eiser in conventie] op advies van de politie beveiligingscamera’s geplaatst. Deze bevinden zich op het schuurtje in de zijtuin, aan de zijgevel en aan de voorgevel. Ook heeft de deurbel een camera.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n\n [de eiser in conventie] vorderen dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis\n\nI. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het bordes in de oorspronkelijke staat te herstellen, welke oorspronkelijke staat blijkt uit de als productie 5 overgelegde foto’s, alsmede de zwarte wand te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nII. [de gedaagde in conventie] zal gebieden de haag op maximaal 2 meter hoogte te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat [de gedaagde in conventie] met deze verplichting in overtreding is, met een maximum van € 50.000,00,\n\nIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de AJAX-muur, zoals blijkt uit de als productie 7 overgelegde foto’s, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nIV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur te verwijderd en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nV. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het stroomdraad op en langs het buitenste scheidingshek te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVI. [de gedaagde in conventie] zal verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00,\n\nVII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen om binnen 7 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de aan de muur van [de eiser in conventie] bevestigde houten balk van de pergola te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00,\n\nVIII. [de gedaagde in conventie] zal veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles tevens te vermeerderen met de wettelijke rente indien de kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis.\n\n3.2.. \n [de gedaagde in conventie] voert verweer. [de gedaagde in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de eiser in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.3.. \n\nOp de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. \n\n [de gedaagde in conventie] vordert dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nI. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 1.000,00,\n\nII. [de eiser in conventie] zal veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het verwijderen en verwijderd houden van alle camera’s, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nsubsidiair:\n\nIII. [de eiser in conventie] zal veroordelen c.q. gelasten om binnen\n\n48 uur na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen termijn, over te gaan tot het fysiek vergrendelen en afschermen en fysiek vergrendeld en afgeschermd houden van alle camera’s, zodat deze geen zicht hebben op het perceel van [de gedaagde in conventie] en de openbare weg, alsmede daarbij te bepalen dat voornoemde camera’s niet (meer) over de mogelijkheid mogen beschikken om audio opnames te maken en daarbij te bepalen dat [de eiser in conventie] binnen dezelfde termijn als voornoemd bewijs van de vergrendelde c.q. afgeschermde situatie inclusief de onmogelijkheid van het maken van geluidsopnamen door voornoemde camera’s dienen te overleggen door een opname daarvan aan [de gedaagde in conventie] te verstrekken, dan wel op enigerlei andere wijze bewijs aan [de gedaagde in conventie] te overleggen waaruit blijkt dat aan de veroordeling op dit onderdeel is voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag per dag en \u002F of dagdeel met een maximum van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen maximum, voor iedere tekortkoming in deze,\n\nin alle gevallen:\n\nIV. [de eiser in conventie] zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 278,00 zonder betekening en\n\n€ 370,00 met betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.\n\n3.5.. \n [de eiser in conventie] voeren verweer. [de eiser in conventie] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [de gedaagde in conventie] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de gedaagde in conventie] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [de gedaagde in conventie] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente in het geval de proceskosten niet binnen veertien dagen zijn betaald.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van het geschil, zal zij ingaan op de stelling van [de gedaagde in conventie] dat – zo begrijpt de rechtbank – [de eiser in conventie] de waarheidsplicht als bedoeld in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hebben geschonden. Volgens [de gedaagde in conventie] hebben [de eiser in conventie] de door haar ingenomen standpunten buiten de dagvaarding gelaten en schetsen zij een eenzijdig beeld.