Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5452

Court

Maastricht

Date

10 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Maastricht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKLIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12102489 \ CV EXPL 26-848

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

BILLINK FINANCE B.V. h.o.d.n. BILLINK,

te Gouda,

eisende partij,

hierna te noemen: Billink,

gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,

tegen

[gedaagde],

te [plaats 1],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1..

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 4 februari 2026 met producties 1 tot en met 5 - de schriftelijke weergave van het antwoord met ongenummerde producties - de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis met producties 6 tot en met 9 - de conclusie van dupliek met ongenummerde producties.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1.. Billink vordert - samengevat en na eisvermeerdering - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 96,42 (€ 56,31 aan hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 en € 0,11 aan wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten.

2.2.. Billink legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft op 16 januari 2025 via de webwinkel “[webwinkel]” (hierna: de webwinkel) in totaal 12 producten besteld. Op de koopovereenkomst zijn de algemene voorwaarden van toepassing. [gedaagde] heeft bij het afrekenen van de online bestelling gekozen voor de betaalmogelijkheid “achteraf betalen” via Billink. Door deze keuze werd de vordering op [gedaagde] tot betaling van de koopprijs direct door de webwinkel in eigendom overgedragen aan Billink middels cessie ex artikel 3:94 BW. Billink heeft op 16 januari 2025 een factuur verstuurd voor een totaalbedrag van € 278,33. De betaling diende plaats te vinden vóór 30 januari 2025. [gedaagde] heeft twee producten gehouden en de rest van de bestelling geretourneerd. Voor de producten die [gedaagde] gehouden heeft, is zij een bedrag verschuldigd van € 46,39. [gedaagde] is daarnaast de retourkosten van € 9,92 verschuldigd. [gedaagde] is dus in totaal € 56,31 aan hoofdsom verschuldigd. Billink heeft meerdere aanmaningen verstuurd, maar [gedaagde] heeft niet betaald. [gedaagde] dient dan ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente te betalen.

2.3..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij alle 12 ontvangen producten tijdig heeft geretourneerd. [gedaagde] heeft bevestigingen van die retournering ontvangen van de webwinkel en deze bevestigingen overgelegd. Uit die bevestigingen volgt dat de webwinkel de producten op 11 februari 2025 heeft ontvangen en op 13 februari 2025 de retourzending verwerkt heeft. [gedaagde] heeft op 3 februari 2025 per e-mail een betalingsherinnering ontvangen van Billink. [gedaagde] ging ervan uit dat de retourzending nog verwerkt moest worden en achtte deze e-mail daarom niet relevant. Volgens [gedaagde] heeft zij op 24 februari 2026 contact gehad met Billink en toen werd aan haar medegedeeld dat er geen probleem was met haar dossier. [gedaagde] voert aan dat zij verder nooit aanmaningen heeft ontvangen, maar dat dit wellicht kan komen omdat zij in de tussentijd verhuisd is. Volgens [gedaagde] is zij rauwelijks gedagvaard.

2.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3. De beoordeling

Ambtshalve toetsing informatieverplichtingen en bedingen in algemene voorwaarden

3.1.. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar (de webwinkel) en een consument ([gedaagde]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de essentiële wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen van de artikelen 6:230m lid 1 BW en 6:230v BW worden voldaan. De kantonrechter oordeelt, gelet op de stellingen van Billink en de bij de dagvaarding overgelegde producties, dat is voldaan aan de voornoemde verplichtingen.

3.2.. Billink vordert betaling van de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter dient ambtshalve te toetsen of in de algemene voorwaarden een oneerlijke rente- of bikbeding is opgenomen. De kantonrechter merkt op dat in de overgelegde algemene voorwaarde geen rente- of bikbeding is opgenomen.

De hoofdsom

3.3.. De stelling van [gedaagde] dat zij rauwelijks gedagvaard is wordt bij de beoordeling van de hoofdsom onbesproken gelaten. Mocht sprake zijn van rauwelijks dagvaarden, dan kan dit hoogstens gevolgen hebben voor de proceskostenveroordeling.

