ECLI:NL:RBMNE:2026:3854
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Lelystad
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/607887 / FL RK 26-280
Zorgregeling
Beschikking van 4 juni 2026
in de zaak van:
[de vader],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.B. Streefkerk,
tegen
[de moeder],
wonende in [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Falkena.
1. De procedure
1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 2 maart 2026;
het bericht (met bijlagen) van de vader van 12 maart 2026;
het bericht (met bijlagen) van de moeder van 12 maart 2026;
het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder van 2 april 2026;
het bericht (met bijlage) van de vader van 9 april 2026;
het bericht (met bijlagen) van de moeder van 28 april 2026.
1.2. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader en zijn advocaat;
de moeder en haar advocaat;
[A.] , een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3. De moeder heeft tijdens de zitting een persoonlijke brief voorgelezen, welke – zoals tijdens de zitting is afgesproken – op 7 mei 2026 namens de moeder door mr. Falkena is ingediend.
1.4. De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige] , de zoon van de ouders, gevraagd wat hij van de verzoeken vindt. [minderjarige] heeft daar op 4 mei 2026 met de rechter over gesproken.
2. Waar de procedure over gaat
2.1. De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest.
2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] .
2.3. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.
2.4. De ouders hebben in het ouderschapsplan van 15 februari 2019, dat onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van 5 april 2019, afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.
2.5. [minderjarige] verblijft sinds 2 februari 2026 feitelijk bij de vader.
2.6. Bij beschikking van 12 mei 2021 van deze rechtbank is het ouderschapsplan van
15 februari 2019 en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 april 2019 – ten aanzien van de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling – gewijzigd in die zin dat:
met ingang van 30 april 2021 zal tussen [minderjarige] en vader een zorgregeling gelden waarbij [minderjarige] één keer in de veertien dagen een weekend bij vader verblijft van vrijdag uit school (14:00 uur) tot en met dinsdagochtend naar school. In de week erop zal vader [minderjarige] op maandag op school halen en dan blijft hij bij hem tot dinsdagochtend naar school;
de vakanties worden als volgt verdeeld: de vakanties van één week worden niet
verdeeld, de overeengekomen zorgregeling loopt dan door. Voor vakanties die twee weken duren, geldt dat deze bij helfte verdeeld worden. Indien [minderjarige] in een vakantie van twee weken de eerste week bij vader is, dan is dat vanaf vrijdag om 14.00 uur uit school. Deze eerste week eindigt derhalve op de vrijdag erna om 14.00 uur. Vader brengt [minderjarige] alsdan naar moeder zodat [minderjarige] om 14.00 uur bij de moeder is;
voor de meivakantie 2021 is afgesproken dat [minderjarige] de eerste week bij vader is en de tweede week bij moeder;
ten aanzien van de zomervakantie en kerstvakantie geldt dat deze eveneens bij helfte worden verdeeld, met dien verstande dat ieder jaar [minderjarige] wisselend eerste kerstdag bij de ene ouder is, tweede kerstdag bij de andere ouder, ongeacht de week waarin de zorgregeling plaatsvindt. De jaarwisseling zal [minderjarige] doorbrengen bij de ouder waarbij hij eerste kerstdag heeft doorgebracht. Voor 2020 geldt dat [minderjarige] van 21 tot en met 27 december bij vader zal zijn, tweede kerstdag bij moeder, waarbij [minderjarige] om 11:00 uur bij de moeder zal zijn en op 27 december 12:00 uur weer bij de vader. De tweede week van de kerstvakantie (28 december tot en met 3 januari) zal [minderjarige] bij de moeder zijn, maar op Oudejaarsdag om 11:00 uur naar de vader gaan en op Nieuwjaarsdag om 12.00 uur weer bij de moeder zijn. Voor 2021 geldt het tegenovergestelde: [minderjarige] zal eerste kerstdag en de jaarwisseling bij moeder zijn en tweede kerstdag bij vader. De zomervakantie 2021 zal bij helfte verdeeld worden waarbij [minderjarige] de eerste drie weken bij moeder is in de laatste drie weken bij vader, het wisselmoment is vrijdag 14.00 uur. Als locatie voor de overdracht wordt de woning van moeder aangehouden;
tijdens de vakanties die twee of meer weken duren, zal de ouder waar [minderjarige] verblijft hem in de gelegenheid stellen in ieder geval twee maal per week met de andere ouder te telefoneren. Die andere ouder zal de telefoon correct opnemen en als het moment van telefoneren niet uitkomt dat direct uitleggen. De oproep zal niet beëindigd worden zonder dat er verbinding lot stand is gekomen;
ten aanzien van de vorderingen van [minderjarige] op school of op sport, zijn de vader en de
moeder zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van deze informatie. Zij zullen dus
niet bij elkaar die informatie vragen. Gesprekken op school worden niet gezamenlijk
bezocht. Ieder zal een eigen afspraak met school maken;
het is ouders niet toegestaan zonder nader overleg dan wel zonder gegronde reden eenzijdig de zorgregeling stop te zetten.
2.7. De ouders hebben geprobeerd om samen afspraken te maken tijdens een mediationtraject. Het mediationtraject is echter vroegtijdig beëindigd.
2.8. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van
30 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader.
3. De verzoeken
3.1. De vader verzoekt om:
primair
de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;
te bepalen dat [minderjarige] – nadat contactherstelgesprekken tussen moeder en [minderjarige] hebben plaatsgevonden –één keer in de twee weken vanaf vrijdag 19:30 uur tot maandag 19:30 uur bij de moeder verblijft en de vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld;
subsidiair
- te bepalen dat [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de vader verblijft en de andere helft van de tijd bij de moeder verblijft met als wisselmoment vrijdag 19.30 uur;
meer subsidiair
een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt.
