[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-4200":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-4200":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1299","ECLI:NL:RBNHO:2026:4200","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12020648 \\ AO VERZ 25-104 en 12031483 \u002F AO VERZ 25-108 (SJ)\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J. du Bois,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap Vomar Voordeelmarkt B.V.,\n\nte Alkmaar,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Vomar,\n\ngemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet en loondoorbetaling. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan beledigend en grensoverschrijdend gedrag dat een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om vernietiging van een ontslag op staande voet. Vomar heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. Dit tegenverzoek is ook als zelfstandig verzoek gedaan.\n\n1.2.. Op 26 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 3 februari 2025 in dienst bij Vomar op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. De functie van [verzoeker] is teamleider voor 40 uur per week, met een loon van € 2.876,32 bruto per vier weken.2.2.. Op 30 april 2025 heeft in de supermarkt waar [verzoeker] werkzaam was een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en een klant. Hierover heeft Vomar een gesprek met [verzoeker] gevoerd en hem tijdelijk naar een andere supermarkt overgeplaatst.\n\n2.3.. In een Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] naar aanleiding van een loonbeslag aan zijn manager onder meer geschreven: ‘Dus vomar verwacht dat ik naar werk kom vndg? Terwijl dit niet in orxe is’, ‘Dit is voor mij de lijn Ik maak geen grappen omtrent geld’ en ‘Ik kom niet vndg Tot ze dit shit geregeld heb’.\n\n2.4.. Vervolgens heeft op 23 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , eerdergenoemde manager en [naam] (hierna: [naam] ), HR Business Partner van Vomar, over het loonbeslag.2.5.. In een brief van 23 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] een schriftelijke waarschuwing gegeven in verband met zijn gedrag bij het gesprek van 23 mei 2025. In de brief staat dat [verzoeker] zich richting [naam] heeft geuit op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat [verzoeker] op ongepaste wijze tegen [naam] heeft gezegd dat zij ‘maar normaal moest gaan kijken’.2.6.. In een e-mail van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] in reactie op de schriftelijke waarschuwing aan [naam] geschreven: ‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast (…) Dit is een finale waarschuwing’. En in Whatsappberichten van 23 en 24 mei 2025 heeft [verzoeker] vervolgens geschreven:‘Ya’ll are gonna pay (…) Ik kom voorlopig niet Ik ben ziek Gezien wat julllie doen Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] ’en‘Nogmaals Ik ben ziek Stik erin Wnr ik beter ben of voel of behoefte heb aan een gesprek met jullie samen met mijn advocaat Laat ik dit weten Now suck on it’.2.7.. In een brief van 26 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] bericht dat hij is geschorst vanwege het vertonen van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag.\n\n2.8.. In een brief van 27 mei 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 30 mei 2025. [verzoeker] is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Ook op de hierna geplande gesprekken van 4 juni 2025 en 11 juni 2025 is [verzoeker] niet verschenen.2.9.. In een e-mail van 29 mei 2025 heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven: ‘Vanaf vrijdag 23-05-2025 heb ik mijnzelf ziek gemeld (…) Ik wil een bedrijfs arts spreken. Erna zal ik beslissen wat de beste en volgende stappen zijn’.\n\n2.10.. Op 30 juni 2025 en 22 juli 2025 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest.\n\n2.11.. In september en oktober 2025 hebben partijen geprobeerd hun geschil op te lossen door mediation. Dit is niet gelukt, waarna de mediation is beëindigd.2.12.. In een e-mail van 22 oktober 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2025 om te bespreken hoe de resterende maanden van het dienstverband moeten worden ingevuld.