Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2023:7824

Court

Utrecht

Date

26 January 2023

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/172283-22 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2023

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren in 1990 [datum onbekend] te [geboorteplaats] , Somalië,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

hierna: verdachte.1. ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 20 oktober 2022 en 12 januari 2023. Op die laatste datum is de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. E. Wiersma en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen benadeelde partij de heer [slachtoffer] heeft gezegd.2. TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte op 9 juli 2022 te Amersfoort [slachtoffer] in het gezicht en/of arm heeft gestoken met een mes of ander scherp en puntig voorwerp.

Deze gedraging is in meerdere varianten ten laste gelegd: primair als een poging doodslag, subsidiair als zware mishandeling, meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling en ten slotte meest subsidiair als (eenvoudige) mishandeling.3. VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om de zaak inhoudelijk te beoordelen.4. WAARDERING VAN HET BEWIJS4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het meer subsidiaire ten laste gelegde feit – de poging zware mishandeling – wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primaire, subsidiaire en meer subsidiaire ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft betoogd dat de gedragingen van verdachte mishandeling (meest subsidiaire) opleveren. Verdachte heeft ontkend een mes of schaar te hebben gehad en daarmee te hebben gestoken. Het lijkt er sterk op dat verdachte aangever met (de gesp / pin) van zijn riem heeft geslagen of geprikt. Omdat uit het dossier niet blijkt van enig zwaar lichamelijk letsel en een riem ongeschikt is om iemand zwaar letsel toe te brengen, kan alleen het meest subsidiaire (mishandeling) worden bewezen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen – zakelijk weergegeven

De verklaring van verdachte ter terechtzitting

Op 9 juli 2022 heb ik met [slachtoffer] gevochten voor het gemeentehuis in Amersfoort. Ik heb hem bij zijn wenkbrauw geraakt.

Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] van 9 juli 2022

Op 9 juli 2022 was ik bij het gemeentehuis in Amersfoort. (…) Toen ik nogmaals kenbaar maakte dat ik mijn powerbank terug wilde hebben, haalde de jongen een mes uit zijn tasje.(…) Ik zag en voelde vervolgens dat de jongen mij stak met het mes. Ik voelde dat de jongen mij stak bij mijn linkeroog ter hoogte van mijn wenkbrauw.(…) In het ziekenhuis is de steekwond bij mijn linkeroog gehecht. Ik bleek ook een snijwond aan mijn rechter onderarm te hebben (…).

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 9 juli 2022

Tijdens dit incident heb ik twee mannen met elkaar in gevecht gezien. (…) Ik zag dat man 1 voorop rende en dat man 2, achter man 1 aan rende. (…) De man die erachteraan rende, had een sleutelbos vast in zijn hand.

Ik zag dat man 1 en 2 bij dit muurtje weer bij elkaar kwamen. Ik zal dat man 2 zwaaiende bewegingen maakte met de sleutelbos hangend aan het keykoord (…). Ik zag dat man 1, zeker 3 keer tegen zijn hoofd werd geraakt door de sleutelbos.

Ik zag vervolgens dat man 1 het mes weer pakte wat hij eerder ook had vastgehouden. (…) Ik zag dat man 1 met het mes harde stekende bewegingen in de richting van het hoofd van man 2 maakte. Ik zag dat man 2 net boven zijn oog werd geraakt door het mes van man 1. (…) Vervolgens zag ik nog dat man 2 in zijn rechter arm door het mes werd geraakt toen hij zich probeerde af te weren.

Een ander geschrift: het niet door de getuige ondertekende proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] van 9 juli 2022

Ik zag dat de man met het rode shirt met een sleutelbos liep te zwaaien. (…) Ik zag dat de man met het grijze vest een omtrekkende beweging maakte en weer richting het plein voor het gemeentehuis rende. Ik zag dat hij iets van een voorwerp in zijn hand had, wat leek op een lemmet of een schaar. (…) Ik zag dat beide mannen elkaar tegen kwamen bij een stenen trapje voor het gemeentehuis. Ik zag dat ze met elkaar begonnen te vechten. Ik zag dat de man met het grijze shirt de andere man in zijn oog stak met het voorwerp dat hij in zijn handen had.

Het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2023

Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer] een gapende wond boven zijn linkeroog had. Ik zag dat op zijn rechterarm ook een rond wondje zat welke open was.(…)

Bewijsmotivering

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht, vlak boven het linkeroog, alsmede in de rechter onderarm heeft gestoken. De getuigen en aangever verklaren immers allemaal over een mes, dan wel een schaar. Ook verklaren zij allemaal over een steekbeweging, en niet over een slaande beweging, zoals verdachte ter terechtzitting verklaarde. Door met een scherp en/of puntig voorwerp in de richting van de ogen te steken ontstaat een reële, niet onwaarschijnlijke, kans op ernstig en onherstelbaar oogletsel. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en zal voor dit (meer subsidiaire ten laste gelegde) feit worden veroordeeld.5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 9 juli 2022 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] meermalen met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht en de onderarm gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.6. STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

