[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5354":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5354":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"281","ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummers: 05-276671-24, 05-344017-24, 05-344649-24 (gev. ttz)\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsvrouw: mr. J. Leyten, advocaat in Amsterdam-Duivendrecht.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting op\n\n8 juni 2026.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeks de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n 2. hij op of omstreeks 2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fof dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van parketnummer 05-276671-24:\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 2 en onder feit 1 voor zover dat ziet op het aanwezig hebben. Verdachte moet partieel worden vrijgesproken van de andere varianten die onder feit 1 genoemd zijn.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Daarmee ontbreekt vervolgens voldoende wettig en overtuigend bewijs waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder zowel feit 1 als feit 2. Subsidiair voert de verdediging aan dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken van het ‘dealen’ in de ten laste gelegde periode. Ten aanzien van het aanwezig hebben van de harddrugs uit de Audi is eveneens sprake van een vormverzuim ten aanzien van de doorzoeking van de Audi.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewijsuitsluitingsverweer\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat er sprake is van vormverzuimen ex artikel 359a Sv, waardoor al het bewijs dient te worden uitgesloten. Ten aanzien van de vordering gericht tot verdachte en strekkende tot uitlevering van alle verdovende middelen is niet geverbaliseerd waaruit een redelijke verdenking of redelijk vermoeden is ontstaan en bij het uitoefenen van de bevoegdheid tot inbeslagneming is eveneens niet geverbaliseerd waaruit blijkt dat verdachte kon worden aangemerkt als verdachte van een strafbaar feit, zoals strafbaar gesteld in de Opiumwet. Deze vormverzuimen kunnen volgens de verdediging enkel leiden tot bewijsuitsluiting.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel de vordering tot uitlevering als de inbeslagneming op 28 augustus 2024, gelet op alle bevindingen van de politie, rechtmatig zijn geweest. De officier van justitie stelt zich dan ook op het standpunt dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de vordering gericht tot verdachte tot uitlevering van verdovende middelen rechtmatig was. Daarvoor moet ingevolge artikel 9 van de Opiumwet worden beoordeeld of de verbalisanten redelijkerwijs het vermoeden konden hebben dat verdachte – kort gezegd – in het bezit was van verdovende middelen. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] beschrijven in hun proces-verbaal van bevindingen dat zij verdachte kennen als een jongere waar zij zich zorgen om maken en die vaak in verband wordt gebracht met verdovende middelen. [verbalisant 2] had hem onlangs zelf nog aangehouden voor het bezit hiervan. Verbalisanten keerden hun voertuig en positioneerden het dienstvoertuig achter het betrokken voertuig. Zij zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep. Verbalisant [verbalisant 2] besloot deze man staande te houden. Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de bestuurder van het voertuig verder reed en gaf hem een stopteken. [verbalisant 1] stelde de identiteit van verdachte vast, waarna [verbalisant 2] aansloot bij de controle. Verdachte verklaarde dat hij vermoedde dat ze een speekseltest bij hem zouden gaan afnemen. Verbalisanten gaven aan dat zij vooral benieuwd waren of hij in het bezit was van verdovende middelen. Verdachte zei dat hij niet in het bezit was van verdovende middelen en zei dat ze de hele auto mochten doorzoeken. Hij gaf aan dat alle kappen van het voertuig toch al los zaten, dus dat ze overal mochten kijken. Verdachte stapte vervolgens uit, zonder dat dit van hem werd gevraagd. Toen verdachte uitstapte zagen verbalisanten meteen ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Zij hebben verdachte toen hiermee geconfronteerd.\n\nDe rechtbank acht al deze omstandigheden in hun onderlinge verband en samenhang bezien voldoende voor de verbalisanten om redelijkerwijs tot het vermoeden te hebben kunnen komen dat er verdovende middelen bij verdachte aanwezig waren. De vordering tot uitlevering door verbalisanten was daarmee rechtmatig.