[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-3992":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-3992":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1583","ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","",63,"Utrecht","utrecht","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F225832-25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Marokko),\n\nverblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats]\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. A. Bakker;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [aangever] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. R.E.H. Jager.2. Beoordeling door de rechter\n\nHet strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, van dat zij, samengevat:\n\nop 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven;\n\nen voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (subsidiair):\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;\n\nen voor het geval ook die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (meer subsidiair): heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\nDe vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. De rechter moet eerst beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie paragraaf 3 ‘Bewijs’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie paragraaf 4 ‘Strafbaarheid en kwalificatie van het feit’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel. Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie paragraaf 6, ‘In beslag genomen voorwerpen’).3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van alle beschuldigingen vrij te spreken.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nInleiding\n\nDe rechtbank moet dus eerst beoordelen of bewezen is dat de verdachte op 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] (hierna: [aangever] ) van het leven te beroven, dat zij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat laatste heeft geprobeerd. De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat er sprake was van noodweer; dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van [aangever] . Dat standpunt van de verdediging zal later in dit vonnis worden besproken, namelijk bij de vraag of de verdachte strafbaar is (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’).\n\n3.3.2.. \n\nWat is er gebeurd?\n\n [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 19 augustus 2025 door de verdachte in haar auto werd afgesneden, dat de verdachte is uitgestapt, naar hem toe kwam lopen, zei dat zij hem dood ging maken, een vloeistof in zijn gezicht heeft gespoten en in zijn nek heeft gestoken. De verdachte had daarbij twee messen in de hand. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van [aangever] over (de volgorde van) de gebeurtenissen niet kan kloppen. De getuige [getuige] heeft namelijk gezien dat de man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) bij de auto stond en rustig in gesprek was. Iets later zag hij dat de vrouw op de bestuurdersstoel van de auto zat en wilde uitstappen. De getuige zag een snelle armbeweging vanuit de man in de richting van de vrouw. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Dit betekent dat niet vast staat dat de verdachte eerst is uitgestapt, naar [aangever] toe is komen lopen en daarna heeft gestoken. Dit betekent ook dat de rechtbank de aangifte van [aangever] niet goed kan gebruiken voor de vaststelling hoe de verdachte heeft gestoken en in welke situatie dat gebeurde.\n\nHieronder is het bewijs weergegeven dat de rechtbank wel gebruikt. De rechtbank stelt op grond van dat bewijs het volgende vast. Op 19 augustus 2025 heeft de verdachte aangever getroffen vlakbij zijn woning. Tussen hen is een worsteling ontstaan. Op enig moment tijdens deze worsteling heeft de verdachte een of meer stanleymessen in haar handen gehad. Aangever heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hals en aan zijn rechterhand en letsel aan zijn buik en arm opgelopen. Ook heeft de verdachte aangever met pepperspray in zijn gezicht gespoten.\n\n3.3.3.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nDe verdachte heeft – zakelijk weergegeven – op de zitting van 15 juni 2026 verklaard:\n\nOp 19 augustus 2025 zat ik in Utrecht in mijn auto. Ik heb toen met een of meer stanleymessen gezwaaid waardoor [aangever] letsel heeft opgelopen.\n\nEen proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op mijn kamer op de [straat] te Utrecht.Toen ik buiten kwam, zag ik het voertuig van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) rijden. Ik zag dat de bestuurdersportier werd geopend. Ik zag dat [verdachte] in het voertuig zat. Ik zag dat zij een vloeistof in mijn gezicht spoot. Ik voelde dat de vloeistof prikte in mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] twee messen in haar hand hield. Ik zag direct veel bloed en voelde direct veel pijn.\n\nEen geschrift, te weten een brief van chirurg dr. K.J.P. van Wessem van 20 augustus 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven:\n\n [aangever] bezocht op 19-8-2025 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Traumachirurgie.