Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2590

Court

Groningen

Date

30 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 26/1957
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker en verzoeksters uit plaats]

(gemachtigde: mr. J.A.J. Brahm)

en

de burgemeester van Stadskanaal

(gemachtigde: mr. H.C. Krul)

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

Stichting Lefierstatutair gevestigd te Midden-Groningen, de woningbouwstichting

(gemachtigde: [naam ] en mr. S. Bosma)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning plaatselijk bekend [adres] (de woning). Verzoekster heeft die woning gehuurd van de woningbouwstichting. Bij besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers gelast de woning aan [adres] en de daarbij behorende ruimten en voorzieningen te sluiten en gesloten te houden voor de duur van drie maanden. De sluiting gaat in op 29 mei 2026 om 10.00 uur en duurt tot 29 augustus 2026 om 10.00 uur. Verzoekers zijn het daar niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.

1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 mei 2026 heeft de burgemeester de woning gesloten. Daaraan is ten grondslag gelegd dat in en bij de woning middelen als bedoeld in de Opiumwet aanwezig waren. Het gaat om 0,98 gram 4-CMC, 0,48 gram 2-MMC, 3,57 gram 2-MMC en 2,14 gram hasjiesj. De totale hoeveelheid aangetroffen harddrugs/lijst I- en lijst IA-middelen bedraagt daarmee 5,03 gram, volgens de burgemeester. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De woningbouwstichting heeft ook schriftelijk gereageerd.

2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van de woningbouwstichting.

2.3.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekers, op verzoek van de voorzieningenrechter, haar pleitnotitie ingediend.

2.4.. Bij e-mailbericht van 24 juni 2026 heeft de gemachtigde van verweerder, op verzoek van de voorzieningenrechter, het proces-verbaal van bevindingen van bijzonder opsporings ambtenaar [verbalisant] ingediend. Dat proces-verbaal is door [verbalisant] gesloten en ondertekend op 23 juni 2026.

Het verzoek om een voorlopige voorziening

3. [verzoeker] en [verzoekster] hebben de voorzieningenrechter primair verzocht om onverwijld een voorlopige voorziening treffen, inhoudende dat het bestreden besluit met onmiddellijke ingang wordt geschorst, zodat de woning niet zal worden gesloten voordat dat besluit onherroepelijk is of is beslist op het bezwaar of een door de voorzieningenrechter bepaalde datum is bereikt, met veroordeling van de gemeente in de kosten die [verzoeker] en [verzoekster] in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken. Subsidiair hebben zij verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter geeft een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het besluit van 26 mei 2026.

Heeft [verzoeker] een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening?

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat licht hij toe.

5.1..

De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Vast staat dat [verzoeker] , anders dan [verzoekster] , geen huurovereenkomst heeft met de derde-partij. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [verzoeker] momenteel gedetineerd is. De sluiting van de woning duurt drie maanden. Naar verwachting zal de detentie langer duren dan drie maanden, omdat uit de bestuurlijke rapportage gedateerd 10 maart 2026 is op te maken dat de detentieperiode negen maanden zal duren, gerekend vanaf februari 2026. Daaruit volgt dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter zal hieraan geen conclusie verbinden, omdat er geen twijfel bestaat over het spoedeisend belang van [verzoekster] . Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom inhoudelijk worden beoordeeld.

Is het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?

6. Verzoekers betogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Volgens hen was het volledige dossier niet beschikbaar op het moment dat de zienswijze naar voren kon worden gebracht. Zij verbinden hieraan de conclusie dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 4:8 van de Awb en het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor.

6.1..

De voorzieningenrechter laat in het midden of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de door verzoekers genoemde bepalingen, omdat die gebreken niet dusdanig zijn dat daarin aanleiding is gelegen om een voorlopige voorziening te treffen. Bovendien geldt dat een eventueel gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase.

De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat, zoals inmiddels is gebleken uit de NFI rapportage, tussen partijen niet in geschil is dat er 5,03 gram is aangetroffen van middelen die op lijst I en lijst IA van de Opiumwet staan.

Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?

7. Niet in geschil is dat de volgende middelen zijn aangetroffen:

0,48 gram van een kristalachtig poeder, dat 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);

3,57 gram van een kristalachtig poeder en een brokvormige substantie die 2-MMC bevat (2methylmethcathinon);

0,98 gram van een brokvormige witte substantie, dat 4-CMC bevat (clefedron).

