ECLI:NL:RBNNE:2026:1229
Case Summary
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Uitspraak
Leeuwarden
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/199022 / HA ZA 25-55
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
wonende te [woonplaats] , 2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna te noemen [eiser sub 1] respectievelijk [eiser sub 2] en samen te noemen: [eisers] ,
advocaten: mr. L.H.E. Drenthe en mr. A.I. Keur,
tegen
MEDIAHUIS NOORD B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Mediahuis,
advocaat: mr. J.J. Gevers.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 30 april 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.. Mediahuis was tot 2025 o.a. een uitgeverij van kranten.
2.2..
[eisers] zijn een echtpaar en zijn beiden tandarts te [plaats] .
2.3.. De heer van [naam 1] is net als [eisers] tandarts te [plaats] . Zijn echtgenote [naam 2] (hierna: [naam 2] ), werkt in zijn tandartspraktijk.
2.4.. De verhouding tussen [eisers] enerzijds en [naam 1] en [naam 2] anderzijds is al jaren ernstig verstoord. Er zijn over en weer diverse procedures gevoerd, waaronder meerdere tuchtrechtelijke procedures.2.5.. Op 11 september 2018 heeft [naam 1] een klacht ingediend tegen [eisers] bij het Regionale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle (hierna: RTG). [naam 1] was destijds [functie 1] van de Tandartsenkring [plaats] . Hij heeft [eisers] verweten dat zij (1) zich niet zouden houden aan de afspraken over de opvang van spoedgevallen, (2) zich grievend zouden uitlaten over een collega, (3) geen medische dossiers zouden verstrekken en (4) zorg van onvoldoende kwaliteit zouden verlenen.
2.6.. Op 9 mei 2019 heeft mevrouw [naam 3] , werkzaam als [functie 2] , desgevraagd - voor zover van belang - het volgende per e-mail aan [eiser sub 1] bericht over de afhandeling van een tandheelkundig spoedgeval:
De begeleider van het voetbalteam van [naam 4] heeft hem (…) naar de ambulancepost gereden. (..) Na hem verzorgd te hebben en de tanden te hebben teruggezet is de verpleegkundige gaan bellen. Eerst naar eigen tandarts van de jongen, vandaar verwezen naar spoedlijn. Terwijl zij met spoedlijn belde was de begeleider van de voetbal ook zelf een tandarts aan het regelen. Toen onze verpleegkundige dat hoorde heeft zij het gesprek met de spoedlijn afgebroken. Uitgelegd dat er via een andere weg een tandarts werd geregeld. Dit is exact wat de triagist van de spoedlijn heeft gerapporteerd. Er is ook verder niet op doorgevraagd. Naar later bleek was inderdaad tandarts Huizen benaderd. Deze blijkt ook begeleider van een voetbalteam, vandaar de korte lijn tussen beide mannen. (…) Begeleider is uiteindelijk met [naam 4] naar diens praktijk gegaan.
2.7.. Bij afzonderlijke beslissingen van 16 mei 2019 heeft het RTG de klacht van [naam 1] tegen [eisers] wat betreft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gegrond verklaard en wat betreft klachtonderdeel 4 ongegrond verklaard. De bevoegdheid van [eiser sub 1] om zijn tandartspraktijk uit te oefenen is voor de duur van een half jaar geschorst, waarvan één maand onvoorwaardelijk en vijf maanden voorwaardelijk en de bevoegdheid van [eiser sub 2] om haar tandartspraktijk uit te oefenen is voor de duur van een half jaar voorwaardelijk geschorst.
2.8.. In de Steenwijker Courant, een uitgave van Mediahuis, is op vrijdag 24 mei 2019 een voor (de tandartspraktijk van) [eisers] negatief artikel gepubliceerd (hierna: het artikel), dat geschreven is door de heer [auteur artikel] (hierna: [auteur artikel] ) Het artikel bestond uit twee delen, een deel op de voorpagina en een deel op pagina 6. Op de voorpagina stond de volgende tekst, waarin verwezen werd naar het uitgebreidere deel van het artikel op pagina 6:
Op pagina 6 van de krant stond de volgende tekst:
2.9.. Het artikel is ook opgenomen in de digitale Steenwijker Courant, die abonnees van de Steenwijker Courant kunnen lezen.
