ECLI:NL:RBMNE:2026:3744
Case Summary
Civiel recht
Uitspraak
Amersfoort
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Amersfoort
zaaknummer: 11956042 AC EXPL 25-2469 LvdH/1470
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. M.M. Lodarmasse,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
vertegenwoordigd door mevrouw [A] .
1. De procedure
1.1. [eiser] heeft een dagvaarding uitgebracht tegen [gedaagde] . Daarop heeft [gedaagde] gereageerd met een conclusie van antwoord die ook een tegeneis (eis in reconventie) inhoudt.
1.2. Op 6 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling (zitting) plaatsgevonden. Daarbij waren namens [gedaagde] verschenen: de heer [B] (eigenaar) en mevrouw [A] (hoofd HR). Namens [eiser] was niemand aanwezig. Na telefonisch contact met de gemachtigde van [eiser] , bleek dat de gemachtigde de oproep voor de mondelinge behandeling niet had ontvangen. In overleg met [gedaagde] is besloten niet opnieuw een zitting te plannen, maar partijen nog de gelegenheid te geven schriftelijk op elkaar te reageren. Van deze mondelinge behandeling is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.
1.3. Na deze mondelinge behandeling heeft de kantonrechter nog ontvangen:
een conclusie van repliek ook inhoudende een antwoord op de eis in reconventie;
een conclusie van dupliek.
1.4. De kantonrechter heeft de uitspraak bepaald op 3 juni 2026. Het is helaas niet gelukt om het vonnis voor die datum af te hebben, zodat de nieuwe datum waarop het vonnis zal worden gewezen bepaald is op vandaag.
2. De kern van de zaak
[eiser] heeft gedurende een jaar bij [gedaagde] gewerkt. In de arbeidsovereenkomst staat dat [eiser] naast de maandelijkse loonbetalingen ook recht heeft op een eindejaarsuitkering. Deze heeft hij nooit ontvangen. In deze procedure vordert [eiser] betaling van die eindejaarsuitkering. [gedaagde] vordert op haar beurt terugbetaling van kosten die zij heeft moeten maken gedurende het dienstverband van [eiser] .
3. De beoordeling
in conventie:
Eindejaarsuitkering
3.1. Op 8 januari 2024 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar in de functie van [.] Analist. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is in artikel 5.2 het volgende opgenomen:
“5.2 Werknemer wordt aan het einde van een kalenderjaar pro rata een discretionaire eindejaarsuitkering van één maandsalaris bruto verstrekt. De discretionaire eindejaarsuitkering wordt bepaald op basis van de door de Werkgever nader te bepalen door Werknemer te behalen jaaromzet, inzet van de Werknemer en de kwaliteit van het werk van de Werknemer.”
3.2. Op 4 december 2024 heeft [eiser] aangegeven na afloop van zijn arbeidsovereenkomst niet langer in dienst te willen blijven bij [gedaagde] . De arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is dan ook met ingang van 7 januari 2025 van rechtswege geëindigd.
3.3. In een gesprek van 20 december 2024 is aan [eiser] door [gedaagde] verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.
3.4. [eiser] stelt dat hij op basis van artikel 5.2 uit de arbeidsovereenkomst recht heeft op een eindejaarsuitkering over 2024 van € 3.655,72 bruto (359/366e deel) en over 2025 van € 71,48 bruto (7/365e deel)
3.5. [gedaagde] heeft aangegeven dat het uitkeren van de eindejaarsuitkering een discretionaire bevoegdheid is van de werkgever. Volgens [gedaagde] hebben de prestaties van [eiser] zich niet naar verwachting ontwikkeld, bleven zijn prestaties achter ten opzichte van andere analisten, stond het salaris van [eiser] niet in verhouding tot zijn prestaties en waren er door de tragere ontwikkeling van [eiser] in zijn functie meer tijd en middelen nodig voor de begeleiding en ondersteuning en hebben deze omstandigheden er geleid tot het besluit aan [eiser] geen eindejaarsuitkering uit te keren.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst [gedaagde] in deze brief onder meer naar de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 2024 die met [eiser] zijn gevoerd.
3.6. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] op grond van artikel 5.2 gehouden is de eindejaarsuitkering aan [eiser] uit te betalen. De kantonrechter legt dat als volgt uit.
3.7. In de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] is het uitkeren van de eindejaarsuitkering opgenomen als een discretionaire bevoegdheid. Dat is op zichzelf een bevoegdheid die een werkgever zich mag voorbehouden, maar dit betekent niet dat het gebruikmaken van deze bevoegdheid onbegrensd is. Deze bevoegdheid is namelijk onderworpen aan de eisen van goed werkgeverschap.
3.8. Uit de verslagen van de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 2024blijkt dat er in het functioneren van [eiser] aspecten zijn waarin [eiser] zich (nog) verder kan ontwikkelen, wat ook niet vreemd is aangezien [eiser] nog maar kort werkzaam was in deze functie bij [gedaagde] . Dat de prestaties van [eiser] zouden achterblijven ten opzichte van de andere analisten, blijkt niet uit dit verslag. In het verslag staat namelijk opgenomen dat “je performance naar verwachting is ten opzichte van andere analisten”. Dat er meer tijd en middelen nodig zijn geweest voor de ontwikkeling van [eiser] blijkt evenmin uit de verslagen. Er wordt in het verslag gesproken over het opstellen van een Persoonlijk Ontwikkel Plan (POP) voor het afspreken van concrete doelstellingen maar niet zozeer vanwege achterblijvende prestaties. Ook uit het verslag dat is opgemaakt naar aanleiding van bila-gesprekken in oktober en november 2024blijkt niet van achterblijvend functioneren. Er wordt in verslag gesproken over “mooie stappen gemaakt in het beheersen van aspecten binnen de executie van opdrachten". Dit alles is ook in overeenstemming met het gegeven dat [gedaagde] zelf voornemens was de arbeidsovereenkomst met [eiser] te verlengen.