\n\nNadat de verbalisanten de uitlevering van alle verdovende middelen aanwezig in het voertuig en op hem hadden gevorderd stopte verdachte snel zijn handen in zijn zakken, pakte de verdikking vast en bewoog deze rond in zijn ondergoed en hij riep dat hij niets in zijn ondergoed had. Verbalisanten vorderden nogmaals de uitlevering en legden hem, afzonderlijk van elkaar, uit dat hij een extra strafbaar feit zou plegen op het moment dat hij niet zou voldoen aan een bevel tot uitlevering. Ze zagen dat verdachte zijn handen voor zijn ogen sloeg en riep dat ze hem niet moesten aanraken. Vervolgens zei hij dat hij verdovende middelen in zijn auto had. Hiermee waren er voldoende redenen om tot fouillering over te gaan. Verdachte is vervolgens aan een opiumfouillering onderworpen en er zijn verdovende middelen aangetroffen.\n\nOnderweg naar het politiebureau gaf verdachte aan dat hij nog een Audi-autosleutel in zijn bezit had en dat het belangrijk was dat deze Audi-sleutel in zijn eigen voertuig zou achterblijven. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] maakten een ronde door de wijk met de Audi-sleutel om te zien of de voertuigen die zij passeerden open gingen. Verbalisant [verbalisant 2] kent verdachte vanuit zijn rol als jeugdagent en heeft diens voertuig op 15 augustus 2024 achter de woning van [naam] en [naam] zien staan. Hij weet dat zij in het bezit zijn van een rode Audi. Verbalisanten zijn hierop in de omgeving van de woning van [naam] en [naam] gaan kijken. Op [adres] in Arnhem troffen zij de rode Audi A3 aan, waarvan de knipperlichten begonnen te knipperen en de auto ontgrendelde bij gebruik van de Audi-autosleutel. Hieruit maakten de verbalisanten op dat de sleutel bij deze Audi behoorde. De auto stond op ongeveer 100 meter van de woning van [naam] en [naam] geparkeerd. Verbalisanten herkenden het kenteken van de Audi en weten dat deze gebruikt wordt door [naam] en [naam] . Zij hebben hen meermaals in dit voertuig gecontroleerd. In het politiesysteem bevond zich een mutatie dat in 2023 een gebruiker van dit voertuig voor drugsbezit is aangehouden. Bovendien stond er een mutatie dat een jeugdige tegenover een jeugdagent beide [naam] had genoemd als personen die jeugdigen ronselen voor drugshandel. Verbalisanten hadden het sterke vermoeden dat er mogelijk verboden voorwerpen in de Audi zouden liggen. Het voertuig is vervolgens doorzocht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert dit, mede gelet op al de eerder beschreven omstandigheden die hiermee in samenhang moeten worden bezien, voldoende verdenking op dat er verdovende middelen in de auto aanwezig waren, een verdenking dus van aan misdrijf als omschreven in artikel 67 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De op artikel 96b Sv gegronde doorzoeking was daarmee eveneens rechtmatig.\n\nHet voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De onderzoeksresultaten op basis van de bij verdachte en in de auto aangetroffen goederen kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nDe rechtbank overweegt dat niet ter discussie staat dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 in Arnhem 231,02 gram cocaïne heeft vervoerd.Op meerdere in de rode Audi aangetroffen goederen zat het DNA van verdachte, waaronder op de gripzakjes.\n\nVerdachte reed op 28 augustus 2024 op de Laan van Presikhaaf in een blauwe Citroën C1, voorzien van kenteken [kenteken] . Verbalisanten zagen dat er vanaf de achterbank iemand uitstapte en wegliep en dat het voertuig weer verder reed. Verbalisant [verbalisant 1] gaf verdachte een stopteken en verdachte voldeed hieraan. Toen verdachte de auto uitstapte zagen verbalisanten ter hoogte van zijn geslachtsdeel een duidelijk onnatuurlijke verdikking. Verdachte werd onderworpen aan een fouillering en de verdikking bleek een sok met daarin meerdere zakjes met wit poeder en een aantal ponypacks te zijn. Bij verdachte zijn uiteindelijk 9 gripzakjes met wit poeder, 19 ponypacks en 1 Apple telefoon in beslag genomen.\n\nTijdens de rit naar het politiebureau gaf verdachte een nieuw lijkende Audiautosleutel aan verbalisant met de vraag of hij die sleutel in de auto van verdachte zou willen leggen. Verdachte gaf aan dat het de sleutel was van een auto met een Spaans kenteken.