\n\n2.13.. In een e-mail van 23 oktober 2025 heeft [verzoeker] aan [naam] in reactie op deze uitnodiging onder meer geschreven: ‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] ). Dit weiger ik. Als je mij wilt spreken wordt het in het bijzijn van het mediation of mijn nieuwe advocaat. Ik voel me totaal niet veilig rond jullie alleen dus dikke pech heb je (…)’.\n\n2.14.. In een e-mail van 24 oktober 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] geschreven dat het onacceptabel is wat [verzoeker] in zijn e-mail van 23 oktober 2025 heeft geschreven. Vomar heeft [verzoeker] tot 27 oktober 2025 om 12.00 uur de kans gegeven om met excuses te komen en heeft vermeld dat ontslag wordt overwogen als [verzoeker] vóór die tijd niets van zich laat horen.\n\n2.15.. \n [verzoeker] heeft niet gereageerd vóór het verstrijken van de termijn die is genoemd in de e-mail van 24 oktober 2025.\n\n2.16.. Met een brief van 27 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Hierin heeft Vomar als dringende reden voor ontslag op staande voet genoemd dat [verzoeker] bij herhaling grensoverschrijdend gedrag laat zien door één of meer medewerkers te beledigen en ongepast te bejegenen, terwijl hij hiervoor eerder is gewaarschuwd en desondanks zijn gedrag niet heeft aangepast. Daarbij is door Vomar gesteld dat de uitlatingen van [verzoeker] in hiervoor genoemde e-mail van 23 oktober 2025 de druppel is die de emmer deed overlopen.\n\n2.17.. In een e-mail van 27 oktober 2025 van 16.29 uur heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven: ‘Excuses. Nee de afspraak van vandaag gaat niet door. Ik voel mij niet veilig en zeker niet beschermd of gehoord. Schakel de mediation weer in dan. (…) Ook wil ik een excuses van jou voor jou steeds over de grens gedrag.’\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen en Vomar te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf 23 mei 2025. Subsidiair vordert [verzoeker] een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. [verzoeker] stelt – samengevat – dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de beschuldigingen aan zijn adres ongegrond zijn en uit hun verband gerukt, en dat wordt miskend dat sprake is van structurele overbelasting en psychische nood. [verzoeker] stelt dat hij nooit opzettelijk of verwijtbaar heeft gehandeld en dat van een dringende reden geen sprake is. Verder is het ontslag volgens [verzoeker] niet proportioneel, omdat Vomar de zwaarwegende persoonlijke belangen en de medische situatie van [verzoeker] geheel heeft genegeerd. Daarnaast is het ontslag volgens [verzoeker] ook niet onverwijld gegeven.\n\n3.2.. Vomar voert aan – kort weergegeven – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, gelet op de ernst van de gedragingen van [verzoeker] , en dat het ontslag ook onverwijld is gegeven. Vomar betwist dat er sprake is geweest van een structurele overbelasting van [verzoeker] en wijst erop dat zij daarover geen melding heeft ontvangen en een overbelasting ook niet blijkt uit de urenregistratie. Vomar vindt de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] geen rechtvaardiging voor zijn gedrag en stelt dat uit de informatie van de bedrijfsarts ook niet blijkt van een dergelijke rechtvaardiging. Verder meent Vomar dat zij na de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, die voor haar de directe aanleiding was voor het ontslag op staande voet, en na het uitblijven van een excuus van [verzoeker] , voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 27 oktober 2025 over te gaan tot ontslag.\n\n4. De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Vomar moet worden veroordeeld tot betaling van loon.\n\n4.2.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.4.3.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is.De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang.Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden. Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.