[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2025-15824":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2025-15824":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"746","ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","",67,"Haarlem","haarlem","2025-09-30T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 23\u002F7288 en HAA 23\u002F7289\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaken tussen\n\n [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: drs. J.H.M. Demmer),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, verweerder.\n\nProcesverloop\n\n(HAA 23\u002F7288)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.906. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 12.584 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n(HAA 23\u002F7289)\n\nVerweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 298.512. Bij gelijktijdige beschikking is een bedrag van € 11.873 aan heffingsrente in rekening gebracht.\n\nVerweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 293.951 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.\n\n(Beide zaken)\n\nEiser heeft daartegen beroepen ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft op 12 augustus 2025 een nader stuk ingediend.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025 te Haarlem.\n\nNamens eiser is zijn gemachtigde verschenen, bijgestaan door diens echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam] en mr. [naam 6]\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Eiser is voormalig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en van 1 januari 2001 tot 18 juni 2010 is hij commissaris van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] en de met haar gelieerde vennootschappen (hierna tezamen: [bedrijf 2] ) houden zich bezig met het beheer en de exploitatie van onroerende zaken en met projectontwikkeling. Eén van de met [bedrijf 1] gelieerde vennootschappen is [bedrijf 3] In 2010 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij [bedrijf 3] . Tijdens het boekenonderzoek zijn betalingen aangetroffen van [bedrijf 4] op de privébankrekening van eiser. Daarop is onderzocht waar deze betalingen op zagen. Mede naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek is door de FIOD vervolgens een strafrechtelijk onderzoek naar eiser ingesteld.\n\n2. In zijn uitspraak van 5 juni 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019 heeft het gerechtshof Amsterdam (strafkamer) het volgende overwogen, waarbij eiser ‘de verdachte’ is en de heer [naam 2] , de directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf 4] (en haar rechtsopvolger [bedrijf 5] B.V.) wordt aangeduid met ‘[naam 2]’:\n\n “Valsheid in geschrift (feit 1)\n\nHet gaat in deze zaak om de vraag of een aangetroffen koopovereenkomst tussen de verdachte en [naam 2] op 6 juni 2008 met betrekking tot het schilderij ' [naam schilderij] ' van [naam 1] een werkelijke koopovereenkomst is geweest of een schijntransactie betreft die is bedoeld om steekpenningen te verhullen.\n\nHet hof stelt het volgende vast.\n\nDe verdachte en [naam 2] waren sinds begin 2008 namens verkopende en aankopende partijen betrokken bij een grote vastgoedtransactie, te weten een project waarbij het voormalige [terrein] te [gemeente 1] voor € 19.635.000 werd verkocht door [bedrijf 1] en [bedrijf 4] aan [bedrijf 5] (‘project [gemeente 1] ’). [naam 2] was via connecties van de verdachte in contact gebracht met de [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [naam 2] was bestuurder van (een van) de verkopende partijen; de verdachte was commissaris bij de aankopende partij, [bedrijf 2] .\n\nGedurende de onderhandelingen heeft de verdachte op 6 juni 2008 aan [naam 2] het hiervoor genoemde in zijn privébezit behorende schilderij van de hand gedaan voor een bedrag van € 500.000. Uiteindelijk heeft de verdachte in totaal € 360.000 ontvangen van [naam 2] .\n\nNadat deze transactie aan het licht is gekomen, is door verschillende beëdigde taxateurs bepaald dat de werkelijke waarde van het schilderij in 2009 tussen de € 9.000 en € 20.000 moet worden geschat. Er is dus sprake van een zeer aanzienlijk verschil tussen de marktwaarde en de verkoopprijs in de overeenkomst.\n\nDe verdachte had een collectie van schilderijen van [naam 1] in bezit. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zichzelf als kunstkenner ziet, in het bijzonder van de [kunststroming] , waartoe de schilder behoort, hij vrij goed op de hoogte was van de waarde van schilderijen en dat hij redelijk goed wist wat er op de markt gaande was.\n\n[naam 2] heeft verklaard dat er bij deze schilderijtransactie sprake was van een 'koppelverkoop'. