Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5355

Court

Arnhem

Date

7 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/2475uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen
[verzoeker] , h.o.d.n. [bedrijf] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de burgemeester van de gemeente Nijmegen

(gemachtigden: mr. E. Terwindt en A. Kahil).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag om een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] , [adres] in [plaats] , te weigeren en verzoeker te gelasten de horeca-inrichting vanaf 20 mei 2026 gesloten te houden voor publiek. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.1.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.3.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.1.4.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner [partner] en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. 3.1. De burgemeester heeft het spoedeisend belang betwist. Het bedrijf aan de [adres] is al gesloten en staat bovendien alweer te huur. 3.2. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij zijn bedrijf conform het besluit van de burgemeester heeft gesloten in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Omdat de kosten (huur, personeelslasten en andere kosten) gewoon doorlopen heeft hij ervoor gekozen om het pand te huur te zetten. Met de inkomsten kunnen de kosten betaald worden. Bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening kan hij zijn bedrijf heropenen. Een andere huurder is nog niet gevonden. 3.3. Gelet op de nadere toelichting van verzoeker is sprake van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.Oordeel van de voorzieningenrechter

4. Verzoeker heeft op 25 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht advies uit te brengen over de aanvraag. 4.1. Op 23 februari 2026 heeft het LBB advies uitgebracht. Het LBB concludeert na onderzoek dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Er is in strijd met de Arbeidstijdenwet, de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en de Wet minimum loon gehandeld. Deze strafbare feiten zijn gepleegd bij horecaondernemingen [bedrijf] in [plaats] en [plaats] en de gevraagde vergunning ziet eveneens toe op de exploitatie van een horecaonderneming. De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen. Verzoeker heeft bovendien niet op het bibob-formulier vermeld dat de arbeidsinspectie hem een bestuurlijke boete van € 3.000,- heeft opgelegd omdat hij in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen heeft gehandeld. Dat betekent dat het Bibob-formulier valselijk is opgemaakt. Het LBB concludeert daarom dat sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs kunnen doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrifte (artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob). 4.2. De burgemeester heeft op grond van de uitkomst van het Bibob-onderzoek van het LBB en het door de burgemeester zelf uitgevoerde onderzoek besloten de aanvraag voor een Alcoholwetvergunning voor het adres [adres] in [plaats] te weigeren en daarnaast een last onder bestuursdwang opgelegd en verzoeker gelast de horeca-inrichting te sluiten.

5. Verzoeker stelt dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het feit dat sprake is van valsheid in geschrifte is volgens verzoeker bovendien onvoldoende feitelijk vastgesteld en onevenredig zwaar meegewogen.

5.1.. Niet in geschil is dat verzoeker de door de arbeidsinspectie op 27 maart 2025 opgelegde bestuurlijke boete niet op het Bibob-formulier heeft gemeld.

5.2.. De burgemeester is op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd, mits de weigering evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

5.3.. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het de taak is van de aanvrager om het Bibob-formulier op juiste wijze in te vullen. Dit formulier bevat de duidelijke en specifieke vraag of de aanvrager de voorgaande vijf jaar in Nederland of het buitenland een bestuurlijke boete van € 340 of meer heeft gekregen. Verzoeker had zich daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen en moeten realiseren dat hij in antwoord daarop de opgelegde bestuurlijke boete had moeten vermelden. Dat hiertegen bezwaar was gemaakt maakt dat niet anders. De vraagstelling op het Bibob-formulier is duidelijk en heeft betrekking op opgelegde bestuurlijke boetes. Die vragen moeten volledig en naar waarheid beantwoord worden. Het is dan aan de burgemeester om te beoordelen of de opgelegde bestuurlijke boete al dan niet een beletsel vormt voor vergunningverlening.

5.4.. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt derhalve een grondslag om tot weigering van de gevraagde vergunning over te gaan. Van belang is bovendien dat de bestuurlijke boete is opgelegd wegens het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Dat is een feit dat bij uitstek niet is te verenigen met het exploiteren van een horecazaak, en is bovendien ernstig. De horeca is immers een branche die kwetsbaar is voor dit soort strafbare feiten. De aangevraagde vergunning maakt het bovendien mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen en verzoeker staat in relatie tot de gepleegde feiten.

5.5.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat weigering van de gevraagde vergunning ook evenredig is. Er is sprake van opzet en verzoeker heeft in de afgelopen 5 jaar meermaals in strijd met arbeidsregelgeving gehandeld, steeds vanuit een horeca-inrichting. Bij een aantal van deze strafbare feiten ging het om werknemers met een kwetsbare positie in de maatschappij (asielzoekers). De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om strafbare feiten als overtredingen van de arbeidswetgeving te plegen. Ook kan de vergunning het plegen van valsheid in geschrifte in algemene zin faciliteren. Volgens de burgemeester is het niet mogelijk om voorwaarden aan de vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen.

5.6.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door de burgemeester gegeven onderbouwing dat het besluit tot weigering evenredig is, met name ziet op de algemene beginselen die aan de Wet Bibob ten grondslag liggen. De specifieke belangen van verzoeker zijn in het geheel niet meegewogen. Het besluit is in die zin onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de burgemeester dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan herstellen. De burgemeester heeft in reactie op de zienswijze namelijk wel aangegeven dat verzoeker als kok in loondienst aan de slag kan en dat de partner van verzoeker een uitkering heeft. Beiden zijn derhalve voor hun inkomen niet puur afhankelijk van de exploitatie van hun horecazaak. Het toewijzen van een verzoek om voorlopige voorziening omdat de belangen van verzoeker onvoldoende zijn meegewogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien te verstrekkend. Dit zou er immers op neerkomen dat verzoeker, in weerwil van het advies van het LBB en het door verzoeker gepleegde strafbare feit van valsheid in geschrifte, zou worden toegestaan een horecazaak te exploiteren.

5.7.. Omdat de burgemeester het gebrek naar verwachting kan herstellen is er geen reden om aan te nemen dat het besluit van de burgemeester om de gevraagde Alcoholwetvergunning op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob te weigeren niet in stand zal blijven. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt een zelfstandige bevoegdheid voor de burgemeester om een gevraagde vergunning te weigeren. De voorzieningenrechter zal de vraag of de burgemeester ook mocht weigeren die vergunning te verlenen vanwege het ernstig vermoeden dat met de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd dan ook niet beoordelen.

6. Omdat verzoeker voor de exploitatie van de horeca-inrichting geen alcoholwetvergunning heeft, en hij ook niet in het bezit is van een exploitatievergunning heeft de burgemeester hem terecht gelast het bedrijf te sluiten en gesloten te houden. De burgemeester hoeft hierbij niet de beslissing op het bezwaarschrift af te wachten.

Conclusie 7.De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dit gebrek kan evenwel naar verwachting in de beslissing op bezwaar hersteld worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.

8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4169.

More Decisions