\n\n4.2.. Op grond van artikel 21 Rv hebben partijen de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is de rechtbank duidelijk dat partijen van mening verschillen over de feiten en omstandigheden die aan het geschil ten grondslag liggen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [de eiser in conventie] bewust voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en naar waarheid hebben aangevoerd en in strijd hebben gehandeld met artikel 21 Rv.\n\nin conventie\n\n4.3.. De rechtbank begrijpt dat [de eiser in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht dan wel onrechtmatige hinder aan hun vorderingen ten grondslag leggen. Het juridisch kader van deze grondslagen zal eerst worden geschetst, dit kader zal vervolgens worden toegepast op de vorderingen van [de eiser in conventie] .\n\nHet juridisch kader\n\n4.4.. Artikel 5:1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat eigendom het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij om gebruik te maken van zijn zaak, mits dit gebruik niet in strijd is met rechten van anderen en daarbij de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen in acht worden genomen. De eigenaar kan zijn recht dus aan iedereen tegenwerpen en hij hoeft niet te dulden dat een ander zijn zaak op wat voor wijze dan ook gebruikt, tenzij die ander een bevoegdheid daartoe heeft verkregen. Het is in beginsel onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW om op een eigendomsrecht inbreuk te maken, tenzij voor die inbreuk een rechtvaardigingsgrond bestaat. Een vorm van een inbreuk op het eigendomsrecht is (onrechtmatige) hinder. Op grond van artikel 5:37 BW mag een eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. Voor de vraag of de hinder onrechtmatig is, zijn de criteria van artikel 6:162 BW bepalend. Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder, de daardoor veroorzaakte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1991:ZC0235). Wanneer sprake is van onrechtmatige hinder, kan degene die van mening is dat zijn buur hem hindert, een verbod tot verdere veroorzaking van die hinder of een gebod tot herstel in de oude toestand vorderen.\n\nHet bordes en de houten wand\n\n4.5.. \n [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt veroordeeld om het bordes te herstellen in de oorspronkelijke staat en de houten wand te verwijderen. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de entree, het bordes en de steunpaal van het afdak worden nagetrokken door de woning op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW. Door de situatie zonder hun toestemming te wijzigen maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op hun eigendomsrecht, aldus [de eiser in conventie] . [de gedaagde in conventie] voert hiertegen aan dat de houten wand op haar perceel staat en is bevestigd aan een mandelige muur. Daarom maakt zij volgens haar op grond van artikel 5:67 BW geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] .\n\n4.6.. Uit artikel 5:20 lid 1 onder e BW vloeit voort dat de eigenaar van een perceel grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond zijn verenigd, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Als een bestanddeel van een gebouw zich bevindt in, op of boven grond die aan een ander dan de eigenaar van het gebouw toebehoort, is dit bestanddeel geen eigendom van de grondeigenaar, maar van de eigenaar van het gebouw waarvan het deel uitmaakt (ECLI:NL:HR:1994:ZC1502). Het voorgaande brengt mee dat indien het bordes en het afdak met eiken paal bestanddelen zijn van de woning van [de eiser in conventie] , [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.\n\n4.7.. In artikel 3:4 BW staat, kort gezegd, dat sprake kan zijn van een bestanddeel van de woning op grond van de verkeersopvatting (lid 1) en op grond van onverbrekelijke verbondenheid (lid 2). Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting een bestanddeel is, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd. Een andere aanwijzing kan zijn dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming (ECLI:NL:HR:2012:BX7474). Op grond van artikel 3:4 lid 2 BW is al hetgeen dat zodanig met de hoofdzaak is verbonden, dat het daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van beide zaken, bestanddeel van die hoofdzaak (TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 72).\n\n4.8.