ECLI:NL:RBLIM:2026:5664
Case Summary
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Maastricht
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340610 / HA ZA 25-145
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
te [plaats 1] , 2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.J.M. Philipsen.
1. De procedure
1.1..
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.
De wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2..
[eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.
2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.
Het aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.
2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.
2.6..
De rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige/technische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .
De vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:
1e gebrek:ontbreken dakontluchting
Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel/geen dakontluchting aanwezig is?
Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?
2e gebrek: geborrel in de wc
- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?
3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s
Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).
Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?
4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding
- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?
5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering
Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?
Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?
Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?
6e gebrek: brandveiligheidsrisico
- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?
Overig
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
Kosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.
2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.
Verplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
Vervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
1e gebrek:ontbreken dakontluchting
Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel/geen dakontluchting aanwezig is?
Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?
2e gebrek: geborrel in de wc
- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?
3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s
Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).
Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?
4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding
- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?
5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering
Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?
Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?
Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?
6e gebrek: brandveiligheidsrisico
- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?
Overig
- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
3.2.. benoemt tot deskundige:
De heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,
[adres] ,
[telefoonnummer] ,
[e-mailadres] ,
het voorschot
3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,
3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.8.. wijst de deskundige er op dat:
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
3.11.. wijst de deskundige er op dat:
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:
als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of
na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,
3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,
3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.