2.10.. De beslissingen van het RTG zijn vernietigd bij beslissing van 17 maart 2020 van het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg (hierna: CTG).
2.11.. In 2022 heeft [eisers] de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. [eisers] wilden aan de hand van het voorlopig getuigenverhoor bezien of zij [naam 2] konden aanspreken uit onrechtmatige daad vanwege voormeld krantenartikel. Bij beschikking van 8 april 2022 heeft de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor bevolen. Op 17 juni 2022 zijn [naam 2] en [auteur artikel] gehoord, op 17 oktober 2022 is mevrouw [naam 5] ., een huidige client van [eisers] tevens oud-client van [naam 1] , gehoord en op 21 oktober 10 november 2023 is in tegenverhoor [naam 1] gehoord.
2.12..
[naam 2] heeft - voor zover van belang - het volgende verklaard:
Ik vertel u dat er op 23 mei, de dag ervoor, een artikel in de Stentor stond dat ook ging over meneer [eiser sub 1] en de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege. Die dag nam iemand van de Steenwijker Courant contact met mij op. Ik weet niet meer wie dat was. Dat kan meneer [auteur artikel] zijn geweest, maar dat weet ik niet. Ik weet niet meer wat diegene mij heeft gevraagd. Ik weet ook niet meer wat ik daarop heb geantwoord. Ik weet nog wel dat ik op 23 mei een e-mailbericht heb ontvangen van meneer [auteur artikel] met daarin een opzet voor het artikel van 24 mei. Ik zal daar vast telefonisch op hebben gereageerd, maar ik weet niet meer wat ik daarbij gezegd heb, behalve dan dat de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet door de Kring, maar door de praktijk van mijn man en mij is aangespannen. (…). Ik heb alleen nooit gezegd wat er wordt geciteerd: “geen oog voor de mond”. (…) 's Middags op 23 mei kregen we in de e-mail een aangepaste versie van het krantenartikel. (…) Ik zag dat e- mailbericht 's avonds en heb daar niet meer op gereageerd. Het geplaatste artikel zag ik enkele dagen na 24 mei. (…) Ik weet niet meer of ik op Facebook iets geplaatst heb over het gesprek met de medewerker van de Steenwijker Courant. Het kan zijn dat ik wel het artikel op Facebook heb gedeeld.(…) Het artikel van 24 mei heb ik ook niet op een andere manier verder verspreid, zoals door op te hangen in de praktijk of met patiënten te delen. (…) Het citaat dat begint in de tweede kolom op de eerste bladzijde: “zo had hij een landelijk (...) op zijn stoep stonden" heb ik niet expliciet zo gegeven. (…) U vraagt mij over het citaat dat is opgenomen op de tweede bladzijde: “zo hebben we onlangs (...) waardoor de patiënten hem niet thuis troffen". Dat citaat heb ik niet letterlijk zo gegeven. Ik heb niet gezegd dat de TBB niet bereikbaar was, maar dat de TBB niet goed kon inschatten naar welke tandarts de jongen moest. Ik heb wel ook gezegd dat tevens de praktijk van meneer [eiser sub 1] niet goed bereikbaar was, terwijl hij die dag de dienstdoende tandarts was. (…) Ik heb gebeld met de praktijk van meneer [eiser sub 1] op het moment dat de ambulance spoedpost had gebeld met ons en mijn man naar de praktijk was gegaan om de bewuste jongen te helpen. Toen ik belde werd opgenomen door de vrouw van meneer [eiser sub 1] , mevrouw [eiser sub 2] . (…) Op een later moment, toen mijn man met de ambulancemedewerker sprak, stond ik daar bij. De medewerker van de ambulancepost vertelde aan mijn man hoe de jongen uiteindelijk bij zijn praktijk terechtgekomen was. Hij vertelde namelijk dat de begeleider van de voetbal aan hem vertelde dat ze een goede praktijk kende in [plaats] en het mobiele nummer van de tandarts hadden, het gaat dan om de praktijk van mijn man, en dat de ambulancemedewerker vertelde dat ze vanwege de lange wachttijd bij het triagebureau besloten om naar deze praktijk te gaan. Met de lange wachttijd bij het triagebureau bedoel ik dat de TBB eerst nog moest kijken welke tandarts dienst had. Het citaat: “ontevreden patiënten (...) hier gaande" heb ik niet letterlijk zo gegeven. Ik heb wel gezegd dat de patiënten overstapten, maar dat waren er toen 250 en ik heb ook gezegd dat er een zekere week zelfs 66 patiënten overstapten. Het zou kunnen dat ik heb gezegd dat die 250 patiënten in een jaar tijd waren overgestapt.