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] ten aanzien van het bordes onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat van een situatie als bedoeld in artikel 3:4 lid 1 of 3:4 lid 2 BW sprake is. [de eiser in conventie] hebben bloot gesteld dat het bordes een bestanddeel is van hun woning. [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat zij alleen stenen van het bordes heeft weggehaald die op haar eigen perceel lagen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat die stenen onverbrekelijk verbonden waren met de woning van [de eiser in conventie] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit niet het geval was. [de eiser in conventie] hebben verder onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat hun woning en het bordes constructief op elkaar zijn afgestemd of dat de woning niet aan zijn bestemming (wonen) kan beantwoorden zonder het bordes. In het licht hiervan hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat het deel van het bordes dat is weggehaald door [de gedaagde in conventie] hun eigendom was en daarmee ook dat [de gedaagde in conventie] door het verwijderen van een deel van het bordes inbreuk heeft gemaakt op hun eigendomsrecht. De vordering van [de eiser in conventie] is daarmee niet toewijsbaar voor zover deze ziet op herstel van het bordes naar de oude situatie.\n\n4.9.. Over het plaatsen van de houten wand heeft [de gedaagde in conventie] betoogd dat de buitenmuur van de woning mandelig is en dat de houten wand is bevestigd aan haar deel van de mandelige muur. Volgens [de gedaagde in conventie] maakt zij op grond van artikel 5:67 lid 1 BW hiermee geen inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] hebben hiertegenover aangevoerd dat alleen de binnenmuren mandelig zijn en de betreffende buitenmuur, die in het verlengde van een binnenmuur loopt, niet. Volgens [de eiser in conventie] heeft de buitenmuur namelijk geen gemeenschappelijk nut. Daarnaast moet de mandelige bestemming in een notariële akte zijn opgenomen, wat niet het geval is, aldus [de eiser in conventie] .\n\n4.10.. Contractuele mandeligheid in de zin van artikel 5:60 BW ontstaat wanneer een onroerende zaak gemeenschappelijk eigendom is van de eigenaars van twee of meer erven en zij deze zaak bestemmen tot gemeenschappelijk nut van die erven. De toekenning van deze bestemming dient te geschieden bij notariële akte die wordt ingeschreven in de openbare registers. Door [de eiser in conventie] is onweersproken aangevoerd dat de betreffende muur de buitenmuur is van hun woning. De notariële akte waar beide partijen naar verwijzen bepaalt dat de gemeenschappelijke muren gezamenlijk eigendom zijn en de eigendomsgrens door het hart van die muren zal lopen. Nu de muur slechts aan één kant onderdeel is van een gebouw of werk (de woning van [de eiser in conventie] ) en aan de andere kant grenst aan onbebouwde grond (van [de gedaagde in conventie] ), heeft [de gedaagde in conventie] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een gemeenschappelijke muur in de zin van de notariële akte. De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW. Mandeligheid kan ook ontstaan op grond van de in artikel 5:62 BW genoemde gevallen. Artikel 5:62 BW maakt onderscheid tussen een vrijstaande scheidsmuur (lid 1) en een niet-vrijstaande scheidsmuur (lid 2). Onder een vrijstaande scheidsmuur moet worden verstaan een muur die twee erven scheidt en niet onderdeel is van een gebouw of werk (TM, Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 231). Een vrijstaande scheidsmuur is op grond van artikel 5:62 lid 1 BW van rechtswege mandelige mede-eigendom indien vaststaat dat de grens tussen de erven in de lengterichting onder de muur doorloopt. Op grond van artikel 5:62 lid 2 BW is een scheidsmuur die twee gebouwen of werken die aan verschillende eigenaren toebehoren, gemeen hebben, gemeenschappelijk eigendom en mandelig. Voor het ontstaan van de mandeligheid bij een niet-vrijstaande scheidsmuur is niet vereist dat de grens in de lengterichting onder de muur doorloopt.\n\n4.11.. \n [de eiser in conventie] hebben onweersproken aangevoerd dat de buitenmuur alleen aan hun zijde van de muur bebouwd is. Van een vrijstaande scheidsmuur is dus geen sprake. Tussen partijen is in geschil of in dit geval wel sprake is van een scheidsmuur als bedoeld in het tweede lid van artikel 5:62 BW. De woningen van partijen grenzen aan elkaar en de muur tussende beide woningen is mandelig op grond van artikel 5:62 lid 2 BW. Dit is ook niet tussen partijen in geschil. Partijen twisten wel over de vraag of deze mandeligheid zich ook uitstrekt tot de buitenmuur die in het verlengde van de mandelige (binnen)muur aan één zijde feitelijk de buitenmuur vormt van de woning van [de eiser in conventie] en aan de andere zijde aan de tuin van [de gedaagde in conventie] grenst. Omdat de muur op die plaats slechts aan één zijde bebouwd is, is deze op grond van artikel 5:62 BW niet mandelig. Door (horizontale) natrekking is de muur voor zover deze als buitenmuur kan worden aangemerkt (volledig) eigendom van [de eiser in conventie] . Het verweer dat de houten wand aan een kant is bevestigd aan een mandelige muur, slaagt dus niet.