\n\n4.4.. Vomar heeft als dringende reden voor het ontslag op staande voet vermeld de feiten en omstandigheden genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025. Daarbij is de hiervoor aangehaalde e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025 door Vomar betiteld als de druppel die de emmer deed overlopen. Vomar heeft in de ontslagbrief van 27 oktober 2025 gesteld dat eerdere gedragingen van [verzoeker] mede bepalend zijn geweest voor het ontslag op staande voet, waarbij eerdergenoemde gedragingen van 30 april 2025, 23 mei 2025, 24 mei 2025 en 29 mei 2025 zijn genoemd, naast het niet verschijnen op gesprekken, een eerdere waarschuwing en de schorsing van 26 mei 2025.\n\n4.5.. Bij de beoordeling of een bepaalde gedraging een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, kunnen ook vroegere en eerdere gedragingen een rol spelen. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat daarvoor is vereist dat die eerdere gedragingen aan de werknemer zijn meegedeeld.Aan die eis wordt hier voldaan, omdat de eerdere gedragingen zijn genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025.\n\n4.6.. De kantonrechter is met Vomar van oordeel dat de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, mede bezien in het licht van de hiervoor genoemde eerdere gedragingen, waarschuwing en schorsing, een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.\n\n4.7.. Daarbij wordt in de eerste plaats de aard en de ernst van de uitlating van [verzoeker] in de e-mail van 23 oktober 2025 in aanmerking genomen. De bewoordingen die [verzoeker] daarin heeft gebruikt, vindt de kantonrechter een grove belediging en grensoverschrijdend. Dat geldt met name voor de uitlating ‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] )’en de weigering van [verzoeker] om een gesprek aan te gaan, met de toevoeging‘dus dikke pech heb je (…)’, De kantonrechter is het met Vomar eens dat dit onaanvaardbaar gedrag is.\n\n4.8.. Verder neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [verzoeker] op 30 april 2025 betrokken is geweest bij een incident met een klant in de supermarkt waar hij werkzaam was. Uit de door Vomar overgelegde videobeelden blijkt dat [verzoeker] zich onprofessioneel en intimiderend richting een klant heeft gedragen. [verzoeker] is op zijn gedrag en zijn voorbeeldfunctie als teamleider door Vomar aangesproken en tijdelijk overgeplaatst. De stelling van [verzoeker] dat niet hij, maar de klant zich agressief en intimiderend heeft gedragen, vindt geen steun in de videobeelden. [verzoeker] is hier dus al gewezen op zijn gedrag en gewaarschuwd.\n\n4.9.. Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 mei 2025 een waarschuwing gekregen vanwege zijn gedrag rondom de discussie over het loonbeslag. [verzoeker] heeft zijn manager in eerdergenoemd Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 laten weten dat hij niet bereid was zijn werkzaamheden te hervatten zolang de situatie met het loonbeslag niet naar zijn tevredenheid was opgelost. Een dergelijke houding vindt de kantonrechter in strijd met goed werknemerschap. Vomar is immers wettelijk verplicht om zich aan het loonbeslag te houden en kan hieraan niets doen. Aan deze waarschuwing is verder ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich tijdens het gesprek over het loonbeslag heeft uitgelaten op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat hij tegen [naam] heeft gezegd dat zij ‘maar normaal moest gaan kijken’. [verzoeker] heeft dit alles niet gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Ook hier was dus sprake van een waarschuwing dat [verzoeker] ongepast gedrag achterwege moest laten.\n\n4.10.. Daarna is [verzoeker] op 26 mei 2025 geschorst wegens het vertonen van ongepast gedrag. Daarbij ging het om de door [verzoeker] gebruikte bewoordingen in de e-mail van 23 mei 2025 aan [naam] , onder andere ‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast […] Dit is een finale waarschuwing’. Ook zag die schorsing op de bewoordingen in Whatsappberichten van [verzoeker] uit die periode aan zijn leidinggevende, namelijk‘Ya’ll are gonna pay’en‘Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] Moet bij deze uit mn buurt blijven We gaan dit via de rechtbank doen Hele wijze van jullie is niks.’De kantonrechter overweegt dat ook deze bewoordingen beledigend en grensoverschrijdend zijn en dat de schorsing mede als een waarschuwing moet worden aangemerkt.