\n\nVerbalisanten zijn vervolgens op zoek gegaan naar die Audi en troffen in de buurt van de woning van [naam] en [naam] een rode Audi aan die open ging met de Audi-sleutel die verdachte bij zich had. Verbalisanten herkenden onmiddellijk het kenteken van de Audi, zij hadden het voertuig al meermaals gecontroleerd en in het politiesysteem staan meerdere mutaties dat het voertuig vermoedelijk bij [naam] en [naam] in gebruik is. Het voertuig is doorzocht en in de kofferbak is een grote bigshopper van de Action aangetroffen met daarin een kartonnen doos met wat gripzakjes. In deze doos lagen dezelfde soort wikkels als die verbalisanten bij verdachte hebben aangetroffen.\n\nDe Audi staat op naam van [getuige 1] , maar zij heeft de Audi nooit in haar bezit gehad. Iemand anders heeft de Audi op 16 september 2023 opgehaald bij het autobedrijf. Op dat moment zat getuige [getuige 1] gedetineerd in België, samen met verdachte.\n\nDe telefoon die onder verdachte in beslag is genomen is uitgelezen, er is enkel gezocht in de telefoon in de periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024. De naam ‘ [verdachte] ’ is gekoppeld aan het Instagram account op de telefoon. Op Snapchat wordt gebruik gemaakt van het account ‘ [account - naam] ’ (= owner). Er zijn chats gevoerd met meerdere personen, de verbalisant heeft de chats samengevat.\n\n [account - naam] = verdachte [verdachte]\n\nUit een chat blijkt dat op 26 augustus 2024 \" [account - naam] \" een video verstuurt.\n\nOp de zogenoemde selfie video is een persoon te zien welke door de verbalisant wordt herkend als verdachte [verdachte] .\n\n [account] - [contact] = [naam] , geboren [geboortedag] -1995\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \"\n\ndie als contact \" [contact] ” met telefoonnummer + [telefoonnummer] is ingevoerd blijkt dat\n\nowner vraagt aan [contact] \"Je rijd vandaag toch\". Dit wordt bevestigd door [naam] en\n\nowner vraagt haar of zij 1 SOS wil pakken van daar. Ook dit wordt bevestigd door\n\n [naam] . Uit de chat blijkt dat [naam] aan owner vraagt of er al klanten zijn en zij\n\nvervolgens wordt aangestuurd door owner en op locaties drugs aflevert.\n\nOok blijkt uit de chat dat owner zelf ook rondrijdt.\n\nUit de politiesystemen blijkt vervolgens dat het nummer + [telefoonnummer] in gebruik is bij [naam]\n\n geboren [geboortedag] -1995.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en \" [account] \" die\n\nals contact \" [contact] \" is ingevoerd blijkt dat [contact] van owner wil weten wat\n\neen driver betaald krijgt. Owner geeft aan dat maandag tot en met donderdag en zondag er 150 betaald wordt en vrijdag en zaterdag 250. Ook geeft owner aan dat als ze boven\n\n2500 komen er dan 50 euro extra wordt betaald. Ook blijkt uit de chat dat ze een\n\ndriver zoeken en ze \" [naam] \" willen regelen als driver. Owner vraagt vervolgens aan\n\n [contact] of hij een (l) SOS voor hem wil meenemen en brengen naar [adres] in\n\nZevenaar. [contact] geeft aan dat hij haar dan even moet appen en zij hem gaat\n\nvoegen via Snap. Deze chat wordt gevoerd om 11:53 uur. Uit de chat met [contact] en\n\nowner blijkt dat hun chat om 11:53 uur start en owner vraagt of zij een(l) SOS kan\n\npakken. Ook blijkt uit de chat dat [naam] net in Zevenaar is geweest. Hieruit kan\n\nblijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld.\n\n [account] - [contact] en [account] - [contact] en [account] - [contact]\n\nUit de groepschat die gevoerd wordt op 25 augustus 2024 blijkt dat owner aangeeft\n\n100 nodig te hebben. [contact] geeft aan dat hij 200 heeft, maar owner wil 100 want hij heeft\n\nnog een beetje. [contact] wil weten hoe laat er een driver komt en owner geeft aan dat de\n\ndriver eraan komt en met en blauwe Citroen Cl is. Uit de chat blijkt dat er 100 is\n\nafgegeven door [contact] aan de driver die owner heeft gestuurd.\n\nOok blijkt uit de chat dat [contact] aan owner aangeeft dat ze nieuwe afspraken\n\nhebben en owner elke week 200g miauw van hun krijgt en wanneer owner weer nieuwe 200\n\nvan hun pakt hij de oude betaalt. Owner gaat akkoord en [contact] geeft aan dat\n\nowner dus vandaag eigenlijk 200g miauw wat al open stond moest betalen en weer nieuwe\n\n200 moet pakken. [contact] komt tussendoor en geeft aan \"geen stress want hij (verwijst\n\nvermoedelijk naar owner)wist dit niet\". Owner wil nog weten wat de kosten van de\n\noude zijn en [contact] geeft aan \"460 min 115\". Er moet dus nog 345 betaald worden want\n\n115 was al betaald aan [contact] . Owner gaat akkoord met 345 en [contact] zegt dan\n\nnog \"Dus zorg dat je 345 van miauw geld aan de kant zet vandaag\". Owner gaat wederom\n\nakkoord en [contact] geeft nog aan dat hij het naar hem ( [contact] ) moet brengen\n\nzodra hij het heeft. Owner geeft aan dat het geregeld wordt. [contact] zegt nog tegen\n\nowner dat hij moet appen als hij het op kan komen halen of brengen naar [naam] kan ook.