(meer subsidiair)

poging tot zware mishandeling.7. STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel uit noodweerexces. Daartoe heeft de raadsvrouw de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd. Aangever is de agressor geweest. Verdachte werd door aangever achterna gezeten, terwijl aangever daarbij met een riem zwaaide. Toen die achtervolging stopte, is verdachte terug naar het muurtje gelopen waar zijn telefoon nog lag. Vervolgens is het opnieuw aangever die naar verdachte is toegelopen en verdachte in ieder geval één keer met een riem heeft geslagen. Toen pas heeft verdachte geweld toegepast. Hij kon zich op dat moment niet langer onttrekken aan het handelen van aangever en heeft aldus gehandeld om zijn lijf en goederen (telefoon) te redden. Voor zover verdachte daarbij de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden, heeft hij uit noodweerexces gehandeld. Verdachte dient daarom ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

7.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, niet is voldaan aan de voor noodweer geldende vereiste van proportionaliteit. Het steken met een mes of ander scherp voorwerp stond niet in een redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van de aangever worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich had mogen verdedigen. In eerste instantie werd verdachte achterna gezeten door aangever terwijl die met een riem (vermoedelijk door getuigen aangezien voor sleutelbos met keycord) zwaaide. Vervolgens, teruggekomen bij ‘het muurtje’, heeft aangever verdachte met een riem tegen zijn hoofd geslagen. Hierop heeft verdachte gereageerd door met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht van aangever te steken. Een andere steekbeweging heeft aangever afgeweerd, maar heeft hem wel in de onderarm getroffen. Het door verdachte aangewende verdedigingsmiddel staat naar het oordeel van de rechtbank niet in verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft naar een te zwaar verdedigingsmiddel gegrepen. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aannemelijk geworden dat bij de verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft dit standpunt niet verder onderbouwd. Uit de verklaring van verdachte op zitting kan evenmin worden afgeleid dat hij handelde vanuit een hevige gemoedsbeweging. Op zitting verklaarde hij immers dat hij één keer werd geraakt door de riem van aangever en dat dat geen pijn deed. Verdachte komt aldus geen beroep op noodweer of noodweerexces toe.

Er is geen andere omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.8. OPLEGGING VAN STRAF

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat ten gunste van verdachte rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van aangever. Aangever is het gevecht gestart en heeft verdachte ook nog in zijn oor gebeten, als gevolg waarvan dit is gehecht. Tot slot heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte getekend is door traumatische jeugdervaringen in zijn land van herkomst en hij – net als aangever – als dak- en thuisloze in feite buiten de maatschappij staat. Van hem kan niet verwacht worden dat hij op een bedreigende situatie als deze reageert zoals een gemiddelde andere deelnemer aan de Nederlandse maatschappij zou reageren.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder het feit is begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door aangever met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht te steken. Daarbij heeft hij aangever net boven zijn linkeroog geraakt. Dat had heel goed anders kunnen aflopen, met blijvend ernstig oogletsel of permanente blindheid aan dat oog als gevolg. Verdachte heeft daarmee een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Maar ook nadat hij aangever boven het oog en in de onderarm had gestoken, is verdachte doorgegaan met het gebruiken van geweld. Verdachte heeft aangever gestoken in zijn arm en uit de verschillende getuigenverklaringen blijkt dat verdachte aangever daarna nog meerdere malen met een riem heeft geslagen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan. Gelet hierop kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het reclasseringsadvies van 31 oktober 2022, uitgebracht door Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting, maakt de rechtbank op dat verdachte al jarenlang een dak- en thuisloos is en er niet in slaagt om meer van zijn leven te maken. Hij verblijft het grootste gedeelte van zijn tijd bij [locatie] aan het [straat] in Amersfoort. Verdachte gebruikt al lange tijd drugs en kampt met angsten als gevolg van traumatische ervaringen in zijn jeugd in zijn geboorteland Somalië.

Uit een reclasseringsadvies ontstaat een niet eenduidig beeld van verdachte.In een eerste gesprek uit verdachte zelf een hulpvraag in de vorm van het benoemen van de 'problemen' in zijn hoofd, zijn angsten en de wens hieraan geholpen te worden. Na een tweede gesprek, waarin de reclassering met verdachte onder andere de noodzaak tot verdiepingsdiagnostiek wilde bespreken, ontstaat een volledig ander beeld. Verdachte ontkent in dat tweede gesprek namelijk de besproken problemen in zijn hoofd en zegt zich niet te kunnen herinneren dat hij in het eerdere gesprek gesproken heeft over trauma's uit het verleden. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

Gelet op de wisselende bereidheid van verdachte om hulp te aanvaarden en het gegeven dat verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, ziet de rechtbank reclasseringstoezicht niet goed van de grond komen. Verdachte heeft op de zitting te kennen gegeven vooral hulp te willen bij praktische zaken. De rechtbank ziet net als de reclassering onvoldoende aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Uit het uittreksel justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 15 december 2022 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf. De rechtbank weegt het strafblad van verdachte daarom niet in strafverzwarende en ook niet in strafmatigende wijze mee.