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij niet geïnteresseerd was in het schilderij, maar dat de verdachte hem de indruk had gegeven dat zij samen gouden bergen zouden kunnen verdienen. [naam 2] heeft verder verklaard dat hij achteraf liever een provisienota had gekregen, maar dat hij het schilderij kocht om de verdachte een plezier te doen, daar de verdachte \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\".\n\nUit getuigenverklaringen van [naam 3], [naam 4] en [naam 5] volgt dat de verdachte in verband met de betaling van de hiervoor genoemde € 350.000 door [naam 2] tegen hen gezegd heeft dat hij deze gekregen had voor het schilderij en ‘werkzaamheden’ die hij voor die [naam 2] verricht had.\n\nUit het voorgaande moet worden afgeleid dat de verdachte heeft begrepen dat de betalingen door [naam 2] een andere achtergrond hadden dan verkrijging van het schilderij en dat er aldus sprake is geweest van een verhullende transactie.\n\nDat het om een schijntransactie gaat, wordt verder ondersteund door de omstandigheid dat de eerste betaling voor 'het schilderij' min of meer synchroon liep met de betaling van het voorschot van € 3.000.000 door de aankopende partij bij het project te [gemeente 1] aan [bedrijf 1] op 10 juli 2008. Vijf dagen later, op 15 juli 2008, is van dezelfde rekening van [bedrijf 1] waarop het bedrag van € 3.000.000 was ontvangen € 100.000 overgemaakt op de privérekening van de verdachte met de omschrijving \"schilderijen\".\n\nHet voorgaande betekent dat de in de tenlastelegging bedoelde overeenkomst vals is. Deze lijkt een koopovereenkomst in te houden, maar in werkelijkheid is sprake van een schijntransactie, bedoeld om provisiebetalingen te verhullen. Daar doet niet aan af dat het schilderij uiteindelijk wel is overgedragen. De valsheid zit hem zowel in het niet vermelden van de werkelijke aard van de overeenkomst, als, in samenhang daarmee, het benoemen van het bedrag van € 500.000 als verkoopprijs voor het schilderij.\n\nFiscale delicten (feit 2 en 3)\n\nDe valse overeenkomst is aan de fiscus ter beschikking gesteld tijdens een boekenonderzoek. Daarnaast maakte de valse overeenkomst deel uit van de stukken op basis waarvan aangifte inkomstenbelasting is gedaan. Het niet opgeven van wat in werkelijkheid provisie-inkomsten waren, resulteert in het opzettelijk doen van onjuiste aangifte inkomstenbelasting.”\n\n3. In deze uitspraak heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat wettig en overtuigend is bewezen dat eiser het aan hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 in de dagvaarding ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n“1. hij, op 6 juni 2008, in [gemeente 2] , een verklaring ( [#] ), zijnde een geschrift bestemd om tot het bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, valselijk in die verklaring ( [#] ) opgenomen en voorgewend dat\n\n- ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, terwijl de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie, zulks met het oogmerk om deze verklaring als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;\n\n2. hij, op 5 oktober 2010 in [gemeente 2] , telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk, deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld, immers heeft hij opzettelijk een verklaring ( [#] ) waarin valselijk was opgenomen en voorgewend dat ondergetekende [ [verdachte] ] bereid is een schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" te [gemeente 2] van [naam 1] te verkopen aan [bedrijf 1] voor een bedrag groot 500.000 euro, voor raadpleging aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld en bestaande die valsheid hierin dat de marktwaarde van het schilderij veel lager was en in werkelijkheid sprake was van een schijntransactie terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n3. hij, op 9 februari 2010 en op 17 maart 2011, te [gemeente 3] en [gemeente 2] , telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2008 (D-022, D022\u002Fa), en\n\n- een aangifte voor de inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen over het jaar 2009 (D-022, D022\u002Fb),\n\nonjuist heeft gedaan en laten doen, immers is door of namens hem over 2008 en over 2009 een te laag belastbaar bedrag en (verzamel)inkomen opgegeven, immers was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2008 opzettelijk 150.000 euro niet opgenomen en was in die door of namens hem ingevulde en ondertekende en ingeleverde aangifte over 2009 opzettelijk 195.000 euro niet opgenomen, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven;\n\n 4. hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 15 juni 2010 in Nederland, telkens anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber van [bedrijf 2] in de functie van commissaris, naar aanleiding van hetgeen hij als lasthebber heeft gedaan dan wel zal zou doen, telkens giften, namelijk betalingen van geldbedragen, ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3], heeft aangenomen en dit aannemen telkens in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn lastgever, [bedrijf 2];\n\n5. hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 25 april 2012, te [gemeente 2] , telkens van geldbedragen (in totaal 345.000 euro),\n\n- de werkelijke aard heeft verborgen en verhuld, en\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en van 345.000 euro gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”\n\nEiser is door het gerechtshof veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en vier maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.\n\n4. Het door eiser tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 25 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard.\n\n5. Verweerder heeft aan eiser de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij voor het jaar 2008 over een resultaat uit overige werkzaamheden van € 150.000 is nagevorderd, en voor het jaar 2009 – na vermindering in bezwaar – over € 195.000 welke bedragen in overweging 3. van de hiervoor onder 3. opgenomen uitspraak van het gerechtshof Amsterdam zijn vermeld.\n\n6. Het gerechtshof Amsterdam heeft op 5 juni 2019 tevens arrest gewezen in de tegen eiser ingestelde ontnemingsvordering. Hierbij heeft het gerechtshof eiser de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 345.000. In deze uitspraak heeft het gerechtshof het volgende overwogen:\n\n “De verdachte is bij arrest van 5 juni 2019 veroordeeld wegens, kort gezegd, niet-ambtelijke omkoping door het aannemen van geldbedragen\u002Fsteekpenningen van de getuige [naam 2] .\n\nHij heeft het karakter van die geldbedragen geprobeerd te verhullen door een valse koopovereenkomst op te stellen, die inhoudt dat hij een schilderij voor € 500.000,00 verkoopt aan de getuige [naam 2] . De verdachte heeft vervolgens geldbedragen van € 100.000,00, € 50.000,00 en € 200.000,00 ontvangen. Tenslotte is hem nog € 10.000,00 betaald, waarna het schilderij naar [naam 2] is overgegaan. In totaal heeft de veroordeelde dus € 360.000,00 ontvangen.\n\nDe waarde van het schilderij is door verschillende taxateurs en experts geschat op respectievelijk € 9.000,00, € 10.000,00, € 13.000,00 en € 15.000,00 tot € 20.000,00. Het hof schat, gelet op de verschillende waardebepalingen, de waarde van het schilderij op € 15.000,00. Dit bedrag moet voor de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden afgetrokken van de door de veroordeelde ontvangen € 360.000,00. Met de advocaat-generaal schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom op € 345.000,00.”\n\n7. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is op 25 augustus 2020 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard.\n\n8. Op 25 mei 2021 heeft eiser een verzoek om kwijtschelding van de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend vanwege de door eiser erkende verplichting tot betaling van het ontnemingsbedrag van € 345.000 bij wijze van schadevergoeding aan [bedrijf 1] als benadeelde partij. Op 4 juli 2022 is dit verzoek door de rechtbank Noord-Holland toegewezen en het door eiser aan de Staat te betalen bedrag vastgesteld op nihil.\n\n9. Op 26 januari 2023 heeft eiser met [bedrijf 2] een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan eiser zich verplicht tot betaling van een bedrag van € 520.000.\n\nGeschil 10.Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Niet in geschil is dat eiser bedragen van € 150.000 (2008) respectievelijk € 210.000 (2009) heeft ontvangen en dat deze ontvangsten (minus het bedrag dat is betaald voor het schilderij) moeten worden aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n11. Eiser stelt zich op het standpunt dat bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2008 en 2009 het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden te hoog is vastgesteld. Hij is van mening dat het schilderij genaamd \" [naam schilderij] \" van [naam 1] (hierna: het schilderij) een hogere waarde dan € 15.000 vertegenwoordigt. Daarnaast is eiser van mening dat hij een voorziening mag vormen ultimo 2008 vanwege de nadien door hem gemaakte advocaatkosten. Navordering in 2009 is niet mogelijk omdat het vorderingenstelsel moet worden toegepast en het gehele voordeel daarom in 2008 belast zou moeten worden.