3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn verzoeken moeten worden afgewezen.
4. De beoordeling
Zorgregeling4.1. De rechtbank zal de volgende zorgregeling vaststellen:
opbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;
definitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus: na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt.
De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.
4.2. Waar [minderjarige] eerder het grootste deel van de tijd bij de moeder verbleef, verblijft hij sinds februari bij de vader en is hij in een kortgeding procedure voorlopig aan de vader toevertrouwd. Ondanks verschillende pogingen van de ouders om samen afspraken te maken, is dit nog niet gelukt. Binnenkort zullen de ouders gaan werken aan hun onderlinge communicatie met systeemtherapie bij [naam] . De rechtbank vindt dit verstandig, omdat de communicatie nu regelmatig via [minderjarige] verloopt en daar heeft hij last van. In de tussentijd hebben zowel [minderjarige] als de ouders al wel behoefte aan duidelijkheid over de zorgregeling. De rechtbank zal om die reden een definitieve zorgregeling vaststellen.
4.3. De rechtbank is van oordeel dat een co-ouderschapsregeling – waarbij [minderjarige] de ene helft van de tijd bij de moeder en de andere helft van de tijd bij de vader verblijft – het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarmee sluit de rechtbank zich aan bij de Raad, die dit tijdens de zitting ook heeft geadviseerd. Een co-ouderschap past goed bij het uitgangspunt in de wet dat er sprake moet zijn van ‘gelijkwaardig ouderschap’.Gelijkwaardig ouderschap betekent dat beide ouders een rol van betekenis in [minderjarige] ’s leven spelen, en zorg- en opvoedtaken verrichten. Dat is belangrijk voor [minderjarige] identiteitsontwikkeling.. Het is niet gebleken dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. Dat de ouders allebei een andere opvoedstijl hebben, is geen reden om van een co-ouderschap af te zien. Verschillende opvoedstijlen kunnen elkaar namelijk ook aanvullen en daarmee juist van meerwaarde zijn voor een kind. Een mooi voorbeeld is huiswerk; dit is tijdens de zitting besproken. De moeder houdt, zo heeft ze verteld, meer in de gaten of [minderjarige] wel zijn huiswerk doet. Ze zit hem achter zijn broek aan als dat nodig is. De vader laat dit meer los; hij vindt dat [minderjarige] moet leren dat er gevolgen zijn als hij zijn huiswerk niet maakt, en dat leert hij het beste door het gewoon maar eens te ervaren. Dat zijn allebei manieren om [minderjarige] te helpen: het is juist goed als [minderjarige] van allebei een stukje meekrijgt. De ouders kunnen bovendien tijdens het hulpverleningstraject afspraken maken over hoe zij hier het beste mee om kunnen gaan en elkaar hierbij én in hun waarde laten, én ondersteunen waar nodig. Wanneer dit lukt, kan er op termijn hopelijk ook meer flexibiliteit in de zorgregeling komen. Een voorbeeld hiervan is dat [minderjarige] bijvoorbeeld een keer in de week dat hij bij de vader is bij de moeder kan avondeten of andersom. Dat past ook bij de leeftijd van [minderjarige] , waarbij steeds wat meer autonomie voor hem fijn is.
4.4. De zorgregeling zal in de periode tot en met de zomervakantie van dit jaar worden opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan de nieuwe situatie en de ouders in de tussentijd kunnen werken aan de communicatie. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vakantieregeling ongewijzigd blijft. De vakantie van [minderjarige] en de moeder naar Indonesië zal dus gewoon kunnen doorgaan en [minderjarige] zal ook tijd met de vader kunnen doorbrengen. De wisselmomenten van de week-op-week-afregeling zullen plaatsvinden op vrijdag om19.30. uur, zoals door de vader is verzocht.
Hoofdverblijfplaats4.5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en zal daarom het verzoek van de vader afwijzen. Er wordt de komende periode toegewerkt naar co-ouderschap, waardoor [minderjarige] evenveel tijd bij de moeder als bij de vader doorbrengt. Een wijziging is daarom niet nodig, wat betekent dat [minderjarige] bij de moeder ingeschreven kan blijven staan.
Kinderalimentatie4.6. De rechtbank zal een beslissing op het verzoek over de kinderalimentatie aanhouden in afwachting van de verweertermijn. De reden daarvoor is dat toen de zitting werd gepland, de verweertermijn nog niet was verstreken, zodat dit verzoek niet inhoudelijk op de zitting kon worden behandeld. De rechtbank wil over uiterlijk zes weken van de ouders bericht krijgen hoe het verder moet in deze procedure en of voor de kinderalimentatie een nieuwe zitting nodig is of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.
De uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. stelt de volgende zorgregeling vast:
opbouwperiode:[minderjarige] verblijft voorlopig om de week van vrijdag na school tot dinsdag 19.30 uur bij de moeder en de overige tijd bij de vader;
definitieve zorgregeling:[minderjarige] verblijft vanaf 16 augustus 2026 (dus na de zomervakantie) voortaan in de even weken bij de moeder en in de oneven weken bij de vader, waarbij het wisselmoment op vrijdag om 19.30 uur plaatsvindt;
5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3. houdt de beslissing over kinderalimentatie aan voor de duur van zes weken, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:
of een nieuwe zitting nodig is;
of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting;
5.4. wijst het meer of anders verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Art. 1:247 lid 4 BW.