\n\n4.12.. De houten wand is aan de andere zijde bevestigd aan een eiken houten paal. Deze eiken houten paal ondersteunt het afdak van de woning van [de eiser in conventie] . Nu het afdak met de houten paal in constructief opzicht is afgestemd op de woning van [de eiser in conventie] , is de houten paal naar de verkeersopvatting een bestanddeel van de woning. Uit het voorgaande volgt dat zowel de muur als de houten paal waaraan de houten wand door [de gedaagde in conventie] bevestigd is, eigendom zijn van [de eiser in conventie] . Door het plaatsen van een houten wand tegen de muur en houten paal, maakt [de gedaagde in conventie] inbreuk op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] . Dat [de eiser in conventie] vervolgens ook zelf een houten schutting hebben geplaatst, tegen de andere zijde van de eiken paal, doet hier niet aan af. Voor zover [de gedaagde in conventie] betoogt, dat [de eiser in conventie] daardoor geen belang bij verwijdering van de houten wand hebben, omdat die schutting ook het zicht en licht blokkeert, faalt dit betoog. De rechtbank heeft van [de eiser in conventie] begrepen dat zij deze schutting in reactie hebben geplaatst en deze zullen verwijderen als de houten wand is verwijderd. Daarbij komt dat, zoals [de eiser in conventie] op de zitting onweersproken hebben aangevoerd, de door [de gedaagde in conventie] geplaatste wand in strijd is met de in de leveringsakte opgenomen erfdienstbaarheid op grond waarvan de toestand moet worden gehandhaafd voor wat betreft de toevoer van licht en lucht. De vordering van [de eiser in conventie] zal daarom (ook) worden toegewezen voor zover deze ziet op verwijdering van de houten wand.\n\nDe beukenhaag\n\n4.13.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen perceel een beukenhaag geplaatst. [de eiser in conventie] vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt geboden om de beukenhaag op maximaal twee meter hoogte te houden. [de eiser in conventie] leggen aan hun vordering ten grondslag dat [de gedaagde in conventie] heeft gezegd dat de beukenhaag hoger gaat reiken dan vijftien meter en het uitzicht van [de eiser in conventie] zal ontnemen. [de gedaagde in conventie] betwist de beukenhaag enkel te hebben geplaatst om [de eiser in conventie] te pesten en dat zij heeft aangegeven dat deze haag 15 meter hoog zou worden. Het laatste is volgens haar bovendien onmogelijk als gevolg van de wijze van beplanting. [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling daaraan toegevoegd dat de beukenhaag al twee jaar lang ongeveer twee meter hoog is, hetgeen niet is betwist, en dat zij niet van plan is om de beukenhaag (veel) hoger te laten groeien omdat het onderhoud dan problematisch wordt. De stelling van [de eiser in conventie] dat [de gedaagde in conventie] de beukenhaag tot meer dan vijftien meter zal laten groeien is daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd betwist. Nu [de eiser in conventie] niet hebben gesteld dat zij bij de huidige hoogte van de beukenhaag hinder ondervinden, zal hun vordering tot het gebieden van [de gedaagde in conventie] om de beukenhaag op maximaal twee meter te houden worden afgewezen.\n\nDe AJAX-muur\n\n4.14.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een muur gemetseld met daarin de letters AJAX (hierna: de AJAX-muur). [de eiser in conventie] stellen dat de muur een rustig beeld verstoort en vorderen verwijdering van deze muur. In het midden kan worden gelaten of de AJAX-muur, waarvan kan worden aangenomen dat deze op deze wijze is gemetseld om [de eiser in conventie] dwars te zitten, voldoende is om onrechtmatige hinder aan te nemen. [de gedaagde in conventie] heeft immers een houten plank voor de letters geplaatst zodat deze niet meer zichtbaar zijn voor [de eiser in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij nog steeds hinder ondervinden omdat de muur niet net en passend is afgewerkt. Dit betoog kan hen niet baten. Er bestaat geen recht op vrij of mooi uitzicht. Dat de muur en de afwerking er volgens [de eiser in conventie] niet mooi uitzien, is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. De vordering tot het verwijderen en verwijderd houden van de muur is daarom niet toewijsbaar.