\n\nSubsidiair stelt eiser dat wanneer de rechtbank oordeelt dat moet worden aangesloten bij het betaalmoment, de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2008 verminderd moet worden met € 50.000, aangezien dat bedrag pas op 1 september 2009 is ontvangen.\n\nMeer subsidiair stelt eiser dat de belastingheffing in strijd komt met artikel 1, Eerste Protocol bij het EVRM omdat deze werkzaamheden voor hem alleen maar een verlies hebben opgeleverd en dus sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nEiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen en vernietiging c.q. vermindering van de navorderingsaanslagen.\n\n12. Verweerder is van mening dat de beide navorderingsaanslagen (2009 na vermindering in bezwaar) naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De waarde van het door eiser verkochte schilderij is voor het juiste bedrag, zijnde € 15.000, in aanmerking genomen. Daarnaast is verweerder van mening dat eiser ultimo 2008 geen voorziening kon vormen en dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het aanmerken van € 195.000 als resultaat uit overige werkzaamheden in 2009.\n\nMet betrekking tot het subsidiaire standpunt van eiser merkt verweerder op dat dit uitgaat van onjuiste feiten omdat de betaling van € 50.000 op 1 september 2008 heeft plaatsgevonden. Ten slotte is verweerder van oordeel dat geen sprake is van een individuele en buitensporige last.\n\nVerweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nHoogte resultaat uit overige werkzaamheden\n\n13. Ten aanzien van de hoogte van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen. Eiser heeft in 2008 € 150.000 ontvangen van [bedrijf 4] en in 2009 € 200.000 van [bedrijf 5] B.V. Het gerechtshof Amsterdam heeft geoordeeld dat deze bedragen door eiser zijn ontvangen als provisiebetalingen. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek is gebleken en door het gerechtshof Amsterdam als feit vastgesteld dat eiser ook nog een bedrag van € 10.000 heeft ontvangen van de heer [naam 2] , waarna eiser het schilderij aan de heer [naam 2] heeft geleverd. Dit wordt door eiser ook niet betwist. De waarde van het schilderij is door gerechtshof Amsterdam vastgesteld op € 15.000 (zie 6. hiervoor). Nu eiser in totaal € 360.000 heeft ontvangen van (de bv's van) de heer [naam 2] , is het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof vastgesteld op € 345.000 (€ 150.000 in 2008 en € 195.000 in 2009). Verweerder heeft daarom terecht deze bedragen nagevorderd als resultaat uit overige werkzaamheden.\n\n14. Eiser voert aan dat de waarde van het schilderij hoger moet worden vastgesteld, hetgeen zou moeten leiden tot verlaging van het in aanmerking genomen resultaat uit overige werkzaamheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een tweetal taxaties van andere schilderijen van [naam 1] overgelegd. Deze twee taxaties zijn in de negentiger jaren van de vorige eeuw uitgevoerd door beëdigd taxateur [naam 9] .\n\n15. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Taxaties van andere schilderijen van deze schilder zeggen onvoldoende over de waarde van het onderhavige schilderij, alleen al omdat schilderijen van deze schilder blijkens de overgelegde stukken voor zeer uiteenlopende bedragen worden verkocht. Bovendien heeft dezelfde taxateur, blijkens het overgelegde proces-verbaal van zijn verhoor door de rechtercommissaris van de rechtbank Noord-Holland verklaard dat hij zich kon vinden in de taxatie van het onderhavige schilderij naar de waarde in 2008 door 2 andere taxateurs op € 10.000 respectievelijk € 9.000. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding af te wijken van de door het gerechtshof Amsterdam vastgestelde waarde van het schilderij van € 15.000.\n\nJaar van genieten\n\n16. Op grond van artikel 3.95 in verbinding met artikel 3.25 van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten resultaat uit een werkzaamheid bepaald volgens goed koopmansgebruik, met inachtneming van een bestendige gedragslijn die onafhankelijk is van de vermoedelijke uitkomst. Die bestendige gedragslijn kan alleen worden gewijzigd indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt. De invulling van het begrip goed koopmansgebruik wordt bepaald door de bedrijfseconomie, tenzij die invulling in strijd is met de tekst, algemene strekking of een beginsel van de belastingwet. Aan het goed koopmansgebruik ligt een drietal hoofdbeginselen ten grondslag die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld. Deze beginselen zijn:\n\n- het realiteitsbeginsel, dat inhoudt dat moet worden aangesloten bij de economische realiteit;\n\n- het voorzichtigheidsbeginsel, op grond waarvan nog niet gerealiseerde winsten niet tot de (belastbare) jaarwinst hoeven te worden gerekend, maar nog niet gerealiseerde verliezen wel ten laste van de jaarwinst kunnen worden gebracht; en\n\n- het eenvoudbeginsel, op grond waarvan de jaarwinstbepaling praktisch hanteerbaar moet zijn.