\n\n4.11.. De kantonrechter concludeert dat gelet op het voorgaande sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet, omdat [verzoeker] zich in zijn e-mail van 23 oktober 2025 op onaanvaardbare wijze heeft uitgelaten, terwijl [verzoeker] zich ook al eerder schuldig had gemaakt aan wangedrag en hij daarvoor is gewaarschuwd.\n\n4.12.. \n [verzoeker] is door Vomar nog in de gelegenheid gesteld om excuses aan te bieden voor zijn beledigende woorden in de e-mail van 23 oktober 2025, maar [verzoeker] heeft daarvan geen gebruik gemaakt binnen de gestelde termijn. Overigens blijkt uit de e-mail van [verzoeker] van 27 oktober 2025, die na de gestelde termijn is verstuurd, niet duidelijk waarvoor hij excuses maakt. Die reactie van [verzoeker] doet daarom niet af aan de dringende reden voor het ontslag op staande voet.\n\n4.13.. Een verklaring voor zijn gedrag heeft [verzoeker] niet gegeven. Wel heeft [verzoeker] gesteld dat hij zelf is beledigd en gediscrimineerd door Vomar. Vomar heeft dit gemotiveerd weersproken, zodat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. [verzoeker] heeft ook niet toegelicht wat er in dit kader feitelijk is gezegd of gebeurd. En uit de stukken blijkt hiervan ook niets. [verzoeker] noemt in zijn verzoekschrift en op de zitting nog een incident op 5 mei 2025, maar concretiseert dit verder niet. De kantonrechter ziet hierin dus geen omstandigheid waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het ontslag op staande voet.\n\n4.14.. Naar de kantonrechter begrijpt, doet [verzoeker] ook een beroep op zijn medische situatie. [verzoeker] onderbouwt echter op geen enkele wijze dat zijn gedrag kan worden verklaard door zijn medische gesteldheid. De kantonrechter kan [verzoeker] op dit punt daarom niet volgen. Ook overigens is uit de stukken niet op te maken dat er een verband bestaat tussen zijn gedrag en zijn medische gesteldheid. Weliswaar heeft de bedrijfsarts in zijn rapport van 30 juni 2025 opgemerkt dat er agressieregulatie speelt, maar een verdere toelichting ontbreekt. Er zijn dus geen medische redenen die een verklaring of excuus kunnen opleveren voor het gedrag van [verzoeker] . Bovendien gaat het hier niet om uitlatingen die in een emotionele opwelling zijn gedaan. [verzoeker] heeft zijn uitlatingen immers (voornamelijk) in e-mails en via Whatsappberichten gedaan. Hij heeft dus de tijd gehad om erover na te denken wat hij zou opschrijven. Daarbij heeft hij, zoals hiervoor al is overwogen, gelegenheid gekregen om zijn excuses te maken en die gelegenheid heeft hij ook niet (tijdig) gebruikt.\n\n4.15.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat Vomar had moeten volstaan met een minder verstrekkende maatregel, zoals [verzoeker] aanvoert. Daarvoor wegen de aard en de ernst van de dringende reden te zwaar. Er is ook geen sprake van een langdurig dienstverband dat daartegenover gewicht in de schaal kan leggen ten gunste van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen (andere) persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die aan een ontslag op staande voet in de weg staan. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat [verzoeker] , gelet op de arbeidsmarkt en zijn leeftijd, niet in staat zal zijn om ander werk te vinden. Dat [verzoeker] nog steeds arbeidsongeschikt is, doet hieraan niet af. Uit de informatie van de bedrijfsarts komt naar voren dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] voor een groot deel werk gerelateerd is. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat [verzoeker] spoedig zal herstellen.\n\n4.16.. Verder is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer.Anders dan [verzoeker] , vindt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, om de volgende reden.\n\n4.17.. De e-mail van donderdag 23 oktober 2025 was voor Vomar de druppel die de emmer deed overlopen, zoals hiervoor is overwogen. Vast staat dat Vomar op vrijdag 24 oktober 2025 aan [verzoeker] de kans heeft geboden om tot maandag 27 oktober 2025 om 12.00 uur zijn excuses aan te bieden. Op de zitting heeft Vomar verklaard dat zij [verzoeker] het weekend de tijd wilde geven om zijn bewoordingen te laten bezinken of eventueel een rechtsbijstandverlener te raadplegen. Nadat Vomar duidelijk was dat [verzoeker] niet tijdig excuus had aangeboden, is Vomar direct overgegaan tot ontslag op staande voet met de brief van haar advocaat van 27 oktober 2025. Gelet op deze gang van zaken heeft Vomar voldoende voortvarend gehandeld en is het ontslag onverwijld gegeven.