3.9. Verder brengen de eisen van goed werkgeverschap met zich mee dat goed gemotiveerd moet worden waarom op grond van de discretionaire bevoegdheid is besloten tot het niet uitkeren van de contractuele eindejaarsuitkering. Dat is door [gedaagde] niet gedaan. Pas in de brief van 30 januari 2025 komt hier duidelijkheid over. Dat was nadat de arbeidsovereenkomst al van rechtswege was geëindigd en ook nadat al ruim een maand eerder - zonder toelichting - aan [eiser] was verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.
3.10. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] door met een beroep op haar discretionaire bevoegdheid geen eindejaarsuitkering aan [eiser] toe te kennen in strijd met de eisen van goed werkgeverschap handelt. Aan [eiser] moet daarom alsnog de eindejaarsuitkering worden uitbetaald.
3.11. Tegen de berekening die namens [eiser] is gemaakt is door [gedaagde] geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter ervan uit gaat dat deze berekening juist is. [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag van in totaal € 3.727,20 bruto aan eindejaarsuitkering. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen.
Gespecificeerde opgave
3.12. [gedaagde] zal ook worden veroordeeld om aan [eiser] een gespecifieerde opgave te verstrekken van de betaling van de eindejaarsuitkering aan [eiser] .
Wettelijke verhoging
3.13. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging over de eindejaarsuitkering af te wijzen. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een bonusbedrag dat in één keer wordt uitbetaald. Het niet-betalen van dit bedrag komt voort uit een – naar nu blijkt – onjuist gebleken standpunt van [gedaagde] .
Proceskosten
3.14. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
dagvaarding onbekend
griffierecht € 0,00
salaris gemachtigde € 216,00 (1 punt x tarief € 216,00)
nakosten € 144,00
Totaal € 689,00
in reconventie:
3.15. [gedaagde] vordert betaling door [eiser] van een bedrag van € 12.730,00. Dit bedrag bestaat volgens [gedaagde] uit een bedrag van € 3.330,00 voor een opleidingstraject, € 4.000,00 een aanvullende werving en selectiekosten en € 5.400,00 aan kosten in verband met de achterblijvende ontwikkeling van [eiser] .
3.16. De kantonrechter wijst deze vordering van [gedaagde] af. Allereerst heeft [gedaagde] , ook na het verweer van [eiser] , nagelaten deze vordering te onderbouwen. Verder heeft [gedaagde] er zelf voor gekozen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te gaan terwijl zij wist dat er opleidingskosten gemaakt zouden moeten worden en ook dat [eiser] als startende [.] -analist begeleid zou moeten worden. Voor de kosten van het opleidingstraject die [gedaagde] heeft moeten maken, geldt ook nog dat uit de stukken blijkt dat het hierbij ging om het traject “in to the light” voor het hele team van [gedaagde] (15 mensen). Tussen partijen is een studiekostenbeding overeengekomen maar [gedaagde] stelt daar eerder geen beroep op te hebben willen doen. Voor zover [gedaagde] dit nu wel doet, geldt dat niet gebleken is dat [eiser] deze opleiding heeft moeten volgen in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden, zodat de terugbetalingsregeling voor studiekosten in artikel 10.4 van de arbeidsovereenkomsten hier niet op ziet. Een werkgever loopt verder vaker het risico investeringen te doen in een werknemer die zich uiteindelijk niet uitbetalen in rendement voor de werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet, maar dat betekent niet dat die kosten nadien (integraal) afgewenteld kunnen worden op een vertrekkende werknemer. De vordering van [gedaagde] wordt daarom niet toegewezen.
Proceskosten
3.17. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot:
salaris gemachtigde € 216,00 (1/2 punt x tarief € 432,00)
nakosten € 108,00
Totaal € 324,00
in conventie en in reconventie:
Uitvoerbaar bij voorraad
3.18. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
in conventie:
4.1. verklaart voor recht dat [eiser] recht heeft op een eindejaarsuitkering, gelijk aan de hoogte van het maandelijkse brutoloon van [eiser] , namelijk € 3.727,20 bruto;
4.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 3.727,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 over € 3.655,72 bruto en vanaf 1 februari 2025 over € 71,48 bruto;
4.3. veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan [eiser] van een gespecificeerde opgave van het aan [eiser] uit te betalen bedrag;
4.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 689,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
in reconventie:
4.5. wijst de vorderingen af;
4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 324,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
in conventie en in reconventie:
4.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.8. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.M. Hendriks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Brief van 30 januari 2025 als productie bij de conclusie van antwoord in conventie.
Artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek.
Productie bij conclusie van antwoord in conventie.
Productie bij conclusie van antwoord in conventie.