\n\nConclusie\n\nTrauma steekverwonding met als gevolg:\n\nMultiple laceraties: linker hals, volaire zijde linker onderarm, tussen dig I en II waarbij deel aan volaire zijde van de spierbuik van de m. interosseus dorsalis 1 deels door (functie oogt intact), laceratie mediale zijde dig Il en excoriatie over bovenzijde abdomen.\n\nHals: Laceratie linkerzijde hals tot in subcutis,\n\nExtremiteiten: Diepe laceratie tussen dig I en dig 11, waarbij deel van de spierbuik m. interosseus aan de volaire zijde door, kan duim opponeren, buigen en strekken antalgisch beperkt.\n\nEen geschrift, te weten een brief van internist n.p. en arts bedrijfsgeneeskunde, medisch adviseur H.M. Melief, overgelegd bij de vordering van de benadeelde partij [aangever] van 27 maart 2026 voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:\n\nrechterhand\n\nHier lopen spieren, pezen en zenuwen die essentieel zijn voor de beweging en het gevoel van de vingers en hand. Een gedeelte van de spier van die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers, is hierbij doorgesneden.\n\nConcluderend zijn er dus ernstige en blijvende klachten aan de hand met zowel verminderd gevoel aan een deel van de duim, als juist invaliderende neuropathische pijnklachten, die optreden bij gebruik van de hand bij dagelijkse handelingen.\n\nMet betrekking tot de hand kan nog geen eindsituatie worden geduid.\n\nhals\n\nCliënt heeft een wond opgelopen in de hals van ongeveer 20 cm. Bij cliënt was er gelukkig sprake van een relatief oppervlakkige wond waarbij geen belangrijke structuren geraakt zijn. Echter, er is een groot en ontsierend litteken in de hals. Het litteken oogt als dik en verheven op de foto’s waarbij er geen sprake is van cosmetisch fraaie wondgenezing. De ontwikkeling van een deﬁnitief litteken kan tot 2 jaar duren. Complicaties omvatten verharding van het litteken, een bewegingsbeperking door samentrekken van het litteken, beïnvloeding van de spierfunctie van de nek en gevoelsstoornissen. Een eindsituatie is nog niet te duiden.\n\nDe eigen waarneming van de rechtbank op de zitting van 15 juni 2026:\n\nDe rechtbank neemt waar dat aangever [aangever] een ontsierend litteken aan de linkerkant van zijn nek\u002Fhals heeft.\n\nEen proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat een man aan de bestuurderszijde van de eerder genoemde auto stond.\n\nIk zag dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en zij wilde uit de auto stappen. Ik zag een snelle armbeweging vanuit de eerdergenoemde man in de richting van de vrouw. Ik zag vervolgens dat de man en vrouw snelle armbewegingen naar elkaar maakte.\n\nIk zag dat de vrouw in haar linkerhand een mes vasthield.\n\n3.3.4.. Welk strafbaar feit?\n\nDoodslag\n\nDe beschuldiging houdt allereerst in dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven, een poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\nVoor het bewijs van doodslag is nodig dat de verdachte opzet had op de dood van aangever. Dat sprake is geweest van ‘vol’ opzet op de dood van aangever kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bewijs daarvoor ontbreekt.\n\nOpzet kan ook worden bewezen als de verdachte ‘voorwaardelijk’ opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nUit het dossier volgt niet dat de verdachte aangever gericht met de stanleymesjes heeft gestoken. De rechtbank gaat uit van de situatie dat de verdachte met de stanleymesjes (ongecontroleerd) heeft gezwaaid en daardoor aangever heeft gesneden in onder meer zijn hals, hand, buik en arm. De rechtbank kan uit de dossierstukken niet afleiden met welke kracht de verdachte met de stanleymesjes zwaaide en met welke kracht zij aangever heeft geraakt. Wel verklaren de artsen dat de wond in de hals van aangever oppervlakkig was. Tot slot is de aard van het voorwerp – tamelijk kleine voorwerpen waarvan het snijdende deel zogenaamde afbreekmesjes vormen – niet zodanig dat alleen het zwaaien daarmee naar een persoon al gevaar voor het leven met zich brengt. Daarbij speelt dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet heeft kunnen vaststellen hoe ver de mesjes waren uitgeschoven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.\n\nDe rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven spreekt de verdachte daarom vrij van de (primair ten laste gelegde) poging tot doodslag.\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\nIn de tweede plaats – als poging tot doodslag niet bewezen zou kunnen worden – houdt de beschuldiging in dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr beschrijft echter wel wat in ieder geval onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad heeft algemene gezichtspunten geformuleerd die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Als algemene gezichtspunten kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Daarnaast kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.\n\nUit het letselonderzoek en uit het medisch advies volgt dat een spier die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers is doorgesneden. Deze verwonding brengt een hoog risico op bewegingsproblemen van de vingers mee. Ook heeft aangever een snijwond aan de binnenzijde van de wijsvinger. Dit heeft als gevolg dat hij een gevoelsstoornis aan de binnenzijde van zijn duim heeft. Of dit (volledig) zal herstellen is volgens de medisch adviseur niet te voorspellen. De handtherapeut heeft geconstateerd dat aangever veel klachten ondervindt bij een groot deel van de dagelijkse handelingen waardoor hij beperkt is in het gebruik van zijn dominante hand. Samenvattend concludeert de adviseur dat de eindsituatie van de hand onduidelijk blijft.