\n\nUit de politiesystemen, 2024312299-1 blijkt dat met [naam] vermoedelijk wordt bedoeld\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2002.\n\n [account] - [contact]\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 blijkt dat [contact] de poes gewoon\n\nvoortaan met owner regelt. Ze spreken af dat ze telkens voor 2 ons gaan. Owner gaat\n\nakkoord maar wil wel dat het in 2 delen gaat, ene dag een ons en dan andere dag weer\n\neen ons. Owner wil vervolgens weten wat er nog open staat en [contact] geeft aan dat er\n\nnog twee ons open staat. Owner wil weten wat de kosten zijn en [contact] geeft aan dat\n\nhij [naam] gaat appen en vervolgens stuurt [contact] een screenshot van een notitie. De\n\nnotitie luidt \" [naam] 460 poes 115 betaald .230\".\n\nHieruit zou ook kunnen blijken dat met \" [naam] \" [naam] wordt bedoeld. Ook blijkt duidelijk dat het gaat om de handel in harddrugs aangezien er wederom wordt gesproken over \"poes\", hoeveelheden en kosten.\n\nDe naam die gekoppeld is aan het WhatsApp account op de telefoon betreft \" [naam]\n\n \"(=owner).\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) en [contact] ( [telefoonnummer] ) = [naam] , geboren [geboortedag] -2004\n\nUit de groepschat blijkt dat \" [contact] \" [naam] is. \" [contact] ” stuurt op 14 augustus 2024 een\n\nscreenshot waarop de naam [naam] en het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld staan. Het gaat om een bestelling bij iWok & Co.\n\nUit de politiesystemen blijkt ook dat het telefoonnummer [telefoonnummer] gekoppeld is aan\n\n [naam] , geboren [geboortedag] -2004.\n\nUit de chat tussen [contact] , [contact] en owner blijkt dat er ook sprake is van handel in\n\nharddrugs. Owner geeft op 15 augustus 2024 aan dat hij 18 poes heeft gemaakt, [contact] vraagt\n\n\"en sos\". Owner geeft aan dat hij moet vouwen, [contact] vraagt ook nog \"hvl sos is er\n\ngemaakt\", waarop owner aangeeft zo even te gaan tellen. Later geeft owner aan dat hij\n\n166 gemaakt heeft. Hieruit kan blijken dat owner 166 zogenoemde ponypacks met cocaïne heeft gemaakt.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 28 augustus 2024 tussen owner en [contact]\n\nblijkt dat het ook gaat om handel in harddrugs. [contact] stuurt een bericht door\n\naan owner van een klant die vraagt \"3 kl [adres] (ken je me keertje matsen\n\nvoor 50?)\". [contact] geeft aan \"Mats maar voor 50\" waarop owner aangeeft \"Eerst\n\nHilversum dan\". Vervolgens gaat het erom dat owner aangeeft dat zij (verwijst\n\nvermoedelijk naar [naam] ) eigenlijk driver is, maar hijzelf ook kan rijden maar\n\neigenlijk spullen moet maken. [contact] vraagt zich af waarom owner spullen moet\n\nmaken omdat er nog 50 plus is. Owner geeft aan dat hij vooruit wil werken.\n\nDe chat eindigt met dat [contact] vraagt hoeveel sos owner haar (vermoedelijk\n\nwederom [naam] ) zo gaat geven. Owner geeft aan \"20 SOS en 10 poes\". Dit stuurt\n\nowner om 12:52 uur.\n\nGezien het feit dat verdachte kort na dit laatste bericht wordt aangehouden met\n\nrespectievelijk 9 gripzakjes en 19 ponypacks op zak lijkt het wederom bevestigd te\n\nworden dat verdachte [verdachte] daadwerkelijk de gebruiker van de telefoon is.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] ) = mogelijk [naam] , geboren [geboortedag] -2003\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 26 en 27 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt\n\ndat [contact] wordt aangestuurd door owner om drugs rond te rijden. Uit de chat blijkt dat\n\ner adressen en hoeveelheden drugs worden doorgegeven door owner en door [contact] wordt\n\ndaadwerkelijk bevestigd dat hij de drugs heeft geleverd. [contact] geeft aan dat hij meer\n\nwil verdienen omdat hij het voor het risico niet waard vindt.\n\nUit de politiesystemen blijkt het nummer [telefoonnummer] in gebruik te zijn bij [naam]\n\n , geboren [geboortedag] -2003.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt tussen 28 juli 2024 en 1 augustus 2024 tussen owner\n\nen [contact] blijkt dat [contact] wil weten hoeveel owner nu heeft. Owner geeft\n\naan \"82 packies heb ik zelf, Piraat heeft en driver heeft\". [contact] vraagt dan\n\n\"alles ligt in auto toch\". Dit wordt bevestigd door owner. Vervolgens stuurt owner\n\nnog \"Alle tellies liggen in jou KAMER met ALLEmaal GELUID UIT dus zet ze ook AAN\n\naub??