ECLI:NL:RBNNE:2026:2684
Case Summary
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK Noord-Nederland
Team Insolventie
Zittingsplaats Groningen
Rekestnummer: NL:TZ:2609501:R-RK
Uitspraak van 8 juni 2026
In de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] ,
tegen
Nijestee,
gevestigd en kantoorhoudende te Groningen,
gemachtigde: Flanderijn,
hierna te noemen Nijestee,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank wijst het verzoek toe.
1. De procedure1.1.
De procedure bestaat uit:
het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026 en het exploot van waarin de ontruiming is aangezegd tegen 31 maart 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
het tussenvonnis van de rechtbank van 22 april 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoeker] worden nagekomen;
de zitting van donderdag 28 mei 2026, waarbij aanwezig waren:
de heer [verzoeker] , voornoemd;
de heer [naam 1] , namens de Groningse Kredietbank;
mevrouw [naam 2] , namens Nijestee;
de heer [naam 3] , namens Nijestee.
1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
2.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om te verbieden over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 17 maart 2026. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hij probeert tot een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers te komen.
2.2. Uit het tussentijds verslag van de Groningse Kredietbank is gebleken dat de huur van mei 2026 tijdig en volledig is voldaan. Op de zitting is hieraan toegevoegd dat verzoeker inmiddels budgetbeheer heeft en dat er beschermingsbewind is aangevraagd.
3. Het verweer
3.1. Nijestee stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen, omdat [verzoeker] overlast veroorzaakt. Daarnaast wil Nijestee de huurovereenkomst niet voortzetten vanwege dreigende taal door [verzoeker] richting medewerkers van Nijestee. Desgevraagd is namens Nijestee op de zitting bevestigd dat de huur sinds het tussenvonnis tijdig en volledig is betaald.
4. De beoordeling
4.1. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om [verzoeker] in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de Groningse Kredietbank dat de huur tijdig en volledig is voldaan. Daarbij heeft [verzoeker] nu budgetbeheer en heeft hij beschermingsbewind aangevraagd, zodat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de discussie of al dan niet sprake is van overlast door [verzoeker] in een andere procedure moet worden gevoerd.
4.2. Door de toewijzing van het verzoek is Nijestee de komende zes maanden niet bevoegd om de door [verzoeker] gehuurde woning vanwege de huidige huurachterstand te ontruimen. Wel geldt de uitdrukkelijke voorwaarde dat de huur [verzoeker] de huur vanaf nu steeds tijdig en volledig voldoet. Als [verzoeker] hier niet aan voldoet, kan Nijestee de ontruiming opnieuw aanzeggen.
4.3. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal nu nog niet worden beslist. De mondelinge behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip.
4.4. Als [verzoeker] tijdens de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling met zijn schuldeisers tot stand brengt, moet hij dit uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling intrekken. Indien er geen minnelijke schuldregeling tot stand wordt gebracht en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling vervolgens behandeling behoeft, dient dit ook uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening aan de rechtbank te worden gemeld.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1. schorst de tenuitvoerlegging van het op 17 maart 2026 door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland gewezen vonnis tot ontruiming van de woning aan het adres [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
5.2. bepaalt dat deze voorziening slechts geldt onder de voorwaarde dat de periodiek
verschuldigde huurtermijnen tijdig en volledig zullen worden voldaan;
5.3. bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van maximaal zes maanden met ingang van 22 april 2026;5.4. bepaalt dat de voorziening in elk geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel dat een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;5.5. bepaalt dat de Groningse Kredietbank, die namens [verzoeker] de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk vier weken voor het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Groenewegen, rechter, bijgestaan door de griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026.