\n\nDaarnaast heeft aangever aan het snijletsel in zijn hals een groot en ontsierend litteken overgehouden, zo blijkt uit het rapport van de medisch adviseur. Dit heeft de rechtbank tijdens de zitting, zo’n 10 maanden na het ontstaan van het litteken, ook geconstateerd. Van cosmetisch fraaie wondgenezing is geen sprake. Aangever heeft in het litteken ook pijnsteken en het litteken is verhard. De adviseur verwacht dat op termijn een littekencorrectie noodzakelijk zal zijn. Ook ten aanzien van het ontsierende litteken is een eindsituatie moeilijk te duiden. Verder heeft aangever nog oppervlakkige wonden aan zijn buik en arm.\n\nGezien de combinatie van de letsels bij aangever en het lange, onzekere en wellicht uitblijvende (volledige) herstel van het litteken in de hals en de functie van de hand, vindt de rechtbank dat het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.\n\n(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nVoor het bewijs van zware mishandeling moet ook komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nUit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De vraag is vervolgens of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) zwaaiende bewegingen gemaakt met scherpe stanleymesjes. Op dat moment was sprake van een dynamische situatie, een worsteling, waarbij aangever in de directe nabijheid van de verdachte was. De verdachte heeft aangever met een stanleymesje in zijn nek\u002Fhals geraakt. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. In de hals lopen belangrijke structuren zoals de bloedvaten naar de hersenen, de luchtpijp en het strottenhoofd. Ook bevinden zich in de hals belangrijke zenuwen voor de ademhaling en de stem en de schildklier. Het is daarom een feit van algemene bekendheid dat schade aan de hals ernstig lichamelijk letsel met zich kan brengen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat littekens lang zichtbaar blijven. De kans dat deze wonden niet herstellen is groot.\n\nDoor zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nsubsidiair\n\nop 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en meermalen met een of meer stanleymes(sen) in de nek\u002Fhals en de buikstreek en in de arm en de hand, van die [aangever] te snijden.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Strafbaarheid van het feit en kwalificatie\n\nKwalificatie\n\nHet (subsidiair) bewezen feit is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld als:\n\nzware mishandeling.\n\nHet feit is strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1. \n\nBeroep op rechtvaardigingsgrond\n\nDe advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, omdat de verdachte zich mocht verdedigen. Er was sprake van noodweer(exces). Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat aangever de verdachte uit de auto trok en haar bij de nek pakte. De verdachte moest zich op dat ogenblik verweren. De verdachte mocht zich verweren op de wijze waarop zij heeft gedaan en er was geen veilig alternatief voorhanden.\n\n5.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het verhaal dat de verdachte door aangever is aangevallen, is ongeloofwaardig. Bovendien had zij de mogelijkheid om de situatie te beëindigen door weg te rijden met de auto en heeft zij met haar handelingen ook de eisen van proportionaliteit overschreden.\n\n5.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer is – in dit geval – vereist dat het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, geboden was voor de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lichaam. Daarin is ook de subsidiariteits- en proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking gebracht.\n\nDe rechtbank zal allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, voldoende aannemelijk is geworden. Die feitelijke toedracht gaat dus niet over het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, waarover hiervoor al is geoordeeld, maar met name wat er kort daarvoor is gebeurd. De rechter kan tot het oordeel komen dat de feitelijke toedracht aannemelijk geworden, ondanks dat er enige onzekerheid bestaat over wat er precies is gebeurd.\n\nFeitelijke toedracht\n\nUit de dossierstukken en het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank afgeleid dat de verdachte in de avond van 19 augustus 2025 met haar auto op zoek was naar aangever om met hem te praten. Over wat er daarna is gebeurd, lopen de verklaringen van de verdachte en aangever uiteen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de auto zat, aangever naar haar toe kwam, de autodeur opentrok en haar bij de nek pakte. Hierop heeft zij met haar rechterhand uit de middenconsole een of meer stanleymesjes gepakt en aangever in zijn lichaam gesneden. Vervolgens heeft zij pepperspray in zijn gezicht gespoten. Daartegenover staat de verklaring van aangever dat de verdachte naar hem toe kwam lopen, dat de verdachte met pepperspray spoot en hem vervolgens met twee mesjes meermaals in zijn lichaam stak.