\n\n17. De rechtbank is van oordeel dat goedkoopmansgebruik er niet toe dwingt de in 2009 ontvangen betalingen in 2008 in aanmerking te nemen. Eiser heeft de onderhavige bedragen in 2008 en 2009 ontvangen als provisiebetalingen voor het aanbrengen van vastgoedprojecten en mogelijke toekomstige zaken, zoals vastgesteld in de hiervoor vermelde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam. Eiser wijst naar de overeenkomst met betrekking tot het schilderij en dat de projecten [gemeente 1] en [gemeente 4] reeds in 2008 waren aangekocht. Echter, eiser was commissaris bij [bedrijf 1] en de werkzaamheid bestaat uit het uitoefenen van zijn invloed binnen [bedrijf 2] ten faveure van (de bv's van) de heer [naam 2] . Dit blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in de strafzaak tegen eiser (zie 2. hiervoor) waarin de heer [naam 2] bevestigt dat hij de betalingen verrichtte omdat eiser \"degene was die de tent daar runde en waarmee ik in de toekomst zaken wilde blijven doen\". De werkzaamheid eindigde daarom uiteindelijk definitief op 18 juni 2010, toen de functie van eiser als commissaris van [bedrijf 1] werd beëindigd en daarmee zijn invloed binnen [bedrijf 2] stopte. Uit dit een en ander volgt dat de provisiebetalingen niet alleen zien op werkzaamheden die eiser in 2008 heeft verricht. Eiser heeft tegenover de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat de provisiebetalingen alleen zien op zijn werkzaamheden in 2008. Reeds om die reden kan niet worden gezegd dat het in aanmerking nemen van de provisiebetalingen in 2009 strijdig is met resultaatbepaling volgens het vorderingenstelsel waarop eiser zich beroept. Ook binnen dat stelsel was winstneming in 2009 mogelijk. Bovengenoemd realiteitsbeginsel dwingt evenmin tot het door eiser gewenste resultaat. Eiser heeft geen facturen uitgereikt voor de werkzaamheden en ook ontbreken balansen voor de jaren 2008 en 2009, zodat het eenvoudsbeginsel noopte tot de door verweerder gekozen praktische benadering waarbij het resultaat is toegerekend aan het jaar van ontvangst. Uitstel van winstneming door toerekening van het resultaat aan 2009 in plaats van 2008, is bovendien in overeenstemming met het bovengenoemde voorzichtigheidsbeginsel.\n\nVoorziening\n\n18. Eiser wenst een voorziening te vormen voor door hem gemaakte advocaatkosten. Eiser heeft voor het in aanmerking nemen van een voorziening aangevoerd dat ultimo 2008 voldoende zekerheid bestond dat de advocaatkosten zich zouden voordoen. Daartoe betoogt hij dat ultimo 2008 voorzienbaar was dat een bedrag zou moeten worden betaald aan [bedrijf 2] en dat advocaatkosten zouden moeten worden gemaakt. Uiteindelijk bedragen deze gezamenlijk € 920.000. Eiser acht het redelijk ultimo 2008 een voorziening van € 400.000 voor advocaatkosten op te nemen.\n\n19. De rechtbank overweegt als volgt. Met hetgeen eiser hierover heeft aangevoerd, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ultimo 2008 of 2009 geen redelijke mate van zekerheid dat eiser de van hem gevorderde bedragen in een later jaar zou moeten betalen. In 2008 en 2009 was er nog geen enkele verdenking jegens eiser en het boekenonderzoek bij [bedrijf 3] is eerst in 2010 opgestart en eerst tijdens dat onderzoek is bekend geworden dat eiser bedragen van de heer [naam 2] had ontvangen, zonder dat op dat moment al duidelijk was wat de aard van deze betalingen was. Dat betekent dat er ultimo 2008 en 2009 geen redelijke mate van zekerheid bestond dat eiser terugbetalingsverplichtingen zou hebben jegens [bedrijf 2] en advocaatkosten zou gaan maken.\n\n20. Dat [bedrijf 2] zich als benadeelde partij in de strafprocedure tegen eiser heeft gevoegd en dat eiser in januari 2023 met [bedrijf 2] is overeengekomen € 520.000 te betalen maakt dit niet anders. Deze gebeurtenissen hebben zich immers (ver) na balansdatum voorgedaan. Eiser is eerst in 2017 door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten. Ook in het licht hiervan bestond ultimo 2008 en 2009 onvoldoende mate van zekerheid dat eiser de door hem genoten bedragen zou moeten terugbetalen en advocaatkosten zou maken. De rechtbank overweegt daarnaast dat eiser de gestelde € 400.000 aan advocaatkosten niet heeft onderbouwd, en ook het verband met de door hem in 2008 en 2009 verrichte werkzaamheden niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is op al deze gronden van oordeel dat eiser in 2008 of 2009 geen voorziening kan vormen.