2.13.. Mevrouw [naam 5] . heeft - voor zover van belang - verklaard:
Ik had een conflict met de heer [naam 1] over het verkeerd plaatsen van mijn facings. Ik wilde in oktober/september 2020 bij hun praktijk weg en overstappen naar (…) meneer [eiser sub 1] . (…) Toen ik het gesprek met mevrouw [naam 1] aanging over dat overstappen wees zij naar dat artikel [van de Steenwijkercourant van 24 mei 2019; toevoeging rechtbank] en zei dat ik dat moest lezen.
2.14.. Bij e-mail van 30 oktober 2024 heeft mr. Drenthe namens [eisers] Mediahuis gesommeerd om het artikel offline te halen en een rectificatie te plaatsen. In reactie hierop heeft Mediahuis per e-mail van 4 november 2024 aan mr. Drenthe bericht niet bereid te zijn het artikel te verwijderen of een uitgebreide rectificatie te plaatsen, maar naar aanleiding van de beslissing in hoger beroep in de tuchtzaak wel het online artikel zou aanvullen met een kader, waarin deze latere feiten zouden worden onderstreept. Vervolgens heeft Mediahuis in 2024 in de digitale versie van het artikel op de volgende wijze in het artikel een kader met een aanvullende tekst gevoegd met als kop: ‘Update: schorsing ongedaan gemaakt’.2.15.. Gelijktijdig met de update bij het artikel is het artikel aangepast en is opgenomen dat niet de Tandartsenkring [plaats] , maar Tandartspraktijk [naam 1] de zaak tegen [eisers] aanspande bij het RTG.
2.16.. Mediahuis is op 1 april 2025 gefuseerd en verdwenen als rechtspersoon. Verkrijgende rechtspersoon is Mediahuis Nederland B.V. De fusieakte is op 31 maart 2025 verleden. Mediahuis is uitgeschreven uit het handelsregister per 4 april 2025.
3. Het geschil
3.1..
[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,:
i. voor recht zal verklaren dat het artikel in de Steenwijker Courant d.d. 24 mei 2019
onjuistheden bevat en ongegronde verwijten en verdachtmakingen;
ii. Mediahuis zal veroordelen binnen 2 dagen na betekening van het in dezen te
wijzen vonnis het bewuste artikel in de Steenwijker Courant volledig te verwijderen en
verwijderd te houden; en /of
iii. Mediahuis zal veroordelen een rectificatie te plaatsen, online en in de papieren
uitgave van de Steenwijker Courant, in de vorm van een advertentie die voor eenieder (ook
niet- abonnees) leesbaar is met de tekst:
"Op 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met 2 "koppen” te weten op de voorpagina "Tuchtcollege schorst tandarts" en op pagina 6 "Waslijst van klachten over tandarts ”, naderhand is gebleken dat het artikel ernstige onjuistheden bevatte, beweerd door de geïnterviewde mevrouw, met als gevolg dat in het artikel een onjuist beeld werd opgeroepen. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De redactie ”
iv. Mediahuis zal veroordelen in de kosten van onderhavige procedure;
3.2..