2-MMC valt onder lijst IA van de Opiumwet onder de stofgroep ‘Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine’. 4-CMC is vermeld op lijst I van de Opiumwet. Omdat het hier gaat om een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 g overschrijdt, mocht de burgemeester in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. Hij was daarom bevoegd om de woning te sluiten.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat de burgemeester bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld conform de “Beleidsregels sluiting en heropening panden/woningen Stadskanaal 2025”.

Was de sluiting van de woning noodzakelijk?

9. Verzoekers voeren aan dat van daadwerkelijke handel vanuit de woning niet is gebleken, dat van concrete overdrachten niet is gebleken, noch van structurele aanloop of overlast. Volgens hen heeft de burgemeester volstaan met een verwijzing naar algemene wijkproblematiek, antecedenten en niet-verstrekte informatie.

9.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat de politie naar aanleiding van meldingen de woning heeft betreden. Bij het betreden van de woning werden harddrugs en weegschaaltjes aangetroffen. Volgens de burgemeester is het hiermee aannemelijk dat de meldingen over drugshandel inderdaad kloppen. Verzoekers hebben verklaard dat er geen harddrugs in de woning aanwezig was, toch is er vijf gram aangetroffen. Daarnaast heeft hij in het bestreden besluit erop gewezen dat uit (pagina 2 van) de bestuurlijke rapportage volgt dat [adres] in de wijk [wijk] ligt en dat deze omgeving bij de politie bekend staat als sociaal kwetsbaar, met problematiek gerelateerd aan verdovende middelen en alcohol. In de rapportage is vermeld dat de politie in de periode december 2024 tot december 2025 in totaal 373 keer is ingezet voor incidenten in de wijk [wijk] en dat in de afgelopen twee jaar 302 incidenten aan [adres] zijn geregistreerd. Volgens de politie blijkt hieruit dat een groot deel van de incidenten in de wijk [wijk] zich afspeelt aan [adres] en dat [adres] een van de meest kwetsbare straten in de gemeente Stadskanaal is.

9.2.. Naar voorlopig oordeel heeft de burgemeester voldoende aannemelijk gemaakt dat de sluiting van de woning noodzakelijk was, gelet op de aangetroffen harddrugs, de weegschaaltjes en de kwetsbaarheid van [adres], blijkend uit de cijfers over politie-inzet in de wijk [wijk] in de periode december 2024 tot december 2025. Daarbij wordt nog gewezen op de MMA meldingen, de overlastmeldingen van woningstichting Lefier en de rapportage van de BOA’s.

Was de sluiting van de woning geschikt?

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gronden van het verzoekschrift noch hetgeen ter zitting is aangevoerd aanleiding geeft om de geschiktheid van de sluiting van de woning te toetsen.

Was de sluiting van de woning evenwichtig?

11. Verzoekers voeren aan dat hun belangen groot zijn. Zij hebben verwezen naar artikel 8 van het EVRM. Volgens hen is niet gebleken van een acute verstoring van de openbare orde die onmiddellijke sluiting van de woning noodzakelijk maakt. Daarnaast verliezen verzoekers gedurende drie maanden hun woning.

11.1.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet aanvoeren om welke reden de sluiting van hun woning hen onevenredig zwaar raakt. Indien zij hulp nodig hebben om vervangende woonruimte te krijgen, dan kan de burgemeester daar samen met hulpverlenende organisaties in ondersteunen. Echter, de burgemeester heeft hiervan geen verzoek ontvangen.

11.2.. Naar voorlopig oordeel is de sluiting van de woning niet onevenwichtig. Niet is gebleken van een bijzondere binding van verzoekers met de woning. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de woningbouwvereniging ter zitting naar voren heeft gebracht dat zij aanleiding heeft gezien de huurovereenkomst met verzoekster buitengerechtelijk te ontbinden. Bij de kantonrechter zal worden gevraagd om ontruiming van de woning. Als het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen, dan gaat de ontruiming door. De woningbouwvereniging voert een zero tolerance-beleid ten aanzien van een overtreding van de Opiumwet zoals hier aan de orde. Zo nodig zal daarom worden gevraagd om een ontbinding door tussenkomst van de burgerlijke rechter, aldus de woningbouwvereniging.

12. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen, omdat het naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft.Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

More Decisions