\n\n21. Ten overvloede voegt de rechtbank aan het vorenstaande toe dat aftrek van de door eiser betaalde schadevergoeding op de voet van artikel 3.14, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet IB 2001, eerst mogelijk is vanaf het moment dat eiser daadwerkelijk uitgaven doet om de door het misdrijf veroorzaakte schade te herstellen. Tot dat tijdstip zijn die kosten en lasten op grond van artikel 3.14, eerst lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 van aftrek uitgesloten, zodat ook om die reden geen voorziening kan worden gevormd (vgl. HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). De door eiser genoemde advocaatkosten zijn in hun geheel van aftrek uitgesloten. Immers, het begrip ‘verband houden met’ als bedoeld in artikel 3.14, lid 1, aanhef en letter d, Wet IB 2001 dient ruim te worden uitgelegd (vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5057). De wetgever heeft niet beoogd alleen van aftrek uit te sluiten de kosten met behulp waarvan omzet uit criminele activiteiten is gerealiseerd (Kamerstukken II 1996-1997, 25 019, nr. 6, p. 1 en 2). De in het derde lid genoemde uitzonderingen op de aftrekuitsluiting van het eerste lid strekken zich ook niet uit over de door eiser genoemde advocaatkosten.\n\nOntvangst € 50.000\n\n22. De subsidiaire stelling van eiser dat – bij toepassing van het kasstelsel zoals verweerder betoogt – het bedrag van € 50.000 ten onrechte in 2008 in aanmerking is genomen omdat hij dit bedrag eerst op 1 september 2009 zou hebben ontvangen wordt reeds op die grond verworpen omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Eiser heeft geen andere onderbouwing van de stelling gegeven dan dat betaling volgens hem op 1 september 2009 heeft plaatsgevonden. Uit de gedingstukken, met name het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2017 in de strafzaak tegen eiser en de daar aangehaalde bankstukken op bladzijde 5, blijkt echter dat de betaling op 1 september 2008 is ontvangen.\n\nIndividuele en buitensporige last\n\n23. Ter zitting heeft eiser, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048, meer subsidiair aangevoerd dat ter zake van het in aanmerking nemen van het bedrag van € 345.000 als resultaat uit overige werkzaamheden sprake is van een belastingheffing die strijdig is met het door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP) gewaarborgde ongestoorde genot van eigendom. Hij voert daartoe aan dat de werkzaamheden vanwege de betaling aan [bedrijf 2] van € 520.000 en de gemaakte advocaatkosten van € 400.000 verlieslatend zijn geweest zodat belastingheffing over € 345.000 disproportioneel is en een individuele en buitensporige last voor hem oplevert.\n\n24. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. onder meer Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511) kan alleen dan sprake zijn van een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen, waarbij of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Dit moet worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816).\n\n25. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven kan voldoening van de schadevergoeding aan de benadeelde partij op de voet van artikel 3.14, derde lid onderdeel b, van de Wet IB 2001, in aftrek worden gebracht in het jaar van betaling (vgl. Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2299). Eiser heeft geen enkel inzicht gegeven in de fiscale uitwerking van deze betaling en de aftrek daarvan en\u002Fof eventuele verliesverrekening in latere jaren. De rechtbank is van oordeel dat hij daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Ter zitting heeft eiser nog aangeboden hiervan nader bewijs te leveren. Dit bewijsaanbod wordt door de rechtbank als tardief gedaan gepasseerd.\n\nHeffingsrente\n\n26. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. De heffingsrente is berekend op grond van de in de Algemene wet inzake rijksbelastingen opgenomen artikelen die tot 1 januari 2013 van toepassing waren. Tegen de heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen is vastgesteld.\n\nSlotsom\n\n27. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n28. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. T. van Opzeeland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025.\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.\n\nBij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15824","ecli-nl-rbnho-2025-15824",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]