[eisers] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd. Het artikel bevat grove onjuistheden en ongefundeerde beschuldigingen die [eisers] schaden. Mediahuis heeft voorafgaand aan de publicatie van het artikel onvoldoende hoor en wederhoor toegepast. Ook heeft Mediahuis met de aanduiding ‘tandarts [eiser sub 1] ’ de uitspraak van het RTG waarin is bepaald dat die uitsluitend anoniem zou worden gepubliceerd, uit de anonimiteit gehaald. Het artikel is daarmee onrechtmatig jegens [eisers] Het artikel heeft nog altijd grote, negatieve impact op de tandartspraktijk van [eisers]
3.3.. Mediahuis voert verweer. Mediahuis concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis worden voldaan.
3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Verduidelijking van de vorderingen
4.1..
[eisers] hebben ter zitting verduidelijkt dat de vorderingen onder ii en iii zo begrepen moeten worden dat ze naast elkaar worden gevorderd, in die zin dat én verwijdering van het artikel én rectificatie daarvan wordt gevorderd en niet het een of het ander. De rechtbank zal de vordering zo begrijpen, omdat Mediahuis daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.
Toetsingskader
4.2.. Partijen verschillen van mening over de vraag of Mediahuis door publicatie van het artikel (en haar latere weigering om het artikel te verwijderen) onrechtmatig handelt jegens [eisers] in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). De vraag of een publicatie onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op uitingsvrijheid (artikel 10 EVRM) enerzijds, en het wettelijk verankerde recht op bescherming van eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM) anderzijds. In beginsel staan deze twee fundamentele rechten op een gelijk niveau: niet kan worden gezegd dat de vrijheid van meningsuiting (de persvrijheid) per definitie zwaarder weegt dan de bescherming van het privéleven. Het omgekeerde kan evenmin worden gezegd.
4.3.. De publicatie van een artikel kan onrechtmatig zijn wanneer deze in strijd is met de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid. Daarbij gaat het om een afweging van de wederzijds betrokken belangen. [eisers] heeft er belang bij niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen door publicaties in de pers. Mediahuis heeft er belang bij om zich in het openbaar kritisch te kunnen uitlaten over misstanden of anderszins kwalijk geachte tendensen in de samenleving. Daarnaast is er uiteraard het belang van de samenleving om te worden geïnformeerd over ontwikkelingen en nieuws.
Onrechtmatig artikel
4.4.. De rechtbank stelt vast dat het artikel hoofdzakelijk bestaat uit citaten van [naam 2] , met verwijten en beschuldigingen aan het adres van [eisers] Ook heeft [auteur artikel] aan die verklaringen vergaande en niet zonder meer objectieve en onderbouwde conclusies verbonden die ook in het artikel zijn opgenomen. Zo concludeert hij: “Er waren zoveel klachten over deze tandarts [eiser sub 1] . dat Tandartsenkring [plaats] een zaak aanspande bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle.” en “De kans is groot dat er een nog grotere toeloop van zijn patiënten naar andere praktijken komt.” Het had op de weg van Mediahuis gelegen om [eisers] in het kader van hoor en wederhoor in de gelegenheid te stellen op deze verwijten, beschuldigingen en conclusies te reageren vanwege de potentiële schadelijke effecten daarvan. Dit heeft zij nagelaten. [eisers] hebben ter zitting onbestreden gesteld dat Mediahuis hen enkel heeft gevraagd om een reactie op de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 16 mei 2019. Die reactie (van hun advocaat) is in het artikel opgenomen. [eisers] hebben, anders dan [naam 2] , ook geen concept van het artikel toegestuurd gekregen voor de publicatie ervan. Mediahuis heeft [eisers] aldus de mogelijkheid ontnomen om feitelijke onjuistheden in het artikel recht te zetten.