\n\n4.18.. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op 27 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd. De door [verzoeker] verzochte vernietiging van dat ontslag en de daarbij behorende nevenverzoeken worden daarom afgewezen. Aan [verzoeker] komt dan ook geen loon toe na 27 oktober 2025.\n\n4.19.. \n [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift loonbetaling gevorderd vanaf 23 mei 2025. Op de zitting heeft [verzoeker] erkend dat Vomar het loon vanaf 23 mei 2025 tot de datum van het ontslag op staande voet gewoon heeft betaald. Vervolgens heeft [verzoeker] op de zitting zijn vordering gewijzigd in de zin dat (ook) vertragingsschade wegens het te laat betalen van het loon wordt gevorderd. De kantonrechter merkt deze wijziging aan als een vermeerdering van eis en die vermeerdering wordt buiten beschouwing gelaten. Die vermeerdering is namelijk in strijd met een goede procesorde, omdat deze veel te laat is gedaan en Vomar schaadt in haar mogelijkheden om daartegen verweer te voeren.\n\n4.20.. De kantonrechter begrijpt dat de subsidiaire verzoeken van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging voorwaardelijk bedoeld zijn, namelijk voor het geval [verzoeker] zou willen berusten in het einde van het dienstverband en een zogenoemde ‘switch’ zou willen maken. Zo’n ‘switch’ heeft [verzoeker] niet gemaakt. De kantonrechter komt daarom niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat er ook geen grond is voor toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.\n\n4.21.. Er is geen reden om Vomar te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, omdat Vomar wordt gevolgd in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De feiten en omstandigheden die een dringende reden zijn voor het ontslag op staande voet, leveren in dit geval ook ernstig verwijtbaar handelen op van [verzoeker] . Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verzoeker] heeft daarover ook niets aangevoerd.\n\n4.22.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] .\n\n4.23.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van Vomar worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beoordeling van het (tegen)verzoek van Vomar\n\n5.1.. Vomar heeft als tegenverzoek (en als zelfstandig verzoek) verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, op voorwaarde dat het verzoek tot toekenning van de billijke vergoeding en de transitievergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is overwogen dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding niet hoeft te worden beoordeeld. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder Vomar haar (tegen)verzoek heeft gedaan, niet (in zijn geheel) is vervuld. Het verzoek kan daarom niet worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.\n\n5.2.. Op de zitting heeft Vomar, nadat de kantonrechter hierover vragen heeft gesteld, haar verzoek gewijzigd in die zin dat ook om een gefixeerde schadevergoeding wordt verzocht voor het geval dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De kantonrechter laat ook deze eiswijziging en -vermeerdering niet toe, om dezelfde reden als genoemd onder 4.19.\n\n5.3.. Er wordt geen beslissing genomen op het verzoek van Vomar en er is daarom ook geen reden voor een proceskostenveroordeling of een beslissing daarover.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1.. wijst het verzoek van [verzoeker] af;\n\n6.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met mr. S.C. Jacobs, griffier\u002Fjuridisch adviseur, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2000, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2000:AA4436 (Hema).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 1981, gepubliceerd in NJ 1982\u002F100 (De Gier\u002FSchaap) en van 15 februari 1991, gepubliceerd in NJ 1991\u002F340 (Bots\u002FRoussel).\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4200","ecli-nl-rbnho-2026-4200",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]