\". Vervolgens vraagt [contact] nog \"Van wie is die oranje pringeld van beneden\n\nen waar is de rest van t geld hoeveel tikkie heb je\". Owner geeft aan nog wat cash\n\nbij zich te hebben en geeft aan dat er nog 850 onder het matras ligt. [contact] wil\n\nweten hoeveel tikkies want hij denkt dat het sowieso heel veel fikkies moeten zijn.\n\nOwner stuurt vervolgens een lijst met 29 leveringen\u002Fbetalingen door. Ook geeft owner\n\ndoor dat hij \"225 tikkie\" heeft en Piraat \"175\". Ook geeft owner aan \"275\" cash te\n\nhebben.\n\nUit de chat blijkt ook dat [contact] instructie geeft aan owner hoe hij de telling\n\nmoet doen. Owner heeft namelijk niet helemaal scherp hoeveel de drivers hebben\n\nverdiend en hoeveel zij nog aan drugs in voorraad hebben.\n\nOwner stuurt nog een afbeelding door. Dit gaat om een betaling van 60 euro op\n\nrekening van [verdachte] , [rekeningnummer] .\n\nOok hieruit kan afgeleid worden, dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nVerder blijkt uit de chat op 29 juli 2024 dat [contact] wil weten of het druk is.\n\nOwner geeft aan dat ze van klant naar klant gaan en ze echt een goede dag hebben en\n\nklanten vinden dat ze echt top spul hebben. Owner vraagt zich af of hij ( [contact] )\n\niets veranderd heeft. [contact] wil weten hoeveel het gisteren was. Owner geeft aan\n\n\"1185\". [contact] vraagt aan owner of hij alle lijsten nog heeft in zijn notities.\n\nOok geeft [contact] aan dat als het thuisbezorgd is owner er een ( [contact] ) achter moet\n\nzetten.\n\nUit de chat blijkt ook dat er wordt aangegeven door [contact] dat owner in\n\ntwee dagen zo'n 3500 gedraaid heeft. Owner geeft aan dat het iets meer was, maar met\n\nonkosten ongeveer 3,5. [contact] zegt hierop \"Terwijl uit de sos die ik had gemaakt\n\nmoet 4200 minimaal uitkomen en dan bereken ik ook nog 20? per packie\" en \"En je hebt\n\nook nog kk veel miauw verkocht\". Owner zegt \"Nee heb alleen 3 miauw bijv vandaag en\n\ndie 30 g behalve gister was een goede dag van rond de 20 tot 30 poes man bro\".\n\nUit deze chat blijkt dat verdachte [verdachte] flinke omzet draait met de verkoop van\n\nharddrugs.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 16 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\n [contact] ook wordt aangestuurd door owner om op allerlei locaties drugs af te geven. [contact]\n\nwil weten wat een hele is en wat een halve is. Owner geeft aan dat heel 50 is en half\n\n25, maar dat ze enkel halve hebben. Ook stuurt owner \"Elke Packies is 1 stuk en ik\n\nstuur jou door hoeveel stuks je moet afgeven die berekening doe ik snap je\" en \"Oke\n\nwat je nog meer moet doen is app mij altijd 5 min van te voren als je bij een klant\n\naankomt dan stuur ik hem alvast dat die klaar moet staan soms moet je het ook in de\n\nbrievenbus zetten dan zet ik erbij in welke brievenbus duidelijk\" en \"App me met ik\n\nben er en het is gelukt oke?\" en \"En als je naar een adres gaat een tijd doorgeven\n\naltijd dan kan ik rekening houden met klanten\".\n\nUit de chat kan blijken dat [contact] een nieuwe driver is gezien de instructies die hij\n\nkrijgt van owner. Vervolgens blijkt uit de chat dat [contact] veel drugsleveringen doet.\n\nDan vraagt owner \"Hoevee geld heb je en spullen nog over?\" [contact] geeft aan dat hij 285\n\neuro heeft, 13 sos en 4 miauw.\n\n [contact] ( [telefoonnummer] )\n\nUit de chat die gevoerd wordt op 4 augustus 2024 tussen owner en [contact] blijkt dat\n\nhet gesprek wordt gevoerd tussen broer en zus. Uit de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de zus van verdachte [verdachte] \" [contact] \" heet. Ook stuurt [contact] op verzoek van owner de uitslag van het bloedonderzoek van owner door. De uitslag blijkt geadresseerd te zijn aan verdachte [verdachte] . Wederom wordt dus bevestigd dat de telefoon in gebruik is bij verdachte [verdachte] .\n\nIn de telefoon van verdachte zijn drugsgerelateerde notities aangetroffen die gemaakt zijn tussen 29 juli 2024 en 29 augustus 2024. Er worden adressen, locaties, hoeveelheden, soorten drugs en bedragen genoemd. Ook is genoteerd op welke manier werd betaald. Een aantal van die notities ziet er als volgt uit:\n\nIn notitie 21 die is gemaakt op 12 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 2 v30 voor parkeren en appen als je er bent hij komt naar de auto( [contact] )\".