\n\nDe houten plank aan de pergola achter de mandelige tuinmuur\n\n4.15.. \n [de gedaagde in conventie] heeft op haar eigen terrein een houten plank aan een pergola bevestigd. [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de houten plank, omdat zij er hinder dan wel last van ondervinden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [de eiser in conventie] aangegeven dat zij de plank geen gezicht vinden. Wederom is de enkele stelling van [de eiser in conventie] dat de plank lelijk is, onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van [de eiser in conventie] nog aangevoerd dat de plank, bezien vanuit het perceel van eisers, boven de twee meter uitsteekt, wat volgens hem in strijd is met artikel 5:49 lid 1 BW. Artikel 5:49 lid 1 BW bepaalt dat iedere eigenaar van aangrenzende erven kan vorderen dat de ander meewerkt aan een gemeenschappelijke scheidsmuur van twee meter hoogte. Blijkens de eigen stellingen van [de eiser in conventie] zit de houten plank aan de pergola niet (meer) op de tuinmuur, maar tien tot vijftien centimeter achter de muur. Naar het oordeel van de rechtbank kan de houten plank aan de pergola daarom niet (meer) worden aangemerkt als onderdeel van een erfscheiding in de zin van artikel 5:49 lid 1 BW, zodat ook artikel 5:49 lid 1 BW geen grondslag biedt voor de gevorderde verwijdering van de houten plank. De vordering is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet stroomdraad\n\n4.16.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van het stroomdraad op en langs het buitenste hekwerk. Voor zover [de eiser in conventie] hun vordering tot verwijdering van het stroomdraad vorderen op grond van onrechtmatige daad wegens gevaarzetting, geldt het volgende.\n\n4.17.. Vooropgesteld wordt dat niet iedere vorm van gevaarzetting onrechtmatig is en dat een zekere mate van risicoschepping geoorloofd is. Het stroomdraad op en langs het hek van [de gedaagde in conventie] is alleen onrechtmatig als dit naar de normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is. Of dat het geval is, dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:1994:ZC1576). Daarbij zijn de volgende gezichtspunten van belang: de kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (ECLI:NL:HR:1965:AB7079). Op [de eiser in conventie] rust de stelplicht en bewijslast dat sprake is van onrechtmatige gevaarzetting.\n\n4.18.. \n [de eiser in conventie] stellen dat zij bij normaal gebruik van hun tuin tegen de stroomdraden aan kunnen komen en daardoor een schok krijgen en dat dit ook al eens is gebeurd. Daarnaast komt er wel eens bezoek met kinderen, ook zij lopen het risico de stroomdraden te raken. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gesteld dat sprake is van een gevaarzetting. [de gedaagde in conventie] heeft niet betwist dat het stroomdraad bij aanraking een schok geeft. Echter, [de gedaagde in conventie] heeft onweersproken aangevoerd dat het hek met de stroomdraden in zijn geheel op haar perceel staat. [de eiser in conventie] stellen in het kader van de onrechtmatigheid enkel dat het hek met stroom alleen is geplaatst om hun schade toe te brengen. [de gedaagde in conventie] betwist dit en voert aan dat het hek met de stroomdraden er staat om wild en honden weg te houden bij haar paarden en om haar paarden binnen te houden. Weliswaar staan er nu geen paarden in de wei, maar dit komt volgens [de gedaagde in conventie] omdat zij meermaals stenen in de wei heeft gevonden. [de gedaagde in conventie] heeft hiermee voldoende betwist dat het hek alleen is geplaatst om [de eiser in conventie] te schaden. De aard van de gedraging – het plaatsen van een hek op eigen perceel om wild en honden buiten te houden – is naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. In het licht van het voorgaande hebben [de eiser in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de gevaarzetting door [de gedaagde in conventie] naar normen van het maatschappelijk verkeer onaanvaardbaar is, zodat geen sprake is van een onrechtmatige daad. De vordering van [de eiser in conventie] tot het verwijderen van de stroomdraden op en langs het hek is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet betreden van het erf\n\n4.19.. \n [de eiser in conventie] vorderen [de gedaagde in conventie] te verbieden om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] te betreden. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat zij vorderen dat [de gedaagde in conventie] wordt verboden het gehele perceel, kadastraal aangeduid als [kadasternummer] , te betreden. Voor zover [de gedaagde in conventie] betwist dat de aan de overzijde van de weg gelegen strook grond, behorend tot dit perceel, eigendom van [de eiser in conventie] is, geldt dat zij deze betwisting, in het licht van de kadastrale tekeningen, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan. [de eiser in conventie] mogen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW met uitsluiting van eenieder gebruik maken van hun eigendom. Dat betekent dat [de eiser in conventie] van [de gedaagde in conventie] mogen verwachten dat zij zich niet meer op hun perceel begeeft, als zij dat niet wensen.