Conclusie

De rechtbank heeft voor de strafoplegging aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen. Die gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden. Omdat verdachte wordt veroordeeld voor een poging is echter een lagere straf op zijn plaats. Ook zal de rechtbank de straf enigszins matigen omdat aangever de ruzie is gestart en hij als eerste geweld heeft toegepast.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden passend en geboden is. Omdat verdachte ten tijde van de zitting al langer vastzat is de voorlopige hechtenis al bij afzonderlijk bevel met ingang van 13 januari 2023 opgeheven.9. BESLAG9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat de volgende inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan verdachte, die steeds de beslagene is:

zwarte riem (G3016485);

bruine riem (G3016482);

grijze kabel (G3016495);

witte kabel (G3016487);

grijze jas (G3016494).

De schaar (G3016480) en sigarettendoos (G3016481) dienen volgens de officier van justitie ten behoeve van de rechthebbende bewaard te worden.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank over het beslag.

9.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal ten aanzien van de zwarte riem en bruine riem de beslissing nemen dat deze kunnen worden teruggegeven aan ‘de rechthebbende’, nu uit het dossier niet duidelijk volgt wie als eigenaar van welke riem moet worden aangemerkt.

Ten aanzien van de schaar heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat dit het voorwerp is geweest waarmee het ten laste gelegde feit is begaan. Dat betekent dat de schaar strikt genomen terug moet naar de rechthebbende. De schaar is echter aangetroffen in een prullenbak op straat en behoort – in vermogensrechtelijke zin – dus niemand meer toe. Daarom zal de rechtbank over dit goed geen beslissing nemen.

De sigarettendoos kan terug naar de rechthebbende.

De grijze kabel, witte kabel en grijze jas kunnen worden teruggegeven aan verdachte.10. BENADEELDE PARTIJ

De heer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Hij heeft mondeling schadevergoeding gevorderd voor de immateriële schade die hij heeft opgelopen ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Daarbij heeft benadeelde partij geen geldbedrag genoemd, maar de rechtbank verzocht dat bedrag vast te stellen.

10.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de immateriële schade op een bedrag van € 1.000,- vast te stellen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij de vaststelling van het schadebedrag rekening moet worden gehouden met eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

10.3. Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft benadeelde partij met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht, net boven de linkeroog, gestoken. Hoewel dat geen zwaar lichamelijk letsel of blijvend letsel heeft opgeleverd, heeft benadeelde partij, zo vertelde hij op zitting, drie dagen in het ziekenhuis moeten verblijven en ondervindt hij zo nu en dan nog pijn. De rechtbank heeft gekeken naar vergelijkbare zaken en acht een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade – zoals verzocht door de officier van justitie – in beginsel toewijsbaar. Omdat benadeelde partij degene was die de ruzie is begonnen en als eerste geweld heeft toegepast (door te slaan met een riem), is echter sprake van eigen schuld. Daarom zal een lager bedrag worden toegewezen. De rechtbank stelt de immateriële schade van benadeelde partij geschat vast op een bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 500,- tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 10 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.11. TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.12. BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

  • bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

  • gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

grijze kabel (PL0900-2022199352-G3016495);

witte kabel (PL0900-2022199352-G3016487);

grijze jas (PL0900-2022199352-G3016494);

  • gelast de teruggave aan de rechthebbende van de volgende voorwerpen:

zwarte riem (PL0900-2022199352-G3016485);

bruine riem (PL0900-2022199352-G3016482);

  • gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van het volgende voorwerp:

 sigarettendoos (PL0900-2022199352-G3016481);

Benadeelde partij A.U. Wasunge

wijst de vordering van [slachtoffer] toe en stelt de (immateriële) schade vast op een bedrag van € 500,-;

veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2022 tot en met de dag van algehele voldoening;

veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij, € 500,- te betalen, bij niet betaling aan te vullen met 10 dagen gijzeling. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van benadeelde partij niet op;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Spee, voorzitter, mr. L.M.M. Heppe en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2023.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in het gezicht, en/of de (onder)arm, althans het lichaam van die [slachtoffer]

heeft gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland,

aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of

meerdere steek- en/of snijwond(en) in het gezicht en/of de (onder)arm, althans het

lichaam, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht,

en/of de (onder)arm, althans het lichaam te steken en/of te snijden;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 9 juli 2022, te Amersfoort, althans in Nederland, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft hij, verdachte,

voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht, en/of de (onder)arm,

althans het lichaam gestoken en/of gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 juli 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,

[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen,

althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het

gezicht, en/of de (onder)arm, althans het lichaam te steken en/of te snijden,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere steek- en/of

snijwond(en) in het gezicht en/of de (onder)arm ten gevolge heeft gehad;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 11 juli 2022, 18 juli 2022 en 6 oktober 2022, genummerd 20220711.0900.09015, 20220718.0900.09015 en 20221006.0900.09015, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2023.

Pagina 7.

Pagina 8.

Pagina 76.

Pagina 76.

Pagina 43.

Pagina 18, 20-22.

More Decisions