ECLI:NL:RBMNE:2026:3318
Case Summary
Bestuursrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4595
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eisers voert aan dat zij gedupeerde is over toeslagjaren 2012 en 2019, omdat de kinderopvangtoeslag is stopgezet zonder haar instemming, althans dat zij gedwongen werd om de kinderopvangtoeslag stop te zetten. De Dienst paste volgens eiseres de regels te streng toe, waardoor zij slachtoffer is van de hardheid waarmee het toeslagensysteem werd toegepast. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is, omdat in haar geval van hardheid van het stelsel niet is gebleken.
Procesverloop
1. Eiseres heeft zich op 7 juni 2021 gemeld bij de Dienst voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011, 2012 en 2017 tot en met 2019. Na de lichte toets (Catshuisregeling) is de Dienst tot de conclusie gekomen dat eiseres op dat moment geen recht had op € 30.000,- van de Catshuisregeling. Daarna volgde een integrale beoordeling, waarbij per toeslagjaar is bekeken of de Dienst fouten heeft gemaakt of de regels van de kinderopvangtoeslag te streng heeft toegepast. Met het besluit van 27 februari 2024 heeft de Dienst beslist dat eiseres over alle onderzochte toeslagjaren geen gedupeerde is. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [naam] (dochter), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere gronden
4. De rechtbank stelt voorop dat zij voorbij gaat aan het verzoek van eiseres om de aanvullende beroepsgronden uit een andere zaak in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen. Het gaat om de zaak UTR 24/6240, met betrekking tot de lichte toets in het kader van de Catshuisregeling. Die beroepsgronden zien echter op een ander bestreden besluit dan in deze procedure voorligt, zodat daaruit niet valt op te maken waarom het in deze procedure bestreden besluit volgens eiseres onjuist is. De rechtbank gaat ook niet mee in het verzoek van eiseres om al hetgeen zij in de bezwaarfase heeft aangevoerd in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen. De Dienst is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op de stellingen van eiseres ingegaan. Het is dan aan eiseres om aan te geven op welke punten het bestreden besluit volgens haar geen stand kan houden. Voor zover zij dat in beroep wel heeft gedaan, wordt daar hieronder op ingegaan.
Ontbrekende stukken
5. Eiseres voert aan dat de Dienst niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. De Dienst had telefoonnotities c.q. TVS-stukkenvan de telefoongesprekken tussen eiseres en de betreffende medewerker(s) van de Dienst, gegevens over hoe eiseres met gebruikmaking van DigiD in juni/juli 2019 heeft ingelogd in het systeem van de Dienst, een tijdlijn, zoals die vroeger in de afhandeling van de kinderopvangtoeslagenaffaire in dossiers werd verstrekt, en de terugvorderingsbeslissing op basis waarvan eiseres iedere maand € 26,- betaalde in het geding moeten brengen.
6. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de Dienst slechts verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te verstrekken. Dat zijn de stukken die de Dienst aan de in het geding zijnde besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. De Dienst heeft aangegeven dat alle telefoonnotities uit het TVS-systeem reeds in de bezwaarfase zijn verstrekt en in het dossier zitten. Voor zover eiseres stelt dat er nog telefoonnotities missen, heeft de Dienst op de zitting toegelicht dat hij geen telefoonnotities van gesprekken tussen eiseres en de Dienst in 2012 en 2019 heeft aangetroffen. Die notities heeft de Dienst dus niet als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen toezenden. Ook de gevraagde tijdlijn is al in de bezwaarfase overgelegd. Voor zover eiseres vindt dat een andere of meer uitgebreide tijdlijn had moeten worden overgelegd, merkt de rechtbank op dat artikel 8:42 van de Awb daarvoor geen basis biedt. Voor wat betreft de gegevens over gebruikmaking van DigiD geldt dat niet valt in te zien dat dat op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, nu de Dienst daarover onbetwist heeft aangegeven dat die stukken niet aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd. Los daarvan merkt de rechtbank nog op dat eiseres ook niet duidelijk heeft gemaakt hoe deze gegevens relevant zouden kunnen zijn voor de beoordeling of de Dienst de regels van de kinderopvangtoeslag in haar geval te hard heeft toegepast. Hetzelfde geldt voor de terugvorderingsbeslissing, nu die niet aan de besluitvorming in deze ten grondslag heeft gelegen, en de Dienst ook heeft aangegeven niet over een terugvorderingsbeslissing als door eiseres genoemd te beschikken. De beroepsgrond slaagt niet.
Het toetsingskader
7. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem of haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
8. Van hardheid van het stelsel is sprake als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
9. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid of hardheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.
De inhoudelijke beroepsgronden
10. Eiseres voert aan dat zij slachtoffer is van te streng optreden door de Dienst. In 2012 heeft eiseres de Dienst gebeld, omdat zij verder wilde met haar studie en daarom kinderopvangtoeslag nodig had. Tijdens het gesprek heeft de betreffende medewerker van de Dienst de kinderopvangtoeslag van eiseres ongewenst stopgezet. In 2019 is eiseres tijdens een telefoongesprek met een medewerker van de Dienst in sterke mate beïnvloed, waarna zij onder toepassing van de nodige dwang de kinderopvangtoeslag digitaal heeft stopgezet, zo stelt eiseres. Gelet hierop, vindt eiseres dat zij gedupeerde is.
Het oordeel van de rechtbank
11. De hoogte van de kinderopvangtoeslag van eiseres is bij beschikking van
21 januari 2012 op € 0,- vastgesteld naar aanleiding van een verzoek van eiseres om stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2012. Dat eiseres heeft verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag volgt uit de ‘melding stopzetting ouder 2012’ in het dossier. De stopzetting is dus het gevolg geweest van een verzoek van eiseres, om welke reden geen sprake kan zijn van een te streng optreden door de Dienst. De Dienst heeft conform de systematiek van de kinderopvangtoeslag het voorschotbedrag herzien met de beschikking van 21 januari 2012.Als eiseres het niet eens was met die beschikking, dan had zij daartegen bezwaar moeten maken.
12. Ook voor toeslagjaar 2019 is de rechtbank niet gebleken dat eiseres slachtoffer is van de hardheid waarmee het wettelijk systeem in sommige gevallen werd toegepast. Op 11 juni 2019 is om 00:08 via het burgerportaal een stopzetting van de kinderopvangtoeslag doorgegeven, zo blijkt uit het Xml-bestand. De stopzetting heeft geresulteerd in de herziene voorschotbeschikking van 23 juli 2019, waarmee het voorschotbedrag van € 4.393,- is verlaagd naar € 1.952,-. Dat eiseres zich naar eigen zeggen gedwongen voelde om de kinderopvangtoeslag stop te zetten, kan niet wegnemen dat eiseres zelf heeft verzocht om stopzetting. Als zij het achteraf (toch) niet eens was met de stopzetting had zij daartegen bezwaar kunnen maken of een nieuwe aanvraag om kinderopvangtoeslag kunnen doen. Dat heeft zij echter niet gedaan.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen compensatie krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het Toeslagen Verstrekkingen Systeem.
Artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen.
Kamerstukken II2021/22, 36 151, nr. 3, p. 71.
Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1055, rechtsoverweging 14.