\n\n4.20.. Het perceel van [de eiser in conventie] omvat echter mede de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van (het perceel van) [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat [de gedaagde in conventie] zonder recht en noodzaak hun perceel betreedt, hetgeen een onrechtmatige daad is en het gevorderde verbod rechtvaardigt. Voor zover [de eiser in conventie] hiermee doelen op de toegangsweg, geldt dat [de gedaagde in conventie] op grond van de erfdienstbaarheid het recht heeft om zich over de toegangsweg van en naar de openbare weg te begeven. [de eiser in conventie] dienen op grond van de erfdienstbaarheid daarom te dulden dat [de gedaagde in conventie] de toegangsweg betreedt. De rechtbank zal, als het mindere, [de gedaagde in conventie] verbieden om het perceel, kadastraal aangeduid met [kadasternummer] , te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is.\n\nDe houten balk aan de muur\n\n4.21.. \n [de eiser in conventie] vorderen verwijdering van de balk van de pergola. Hun raadsman heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat [de gedaagde in conventie] de houten balk van de pergola heeft losgemaakt van de muur, zodat dit geschilpunt feitelijk is opgelost. Voorts geldt het volgende. [de gedaagde in conventie] stelt dat de muur aan de achterzijde waar de houten balk aan was bevestigd, mandelig is op grond van de notariële akte. [de eiser in conventie] voeren aan dat de mandeligheid niet is bevestigd in de notariële akte. De buitenmuur is volgens [de eiser in conventie] geen gemeenschappelijk eigendom en daarmee niet mandelig. De rechtbank begrijpt dat hier zich eenzelfde soort situatie voordoet als bij de door [de gedaagde in conventie] bevestigde houten wand. De muur waaraan de houten balk aan was bevestigd, is immers ook alleen aan de woning van [de eiser in conventie] bebouwd en grenst aan de andere kant aan de (onbebouwde) tuin van [de gedaagde in conventie] . De betreffende buitenmuur is daarom niet mandelig op grond van artikel 5:60 BW of artikel 5:62 BW. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen dat is overwogen in rechtsoverweging 4.10 en 4.11. Door de houten balk aan de muur te bevestigen heeft [de gedaagde in conventie] inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [de eiser in conventie] , zodat hun vordering zal worden toegewezen voor zover deze ziet op het verwijderd houden van de balk van de muur.\n\nDe gevorderde dwangsommen\n\n4.22.. De door [de eiser in conventie] gevorderde dwangsommen zullen worden afgewezen. [de eiser in conventie] hebben niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe uitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.23.. \n [de gedaagde in conventie] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring ingeval de vorderingen jegens haar toewijsbaar worden geacht. [de gedaagde in conventie] voert aan dat zij in dat geval in hoger beroep zal gaan en er sprake zal zijn van onomkeerbare gevolgen als zij wordt veroordeeld aanpassingen te doen in en om haar woning.\n\n4.24.. Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, indien gevorderd, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd hangende een hogere voorziening. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze beoordeling blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aan te wenden rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing (ECLI:NL:HR:2019:2026)\n\n4.25.. De vorderingen in conventie die worden toegewezen zijn – samengevat – dat [de gedaagde in conventie] de houten wand dient te verwijderen, dat zij het erf van [de eiser in conventie] niet mag betreden (met uitzondering van de toegangsweg) en dat zij de houten balk verwijderd dient te houden. [de gedaagde in conventie] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat in deze gevallen sprake is van een onomkeerbare situatie en evenmin dat zij, zolang niet in hoger beroep is beslist, een groter belang heeft bij handhaving bij de bestaande toestand dan [de eiser in conventie] bij tenuitvoerlegging van het vonnis. Er bestaat dan ook geen grond om van het onder 4.24 weergegeven uitgangspunt af te wijken. Het vonnis in conventie zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nDe proceskosten in conventie\n\n4.26.