\n\nIn notitie 20 die is gemaakt op 13 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres] 3 v50\n\nstaat daar met een hoogwerker en heeft een zwarte busje\".\n\nIn notitie 17 die is gemaakt op 14 augustus 2024 staat genoteerd \"[adres]\n\n [naam] brievenbus 3 v pof brievenbus zetten\".\n\nUit notitie 15 die is aangemaakt op 16 augustus 2024 blijkt dat de titel genaamd is\n\n\"SOS voorraad\". In deze notitie staan de aantallen 81, 166, 30 en 78 vermeld met\n\ndaaronder te tekst \"355 totaal\". Hieruit kan blijken dat er een voorraad is van 355\n\nverpakkingen cocaïne.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij de rode Audi een paar keer had geleend om mooie vrouwen op te halen. Hij wist dat zijn vingerafdrukken op de drugs zaten die achterin die auto lagen. De dingen die in de auto lagen heeft verdachte erin gelegd. Verdachte maakte ‘packies’ met cocaïne, de rest kreeg hij gewoon binnen. In de omgeving wilde niemand meer rijden, dus uiteindelijk heeft verdachte ook zelf gereden. Hij werd gepusht. Zijn gebruikersnaam op snapchat was ‘ [account - naam] ’ en op Instagram was zijn gebruikersnaam ‘ [verdachte] ’. Hij heeft niet alle gesprekken zelf gevoerd. De notities heeft hij wel zelf geschreven. Hij moest het wel doen, omdat hij geld nodig had om dingen te betalen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken in de telefoon van verdachte af dat het in de gesprekken onmiskenbaar over harddrugs gaat. Dit vindt bevestiging in de verklaring van verdachte. Uit voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte een significante rol bij de handel in drugs heeft gehad. Hij heeft zowel ‘packies’ cocaïne gemaakt als gefungeerd als driver. Ook blijkt uit de gesprekken dat hij opdrachten kreeg, maar ook zelf opdrachten gaf aan anderen, waaronder drivers. Uit de notities blijkt daarnaast dat het om grote hoeveelheden ging.\n\nDe rechtbank komt, gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat verdachte in de periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 heeft gedeald in Arnhem en omgeving. Daarnaast heeft hij zichzelf gelegenheid en middelen verschaft tot het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van onder andere cocaïne en heeft hij voorbereidingshandelingen gepleegd samenhangend met de handel in drugs. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde.\n\nMedeplegen\n\nGelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ook samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde. Hij heeft ten slotte opdrachten gekregen van anderen, maar ook opdrachten gegeven aan onder andere drivers.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344017-24:\n\nFeit 1\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 15-19;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nFeit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1-2 (aanvullend procesdossier);\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 1 (aanvullend procesdossier wapen);\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\nTen aanzien van parketnummer 05-344649-24:\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen, p. 8-10;\n\n- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 13-14;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nonder parketnummer 05-276671-24:\n\n1. hij in of omstreeksde periode 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeftverwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 231,02 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij in of omstreeksde periode van 28 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fofte bevorderen, te weten\n\nhet opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\nhet opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fofvervoeren, en\u002Fof\n\nhet opzettelijk vervaardigen\n\nvan cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\neen ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fofuit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fofom daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen te verschaffen,\n\nzich en\u002Fofeen ander gelegenheid, middelen en\u002Fofinlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\nvoorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fofandere betaalmiddelen\n\nvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s), wist(en)of ernstige reden had(den)om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n231,02 gram, althans een (grote) hoeveelheid, cocaïne,\n\neen telefoon, waarop gesprekken en notities zijn aangetroffen waaruit blijkt dat er sprake is van handel in drugs en\u002Fof\n\neen autosleutel, behorende tot een auto waarin een grote hoeveelheid cocaïne lag opgeslagen,\n\nvoorhanden te hebben;\n\nonder parketnummer 05-344017-24:\n\n1. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,09 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2. hij op of omstreeks2 juli 2024 te Zevenaar een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en\u002Fofdat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een BB gun, airsoft- en\u002Fof luchtdrukwapen, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een bestaand vuurwapen, te weten een pistool van het merk Glock en\u002Fof Walther, voorhanden heeft gehad;\n\nen onder parketnummer 05-344649-24:hij opof omstreeks8 juli 2024 te Duiven opzettelijk heeftgeteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fofverkocht en\u002Fofafgeleverd en\u002Fofverstrekt en\u002Fofvervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 3,41 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\n05-276671-24 feit 1 en 05-344017-24 feit 1 en 05-344649-24:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\n05-276671-24 feit 2:\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zichzelf en een ander gelegenheid tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\n05-344017-24 feit 2\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren waarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht zoals geadviseerd wordt opgelegd. Dit met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 150 uren werkstraf subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen, gelet op het reclasseringsadvies van 27 maart 2026 en gelet op de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarnaast is verzocht om geen geldboete op te leggen in verband met de schuldenproblematiek. Voorts verzoekt de verdediging om de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee te laten wegen alsmede het feit dat verdachte lange tijd met succes in een strak schorsingskader heeft gelopen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het onder meer in samenwerking met anderen (her)verpakken en dealen van cocaïne en aan het vervoeren van cocaïne die, gezien de hoeveelheid en de wijze waarop de drugs waren verpakt, voor het dealen op straat waren bestemd. Uit de gegevens die zijn verkregen uit de bij verdachte in beslag genomen telefoons blijkt dat verdachte aan een groot aantal afnemers gedurende langere tijd harddrugs heeft verkocht. Daarmee vervulde verdachte overduidelijk een belangrijke rol in de handel in harddrugs. Bij zijn aanhouding op 2 juli 2024 had verdachte bovendien een wapen bij zich.\n\nHandel in harddrugs dient krachtig bestreden te worden, nu het gebruik daarvan gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers en kan leiden tot verslaving. Het gebruik van en de handel in drugs leiden bovendien direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en zijn zo een bron van overlast voor de samenleving. Verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Verdachte heeft daarbij alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.\n\nMet betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte van 8 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.\n\nVoorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 27 maart 2026.\n\nDe reclassering ziet de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delictgerelateerde factoren. De belangrijkste criminogene factor is dat verdachte al vanaf jonge leeftijd in aanraking is gekomen met een crimineel netwerk, waardoor hij zich destijds negatief heeft laten beïnvloeden. Hij heeft al eerder getracht om afstand te nemen van dit netwerk, maar dat was lastig omdat er sprake was van straatschulden. Desalniettemin heeft verdachte de afgelopen periode een positieve ontwikkeling doorgemaakt, waarbij hij tevens afstand heeft genomen van het eerder genoemde criminele netwerk. Verdachte heeft ADD (attention deficit disorder) en hij heeft een traumatische jeugd gehad die van invloed is geweest op zijn ontwikkeling. De reclassering vindt de houding van verdachte ook beschermend, omdat hij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorlopen en bereid blijft om mee te werken aan een traject bij de reclassering. Ook het leefgebied dagbesteding