ECLI:NL:RBNNE:2026:2686
Case Summary
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: NL:TZ:2608415:R-RK
vonnis van 15 juni 2026
in de zaak van:
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], wonende te [adres],
hierna te noemen: verzoeker,
tegen
[verweerster] B.V., vertegenwoordigd door Levelink Gerechtsdeurwaarders en Incasso, gevestigd te [adres], hierna te noemen: verweerster.
PROCESGANG
Op 2 april 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw). Het verzoek is ingediend door de Kredietbank Midden-Groningen (hierna te noemen: de Kredietbank). In het verzoekschrift wordt verwezen naar het Wsnp-verzoekschrift dat op 16 september 2025 is ingediend.
Op 2 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van verweerster ontvangen.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van 28 mei 2026. Hierbij zijn verschenen:
verzoeker, voornoemd, tezamen met zijn vader;
de heer [schuldhulpverlener], schuldhulpverlener bij de Kredietbank;
mevrouw [directrice], directrice van [verweerster] B.V.;
mr. [juriste], juriste bij [verweerster] B.V.
Op 1 juni 2026 heeft de Kredietbank de rechtbank de bankafschriften van verzoeker toegezonden.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
Verzoeker heeft op 16 december 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers dat gebaseerd is op de JPF-aanpak van de Kredietbank. Het akkoord houdt in dat de Kredietbank een saneringskrediet van € 1.231,98 ter beschikking stelt, waarmee de (concurrente) schuldeisers 3,38% van hun vordering ineens tegemoet kunnen zien tegen finale kwijting voor het restant. De JPF-aanpak is bedoeld om schulden zo snel mogelijk op te lossen om jongeren tussen de 18 en 27 jaar met problematische schulden direct te kunnen ondersteunen bij het opbouwen van een schuldenvrije zelfstandige toekomst. De jongere in kwestie volgt een intensief begeleidingstraject en betaalt de schuld aan de gemeente terug door een maatschappelijke tegenprestatie te leveren.
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerster aanvaard. Verweerster heeft geweigerd om met het aanbod in te stemmen, omdat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van haar vordering. De schuld van verweerster vertegenwoordigt ruim 30% van de totale schuldenlast. Verder betaalt verzoeker de huurtermijnen sinds het toegewezen moratoriumvonnis nog steeds niet tijdig en vervuilt hij de huurwoning. Verweerster heeft verzocht om het verzoek daarom af te wijzen.
Verzoeker heeft de rechtbank verzocht verweerster te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat verzoeker uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt. Op basis van deze inkomenssituatie heeft verzoeker geen afdrachtplicht.
BEOORDELING
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
Zo is onder meer van belang:
of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;
of voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;
of het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat het voorstel gebaseerd is op een nieuw project van de Kredietbank dat bedoeld is om jongeren met schuldenproblematiek te helpen. Hoewel de rechtbank het doel en de intenties van dit project kan begrijpen, blijft ook in die gevallen maatwerk van toepassing. Nu een saneringskrediet wordt aangeboden, waarbij schuldeisers genoegen moeten nemen met een gering percentage van hun vordering, dient verzoeker te onderbouwen waarom er de komende 18 maanden geen zicht is op betaald werk. In onderhavig verzoek ontbreekt die (medische) onderbouwing, terwijl uit het Wsnp-verzoekschrift juist blijkt dat verzoeker in juni 2025 nog loon ontving. Ter zitting is namens verzoeker aangegeven dat hij nog geen behandeling krijgt voor zijn trauma. Nu een nadere toelichting op de arbeidssituatie ontbreekt, kan de rechtbank niet beoordelen of het aanbod het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht en ook niet of een alternatief traject evenveel of meer zal opleveren voor de schuldeisers.
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Het verzoek zal dus worden afgewezen. De rechtbank weegt ook mee dat op de bankafschriften die in het Wsnp-verzoekschrift zijn opgenomen alsmede de bankafschriften die na de zitting van 28 mei 2026 zijn overgelegd tot op heden uitgaven staan die zich moeilijk laten rijmen met het aanbod dat voorligt. De rechtbank vraagt zich dan ook af of de situatie van verzoeker voldoende gestabiliseerd is en of budgetbeheer afdoende is.
Verzoeker dient binnen twee weken na de datum van dit vonnis bij de rechtbank aan te geven of hij zijn verzoek tot toelating tot de Wsnp handhaaft. Wanneer de rechtbank na ommekomst van deze termijn geen reactie heeft ontvangen, zal dit verzoek als ingetrokken worden beschouwd. Wanneer het Wsnp-verzoek wordt gehandhaafd, zal op dit verzoek bij afzonderlijk vonnis worden beslist.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op
15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.