4.5.. Daardoor staan er nu beschuldigingen en conclusies in het artikel die feitelijk onjuist zijn. Zo is de hierboven geciteerde conclusie van [auteur artikel] in het artikel dat vanwege de vele klachten tegen [eiser sub 1] . de Tandartsenkring een procedure bij het RTG is gestart onjuist. Die procedure is enkel gestart door [naam 1] . Ook de in het artikel opgenomen verklaring van [naam 2] dat er inmiddels in ruim een jaar tijd al 600 patiënten van de praktijk van [eisers] zouden zijn overgestapt naar de praktijk van [naam 1] is feitelijk onjuist. Dit blijkt al uit de door [naam 2] zelf afgelegde getuigenverklaring. Volgens haar heeft zij [auteur artikel] niet verteld dat het 600 patiënten waren maar 250. [eisers] hebben bovendien onbestreden gesteld dat er geregeld patiënten overstappen van praktijk, ook van de praktijk van [naam 1] naar die van hem. Die nuancering is in het artikel ten onrechte niet aangebracht. Verder staan in het artikel feitelijk onjuiste verwijten aan het adres van [eisers] over het onbereikbaar zijn in spoedgevallen. [naam 2] wordt hierover in het artikel als volgt geciteerd: “Hij hield zich niet aan de afspraken. Zo had hij een landelijk tandartsbemiddelingsbureau, afgekort TBB, ingeschakeld om de noodtelefoontjes op te vangen. (…) Maar te vaak gaven hij en zijn vrouw niet thuis als mensen met kiespijn of andere acute problemen op de stoep stonden. Zo hebben we onlangs een jongen van 18 jaar moeten helpen bij het terugplaatsen van twee uitgeslagen voortanden, omdat de praktijk van [eiser sub 1] . door inzet van TBB niet bereikbaar was terwijl acute hulp noodzakelijk was.” Uit de latere getuigenverklaring van [naam 2] blijkt dat het niet juist is dat de praktijk van TBB in het geval van de achttienjarige jongen niet bereikbaar was. Volgens haar heeft zij dat ook niet zo gezegd tegen [auteur artikel] . Ook uit de e-mail van 9 mei 2019 van [naam 3] , de [functie 2] van de ambulancepost die die dag het betreffende contact had met het TBB over dit spoedgeval, blijkt dat het feitelijk onjuist is dat [eisers] in dit spoedgeval onbereikbaar waren. Zij geeft in die mail aan dat, terwijl de verpleegkundige van de ambulancepost met de TBB belde, de begeleider van het voetbalteam van de jongen ook zelf een tandarts aan het regelen was. Toen de verpleegkundige dat hoorde heeft zij het gesprek met de TBB afgebroken. Van het onbereikbaar zijn van [eisers] in dit spoedgeval is dus geen sprake geweest. Deze feitelijk onjuist gebleken beschuldigingen en conclusie hebben een zware lading.
4.6.. Mediahuis heeft aangevoerd dat zij [eiser sub 1] in het artikel heeft aangeduid als ‘ [eiser sub 1] .’, om zo veel als mogelijk de privacy van [eisers] te waarborgen en dat het artikel, afgezien van de uitspraken van het RTG en CTG, geen gegevens bevat die tot identificatie kunnen leiden. Voor zover zij hiermee wil aanvoeren dat het artikel niet makkelijk te herleiden is tot [eisers] wordt zij hierin niet gevolgd. In het artikel staat vermeld dat het gaat om een tandarts met een praktijk in [plaats] en dat de vrouw van deze tandarts ook tandarts is, terwijl als onbestreden vaststaat dat [eisers] het enige tandartsechtpaar in [plaats] zijn. Nu [eiser sub 1] bovendien is aangeduid met de eerste letter van zijn achternaam, is aan de hand van deze specifieke informatie het artikel vrij makkelijk te herleiden tot [eisers]
4.7.. Mediahuis, in de persoon van [auteur artikel] , heeft aldus in het artikel een eenzijdig en tendentieus beeld gegeven van de persoon en de praktijkvoering van [eisers] zonder dat zij [eisers] voldoende gelegenheid heeft geboden om voor de publicatie op de inhoud van het artikel te reageren. Daarmee heeft Mediahuis onrechtmatig jegens [eisers] gehandeld. Hieraan doet niet af dat [eiser sub 1] , zoals Mediahuis heeft aangevoerd, zich onder andere op LinkedIn als criticaster presenteert en regelmatig bijdragen publiceert. Het feit dat [eiser sub 1] zich kritisch uitlaat over anderen wettigt niet het publiceren van een voor hem schadelijk artikel met feitelijk onjuiste beschuldigingen aan zijn adres.