\n\nHiervoor is al uitgelegd dat de verklaring van de verdachte op grote lijnen bevestigd wordt door getuige [getuige] . Zo verklaart hij dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en dat een man aan de bestuurderszijde van de auto stond. Vervolgens heeft de getuige een snelle armbeweging gezien vanuit aangever in de richting van de vrouw. Daarna volgden snelle armbewegingen naar elkaar.\n\nIn dit licht vindt de rechtbank de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht aannemelijk, namelijk dat aangever de eerste geweldshandeling verrichtte. Hieraan staat niet in de weg dat er enige onzekerheid bestaat over de precieze feitelijke toedracht.\n\nDe aannemelijkheid van het door de verdachte geschetste scenario wordt bovendien versterkt door het feit dat zij, vanaf het moment dat ze voor het eerst met de politie sprak tot het moment dat ze bij de rechter-commissaris werd gehoord, consistent over de gebeurtenissen heeft verklaard.\n\nOgenblikkelijke wederrechtelijke aanranding\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever. Aangever heeft namelijk de deur van de auto van de verdachte opengetrokken, stond in de deuropening en heeft toen als eerste een geweldshandeling tegen de verdachte verricht.\n\nSubsidiariteit en proportionaliteit\n\nDe verdediging moet ook ‘geboden’ zijn. De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden verlangd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet als de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het geweld door aangever plaatsvond, kon van de verdachte niet worden verlangd dat zij zich daaraan onttrok. De verdachte zat op de bestuurdersstoel van haar auto, terwijl aangever in de deuropening over haar heen gebogen stond. Zij bevond zich in een benarde situatie waarin zij geen kant op kon. Daarbij komt dat de verdachte fysiek in vergelijking tot aangever in het nadeel was; aangevers is een (forse) man van 1.87m. Onder deze omstandigheden bestond er geen reële mogelijkheid meer voor de verdachte om zich aan het geweld gepleegd door aangever te onttrekken.\n\nDe rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. De maatstaf daarvoor luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechter beoordeelt dat dus terughoudend. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) gezwaaid met stanleymesjes richting het lichaam van aangever. Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd kan niet worden gezegd dat het in onredelijke verhouding staat tot het mogelijk slaan of het pakken bij de nek van de verdachte. Daarbij is ook van belang dat de verdachte zich in een auto bevond en niet is gebleken dat er reële alternatieven waren. Ook heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte eerder door [aangever] is mishandeld. Omdat de verdachte zich mocht verweren tegen het tegen haar gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is niet strafbaar omdat haar een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd. Daar komt de rechtbank niet aan toe.6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen messen en het busje pepperspray onttrekken dienen te worden aan het verkeer.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten het busje pepperspray en de messen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.\n\n7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 198.684.64, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25.684,64 voor vergoeding van materiële schade en\n\n€ 173.000,- voor vergoeding van immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van\n\n€ 684,64. Met betrekking tot de immateriële schade vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 51.500,-. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Beide toe te wijzen schadebedragen moeten vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.3. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nPrimair verzoekt de advocaat de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.\n\n7.4. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging en legt geen straf op aan de verdachte of maatregel die een beoordeling van de vordering van de benadeelde partij mogelijk maakt. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\nverklaart het primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor onder 4 is vermeld;\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nverklaart de verdachte nietstrafbaar enontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;\n\nbeslag\n\nverklaart het busje pepperspray(goednummer 3575894) ende messen(goednummers 3575892 en 3575893)onttrokken aan het verkeer;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nbepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\nheft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. J.P. Verboom en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. van Loon als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever]\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025282821. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPV VGL pagina 9.\n\n PV VGL, pagina 10.\n\n PV RDK, pagina 12.\n\n PV RDK, pagina 13.\n\n PV RDK, pagina 22.\n\n PV VGL, pagina 23.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","ecli-nl-rbmne-2026-3992",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]