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nin reconventie\n\n4.27.. \n [de gedaagde in conventie] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar vordering – samengevat – inhoudende dat [de eiser in conventie] worden veroordeeld om de beukenhaag die binnen de verboden zone staat te verwijderen, ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.. De overige vorderingen in reconventie zien op de door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s.\n\nDe camera’s\n\n4.28.. \n [de gedaagde in conventie] vordert in reconventie primair verwijdering van alle door [de eiser in conventie] opgehangen camera’s. Subsidiair vordert [de gedaagde in conventie] dat [de eiser in conventie] de camera’s dienen te vergrendelen en af te schermen en dat de camera’s niet meer de mogelijkheid mogen hebben om audio opnames te maken. [de gedaagde in conventie] legt aan haar vorderingen onrechtmatige daad in de vorm van inbreuk op haar recht op privacy ten grondslag. [de eiser in conventie] voeren hiertegen aan dat de camera’s niet op het perceel van [de gedaagde in conventie] zijn gericht en ook geen geluidsopnames maken. Daarnaast hebben de camera’s beveiligingsdoeleinden en een bewijsvergaringsfunctie in het geschil tussen partijen.\n\n4.29.. Het recht op privacy is opgenomen in artikel 8 van het EVRM (Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden) en artikel 10 van de Grondwet. Bij de beantwoording van de vraag of [de eiser in conventie] onrechtmatig inbreuk maken op het recht van [de gedaagde in conventie] op bescherming van de privacy, heeft in zijn algemeenheid als uitgangspunt te gelden dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan echter aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van alle omstandigheden van het geval. Daarbij moeten tegen elkaar worden afgewogen de ernst van die inbreuk en de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (ECLI:NL:HR:2002:AD9609). Ook dient te worden bezien of het gebruik van de camera voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\n4.30.. \n [de gedaagde in conventie] stelt dat de camera’s van [de eiser in conventie] een deel van haar perceel filmen. Ter onderbouwing heeft zij door [de eiser in conventie] gemaakte afbeeldingen overgelegd, waarop een deel van haar perceel te zien is. [de eiser in conventie] hebben (onweersproken) aangevoerd dat de afbeeldingen waarop het perceel van [de gedaagde in conventie] te zien is, zijn gemaakt met een mobiele telefoon en niet door de camera’s. Verder hebben [de eiser in conventie] door middel van de overgelegde afbeeldingen en posities van de camera’s voldoende gemotiveerd betwist dat de camera’s het perceel van [de gedaagde in conventie] filmen. Dat de camera’s kunnen draaien en daarmee op het perceel van [de gedaagde in conventie] gericht kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op het recht van privacy van [de gedaagde in conventie] . Niet althans onvoldoende gesteld of gebleken is immers dat een gerechtvaardigde vrees bestaat dat [de eiser in conventie] de camera’s aldus zullen draaien. Ten aanzien van de camera die op de schuur is bevestigd en gericht is op het erf van [de eiser in conventie] , de camera op de zijgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] en de deurbel met een camerafunctie die gericht is op de entree van het woonhuis van [de eiser in conventie] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . De vorderingen van [de gedaagde in conventie] zijn voor wat betreft de voorgenoemde camera’s daarom niet toewijsbaar.\n\n4.31.. Ten aanzien van de camera op de voorgevel van het woonhuis die gericht is op de tuin van [de eiser in conventie] , oordeelt de rechtbank als volgt. Door [de eiser in conventie] wordt erkend dat de toegangsweg waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd ten gunste van [de gedaagde in conventie] , wordt gefilmd. Hierdoor is sprake van een inbreuk op de privacy van [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] kunnen met deze camera immers de verkeersbewegingen van [de gedaagde in conventie] vastleggen, evenals die van haar eventuele bezoek. Dat [de eiser in conventie] tijdens de mondelinge behandeling hebben aangeven dat zij dit niet in de gaten houden, maakt dit niet anders. In beginsel is dus sprake van een onrechtmatige daad jegens [de gedaagde in conventie] . [de eiser in conventie] stellen dat zij een rechtvaardigingsgrond hebben voor de camera’s, te weten beveiliging en bewijsvergaring. Beveiliging omdat de camera’s een afschrikkende werking hebben voor ongenode gasten en bewijsvergaring ten aanzien van het gestelde onrechtmatige gedrag van [de gedaagde in conventie] .\n\n4.32.