4.8.. De onjuiste beeldvorming in het artikel kan naar het oordeel van de rechtbank enkel hersteld worden met een rectificatie. Het kader met de ‘update’ die Mediahuis in 2024 in het artikel heeft gevoegd en de gelijktijdig in het artikel aangebrachte correctie dat niet de Tandartsenkring maar [naam 1] de zaak tegen [eisers] bij het RTG heeft aangespannen, zijn niet voldoende. Hiermee wordt onvoldoende tot uitdrukking gebracht dat het artikel niet enkel is achterhaald door de latere vernietiging van de beslissing van het RTG maar al vanaf het moment van verschijnen een onjuist beeld van [eisers] schetste.
4.9.. Ander dan Mediahuis heeft betoogd, brengt het enkele tijdsverloop sinds de publicatie van het artikel niet mee dat rectificatie geen enkel redelijk belang meer dient. [eisers] hebben gesteld dat zij er aanvankelijk voor hebben gekozen geen actie te ondernemen vanuit de gedachte dat de effecten van dergelijke publiciteit in de regel sneller wegebben als er geen aandacht aan wordt besteed. Na ruim 3,5 jaar bleek het artikel echter nog altijd een negatieve invloed op hun praktijk te hebben, bijvoorbeeld waar het gaat om het werven van personeel en stagiairs. Ook (potentiële) patiënten blijken er nog altijd kennis van te nemen. Hierbij speelt volgens [eisers] een rol dat [naam 2] en [naam 1] zich negatief uitlaten over [eisers] en in dat kader o.a. verwijzen naar het artikel. Deze stelling vindt steun in het in rov. 2.13 opgenomen citaat uit de getuigenverklaring van mevrouw [naam 5] ., de oud-patiënt van [naam 1] die is overgestapt naar de praktijk van [eisers]
4.10.. Het verweer van Mediahuis dat, als [naam 2] telkens op het artikel wijst, [eisers] tegen haar actie moeten ondernemen en niet tegen Mediahuis, kan haar niet baten. Eventueel onrechtmatig handelen van [naam 2] door het blijven wijzen op het onrechtmatige artikel doet niet af aan de onrechtmatigheid van de publicatie van het artikel. Gelet hierop slaagt ook het verweer van Mediahuis niet dat rectificatie geen zin heeft als [naam 2] op het artikel blijft wijzen. De rectificatie strekt ertoe om de (gevolgen van) de onrechtmatige publicatie door Mediahuis te herstellen. Het feit dat, om die gevolgen te herstellen, mogelijk ook actie moet worden ondernomen tegen [naam 2] als zij naar het oude krantenartikel blijft verwijzen, maakt rectificatie niet zinloos. Door de rectificatie wordt onder de aandacht van de lezers van de Steenwijker Courant gebracht dat de eerdere uitlatingen in die krant over [eisers] als onrechtmatig zijn gekwalificeerd.
4.11.. De rechtbank zal daarom de vordering tot rectificatie toewijzen, zij het dat Mediahuis zal worden veroordeeld om in plaats van de gevorderde tekst de volgende tekst te plaatsen:
Rectificatie
Op 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met twee ‘koppen’ te weten ‘Tuchtcollege schorst tandarts’ en ‘Waslijst van klachten over tandarts’. Bij vonnis van 15 april 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het artikel onrechtmatig is ten opzichte van de betreffende tandarts en zijn vrouw. Het artikel bevat namelijk feitelijke onjuistheden, waardoor in het artikel een onjuist beeld wordt geschetst van de tandarts en zijn vrouw. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De rechtbank heeft ons daarom veroordeeld om deze rectificatie te plaatsen.