wordt als beschermende factor gezien, omdat verdachte een vaste baan heeft waar hij structuur en voldoening uit haalt en waarmee hij genoeg verdient om zich niet meer te laten verleiden door het negatieve netwerk om delictgedrag te vertonen. Verdachte ambieert een gezonde levensstijl en is inmiddels abstinent van middelen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert volwassenenstrafrecht toe te passen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding en beheersing van middelengebruik. De reclassering adviseert om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte dan zijn werk kan verliezen, waardoor de kans op recidive zal toenemen. De rechtbank houdt rekening met deze adviezen van de reclassering.\n\nBij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende één tot drie maanden is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en voor het vervoeren van 200 tot 500 gram harddrugs is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voor de bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank houdt in zoverre rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van de reclassering dat zij een deel hiervan voorwaardelijk op zal leggen en dat de duur van het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk zal worden gesteld aan het voorarrest van verdachte, zodat hij niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf opleggen aan verdachte.\n\nAlles overziend acht de rechtbank – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – passend en geboden een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 109 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen hechtenis.\n\nDe rechtbank heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10 en 10a van de Opiumwet;\n\n- 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van150 dagen;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 109 dagen,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van deproeftijd van twee jarenniet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering IrisZorg op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem, telefoonnummer: 088-6061311. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\nverdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op (psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en\u002Fof andere problematiek). Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nverdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Zorgtrium of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is gestart op 16 maart 2026. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nverdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\nverdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I harddrugs (cocaïne) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\ngeeft opdracht aan de Reclassering IrisZorg om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n legt op een taakstrafvan150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;\n\n heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.L. Wesstra (voorzitter), mr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. Y.H.M. Marijs rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.\n\nMr. C.H. van Breevoort-de Bruin en mr. C.F. Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024402591, gesloten op 15 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 262-275, rapport NFiDENT, p. 276-278, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27, NFI rapport DNA-onderzoek, p. 121-124, proces-verbaal vooronderzoek lab, p. 2-11 (aanvullend PV), proces-verbaal conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, p. 12-13, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 26-28.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 37-41.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 45, proces-verbaal van bevindingen, p. 89-92 (met bijlagen).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 47-48 (met bijlagen, p. 50- 84).\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting d . d . 8 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 4] van de politie Eenheid Oost-Nederland, vvc IJsselwaarden\u002FRivierenland-Oost opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024306039 gesloten op 31 oktober 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024316184, gesloten op 19 juli 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5354","ecli-nl-rbgel-2026-5354",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]