[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-6631":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-6631":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1318","ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","",66,"Roermond","roermond","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.109661.25\n\nTegenspraak, na aanhouding verschenen\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\nNamens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.\n\nTot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.\n\nMet betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraakoverweging feit 2\n\nDe rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug\u002Fschouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.\n\nVervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en\u002Fof arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.\n\nOp een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.\n\n [slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug\u002Fschouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.\n\nAlhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug\u002Fschouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.\n\nGezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op\u002Ftegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;\n\n- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.\n\nOverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.\n\nOpzet op de dood\n\nDe rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nPartiële vrijspraak voorbedachte raad\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.\n\nGelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [aangever] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nop 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op\u002Ftegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nop 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\npoging tot doodslag\n\nT.a.v. feit 3:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nEr is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.\n\n [naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nBij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden\n\ngeacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit\n\nen verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie\u002Fjustitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.\n\nDe rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.\n\nDe straf\n\nBij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe maatregel\n\nUit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.\n\nDe psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.\n\nDe rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.\n\nGelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\nEr zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.\n\n8. Het beslag\n\nNu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp\u002Fstaaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreektde verdachtevrijvan feit 2;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\n1. Geen strafbaar feit plegen\n\nVeroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.\n\n2. Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVeroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;\n\n- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;\n\n- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\n- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n3. Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK \u002F FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n4. Niet naar het buitenland\n\nVeroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n5. Opneming in een zorginstelling\n\nVeroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ \u002F DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n6. Ambulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVeroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n8. Verbod verdovende middelen\n\nVeroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Alcoholverbod\n\nVeroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n10. Contactverbod\n\nVeroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .\n\n11. Dagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n12. Aflossing schulden\n\nVeroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag\n\n- gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:\n\n1. STK pijp (G1786919).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en\u002Fof moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 primair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 subsidiair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en\u002Fof [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","ecli-nl-rblim-2026-6631",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,30,41,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":8,"legalDomain":29,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":31,"ecli":32,"caseNumber":33,"courtId":34,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":35,"language":36,"source":37,"sourceUrl":6,"summary":38,"slug":39,"metadata":40},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":6,"courtId":44,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":49,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]