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [de eiser in conventie] een gerechtvaardigd belang om hun eigendommen te beschermen, zodat het hun in beginsel is toegestaan om de camera op te hangen. De primaire vordering van [de gedaagde in conventie] tot verwijdering van de camera is daarom niet toewijsbaar. Echter, het doel van beveiliging van de eigendommen van [de eiser in conventie] kan voor wat betreft de voorzijde van het perceel ook op een minder vergaande manier bereikt worden. Uit de door hen als productie 18 overgelegde afbeeldingen volgt namelijk dat er nog een stuk oprit zit tussen hun woning en de toegangsweg waarop de erfdienstbaarheid is gevestigd. Indien zij de camera aan de voorgevel zo afstellen dat deze gericht is op de oprit, is alsnog sprake van de afschrikkende werking van de camera met als doel ongenode gasten buitenhouden. Ten aanzien van de bewijsvergaringsfunctie van de camera is de rechtbank van oordeel dat het recht op privacy van [de gedaagde in conventie] zwaarder weegt. Hierbij geeft het voor de rechtbank de doorslag dat de toegangsweg van [de eiser in conventie] voor [de gedaagde in conventie] aan die zijde van haar woning de enige manier is om de openbare weg te bereiken. Zowel [de gedaagde in conventie] als haar bezoek wordt altijd gefilmd bij het komen en gaan van en naar haar perceel, zodat [de eiser in conventie] altijd inzicht kunnen hebben in bij voorbeeld wie er wanneer op bezoek komt bij [de gedaagde in conventie] . Ten aanzien van de camera aan de op de voorgevel van de woning van [de eiser in conventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de proportionaliteit meebrengt dat deze zo dient te worden afgesteld dat deze geen zicht geeft op de toegangsweg. De subsidiaire vordering in reconventie zal daarom als het mindere worden toegewezen als vermeld in de beslissing.\n\n4.33.. Verder heeft [de gedaagde in conventie] aangevoerd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnamen kunnen maken, waardoor alles wat [de gedaagde in conventie] in haar tuin zegt wordt opgenomen. [de eiser in conventie] hebben tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de camera’s geluidsopnames kunnen maken, maar dat dit niet kan op een grotere afstand dan een of twee meter. Volgens [de eiser in conventie] staan geen van de camera’s binnen een of twee meter van de erfgrens. In het licht van deze verklaring van [de eiser in conventie] , heeft [de gedaagde in conventie] onvoldoende onderbouwd dat de camera’s van [de eiser in conventie] geluidsopnames (kunnen) maken van hetgeen wordt gezegd op het perceel van [de gedaagde in conventie] . Het enkele feit dat de camera’s de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken, is onvoldoende om vast te stellen dat [de eiser in conventie] inbreuk maken op de privacy van [de gedaagde in conventie] . Voor zover de vordering van [de gedaagde in conventie] ziet op het bepalen dat de camera’s geen geluid meer op mogen nemen, is de vordering daarom niet toewijsbaar.\n\nDe gevorderde dwangsom is niet toewijsbaar\n\n4.34.. De door [de gedaagde in conventie] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. [de gedaagde in conventie] heeft niet gesteld dat en onderbouwd waarom de dwangsommen noodzakelijk zijn.\n\nDe proceskosten in reconventie\n\n4.35.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om binnen zeven dagen na de betekening van dit vonnis de zwarte houten wand te verwijderen en verwijderd te houden,\n\n5.2.. verbiedt [de gedaagde in conventie] om zonder voorafgaande toestemming het erf van [de eiser in conventie] (kadastraal aangeduid als [kadasternummer] ) te betreden, met uitzondering van de toegangsweg waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd,\n\n5.3.. veroordeelt [de gedaagde in conventie] om de balk van de pergola die aan de muur van [de eiser in conventie] was bevestigd van de muur verwijderd te houden,\n\n5.4.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n5.7.. veroordeelt [de eiser in conventie] om de camera die aan de voorgevel van hun woning hangt dusdanig af te stellen dat deze de toegangsweg, waarop ten gunste van [de gedaagde in conventie] een erfdienstbaarheid is gevestigd, niet meer filmt en gebiedt [de eiser in conventie] te bewijzen dat dit het geval is door middel van het overleggen van afbeeldingen van de stand van de afgestelde camera,\n\n5.8.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.9.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.7 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op\n\n17 juni 2026.\n\nJV\u002FMa","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5282","ecli-nl-rbgel-2026-5282",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Goederenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]