3.4.. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bestelling heeft geplaatst bij de webwinkel ter waarde van € 278,33 en dat [gedaagde] daarbij heeft gekozen voor achteraf betalen, waarbij de vordering over is gegaan op Billink. Ook staat tussen partijen vast dat [gedaagde] de bestelde producten heeft ontvangen. Dit maakt dat het risico voor de producten overeenkomstig artikel 7:11 lid 1 BW vanaf het moment van ontvangst bij [gedaagde] ligt. In het geschil is of [gedaagde] alle producten heeft geretourneerd. Mocht dat zo zijn, dan is [gedaagde] niets meer verschuldigd aan Billink.

3.5..
[gedaagde] stelt dat zij alle 12 producten geretourneerd heeft. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [gedaagde] om te stellen en te onderbouwen dat zij de volledige bestelling retour heeft gezonden en dat de bestelling ook volledig is ontvangen door de webwinkel. Zoals [gedaagde] ook al zelf aankaart, kan [gedaagde] dat niet omdat in de bevestigingen van de webwinkel geen specifieke producten genoemd zijn. Billink heeft daarentegen na het uitbrengen van de dagvaarding navraag gedaan bij de webwinkel en deze heeft bevestigd dat 10 van de 12 producten geretourneerd zijn. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Billink van € 46,39 met betrekking tot de twee niet geretourneerde producten toewijsbaar is.

3.6.. Voorts moet worden beoordeeld of [gedaagde] de retourkosten ter hoogt van € 9,92 aan Billink dient te vergoeden. Op grond van artikel 6:230s lid 2 BW draagt de consument de kosten van het terugzenden van de zaak, tenzij de handelaar heeft nagelaten de consument mede te delen dat hij deze kosten moet dragen. Uit het door Billink overgelegde voorbeeld van het bestelproces (productie 1) blijkt dat op de website onder “Retourneren” het volgende is opgenomen: “Servicepoint EUR 2,99 incl. eerste 3 items + EUR 0,99 per extra item”. De webwinkel heeft er dan ook op gewezen dat de consument de retourkosten moet dragen. Op grond van het voorgaande worden de gevorderde retourkosten toegewezen.

Wettelijke rente

3.7.. Billink vordert de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de factuur (30 januari 2025). [gedaagde] verkeert vanaf voornoemde datum in verzuim en [gedaagde] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.

Buitenrechtelijke incassokosten

3.8.. Billink vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Billink heeft op 3 februari 2025 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde] erkent deze aanmaning te hebben ontvangen. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 40,00 worden toegewezen.

Proceskosten

3.9.. Volgens [gedaagde] heeft zij na de aanmaning van 3 februari 2025 niets meer vernomen van Billink en is zij een jaar later dan ook rauwelijks gedagvaard. Billink betwist dit. Uit de door Billink overgelegde stukken blijkt dat Billink meerdere e-mails heeft verstuurd aan het bekende e-mailadres van [gedaagde]. Billink heeft daarnaast op 27 maart 2025 een laatste aanmaning per post verstuurd naar het bij Billink bekende adres te [plaats 2]. Billink heeft een uittreksel van de Basisregistratie Personen (BRP) overgelegd als productie 7 en daaruit volgt dat [gedaagde] op 29 september 2025, dus een half jaar na de laatste aanmaning, is verhuisd naar een adres te [plaats 1]. De kantonrechter kan op grond van het voorgaande dan ook niet concluderen dat [gedaagde] rauwelijks gedagvaard is. Er is dan ook geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 237 Rv dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten wordt veroordeeld. [gedaagde] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Billink worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

127,08

  • griffierecht

139,00

  • salaris gemachtigde

86,00

(2 punten × € 43,00)

  • nakosten

21,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

373,58

4. De beslissing

De kantonrechter

4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan Billink te betalen een bedrag van € 96,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 46,39, met ingang van 4 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,

4.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

More Decisions