De redactie
4.12.. Daarmee is de onrechtmatigheid van het artikel naar het oordeel van de rechtbank voldoende hersteld en is voldoende tegemoet komt aan het belang van [eisers] bij de bescherming van hun eer, goede naam en reputatie. Algehele verwijdering van de artikelen van internet, omwille van reputatiebescherming, levert in dit geval een te vergaande en onevenredige beperking van de persvrijheid op. De vordering om het artikel ook volledig te verwijderen en verwijderd te houden zal daarom worden afgewezen. Hiervoor is ook redengevend dat verwijdering van het artikel afbreuk kan doen aan de strekking van de rectificatie, te weten herstel van het onjuiste beeld dat in het artikel van [eisers] is geschetst, omdat zonder het oorspronkelijke artikel onduidelijk kan zijn waar de rectificatie precies over gaat.
4.13.. Ook de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen. Op grond van artikel 3:302 BW kan iedere onmiddellijk bij een rechtsverhouding betrokken persoon een verklaring voor recht vorderen omtrent die rechtsverhouding. Met een verklaring voor recht (declaratoir vonnis) komt de rechtsverhouding tussen partijen onbetwistbaar vast te staan. De door [eisers] gevorderde verklaring ziet uitdrukkelijk niet op de vaststelling dat sprake is van onrechtmatig handelen van Mediahuis maar enkel op de vaststelling dat het artikel onjuist is. Het betreft daarom geen verklaring voor recht omtrent de rechtsverhouding tussen partijen, omdat uit die verklaring niet blijkt dat Mediahuis een verwijt valt te maken van de onjuistheden en dat er dus een rechtsverhouding uit onrechtmatige daad tussen partijen bestaat. De gevorderde verklaring voor recht voldoet dan ook niet aan de vereisten die 3:302 BW aan een verklaring voor recht stelt.
4.14.. De rechtbank verwerpt het subsidiaire verweer van Mediahuis dat enkel de vordering tot rectificatie van [eiser sub 1] kan worden toegewezen en niet van [eiser sub 2] . Weliswaar gaat het artikel voornamelijk over [eiser sub 1] maar het artikel bevat ook onjuistheden over [eiser sub 2] . Zo staat er in het artikel vermeld dat zij door het RTG voor een half jaar is geschorst, waarvan vier maanden voorwaardelijk, terwijl het RTG haar enkel voorwaardelijk heeft geschorst voor de duur van zes maanden. Verder wordt het verwijt in het artikel dat mensen met kiespijn of andere acute problemen tevergeefs op de stoep stonden zowel aan [eiser sub 1] als aan [eiser sub 2] gemaakt. Het voorbeeld dat in het artikel wordt gegeven van een tandheelkundig spoedgeval waarin de tandartspraktijk van [eisers] onbereikbaar zou zijn geweest, vindt geen steun in de feiten, zoals hiervoor is overwogen. Tot slot raakt het verwijt in het artikel dat in ruim een jaar tijd al 600 ontevreden patiënten overstapten van de praktijk van [eisers] naar de praktijk van [naam 6] ook [eiser sub 2] , terwijl ook dit verwijt onjuist is gebleken.
Proceskosten
4.15.. Mediahuis is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
139,42
- griffierecht
€
331 ,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.965,42
5. De beslissing
De rechtbank
5.1..
veroordeelt Mediahuis om een rectificatie te plaatsen, online en in de papieren
uitgave van de Steenwijker Courant, in de vorm van een advertentie die voor eenieder (ook
niet-abonnees) leesbaar is met de tekst:
Rectificatie
Op 24 mei 2019 plaatsten wij een artikel over een tandarts te [plaats] met twee koppen, te weten ‘Tuchtcollege schorst tandarts’ en ‘Waslijst van klachten over tandarts’. Bij vonnis van 15 april 2026 heeft de rechtbank Noord-Nederland geoordeeld dat het artikel onrechtmatig is ten opzichte van de betreffende tandarts en zijn vrouw. Het artikel bevat namelijk feitelijke onjuistheden, waardoor in het artikel een onjuist beeld wordt geschetst van de tandarts en zijn vrouw. De in het artikel aangehaalde tuchtuitspraak is bovendien door de hogere tuchtrechter in beroep vernietigd. De rechtbank heeft ons daarom veroordeeld om deze rectificatie te plaatsen.
De redactie
5.2.. veroordeelt Mediahuis in de proceskosten van € 1.965,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Mediahuis niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4..
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op
15 april 2026.
1.155