ECLI:NL:RBNNE:2026:2687
Case Summary
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Assen
zaaknummer: NL:TZ:2607580:R-RK
vonnis van 15 juni 2026
in de zaak van:
[verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], wonende op een geheim adres,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster],
tegen
Belastingdienst, Postbus 100, 6400 AC te Heerlen,
verweerster, hierna te noemen: de Belastingdienst,
en
IB-Krediet B.V., vertegenwoordigd door Vesting Finance, [adres],
verweerster, hierna te noemen: IB-Krediet.
PROCESGANG
Op 25 maart 2026 heeft de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw)en tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) ontvangen. Beide verzoeken zijn ingediend door Bresz.
Op 30 april 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift van IB-Krediet ontvangen.
Op 6 mei 2026 heeft de rechtbank een verweerschrift met bijlagen van de Belastingdienst ontvangen.
De schuldhulpverlener heeft op 7 mei 2026 correspondentie met de Belastingdienst en betaalbewijzen van betalingen aan de Belastingdienst nagezonden.
Het verzoekschrift tot vaststelling van een dwangakkoord is behandeld ter zitting van
7 mei 2026. Hierbij is verzoekster tezamen met de heer [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] (hierna te noemen: de schuldhulpverlener) verschenen. Namens de Belastingdienst zijn verschenen, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2].
De behandeling is vervolgens aangehouden om [verzoekster] de gelegenheid te geven om nadere stukken aan de Belastingdienst te verstrekken en de Belastingdienst in de gelegenheid te stellen om aan de hand van die stukken haar definitieve standpunt te bepalen.
Op 19 mei 2026 heeft [verzoekster] de rechtbank de nadere stukken gestuurd en verzocht om op het verzoek te beslissen.
De Belastingdienst heeft op 22 mei 2026 haar definitieve standpunt aan de rechtbank doorgegeven.
Ten slotte is vonnis bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
Het aanbod en de toelichting daarop
[verzoekster] heeft op 19 september 2025 een schuldregeling aan haar schuldeisers aangeboden. Dit akkoord houdt – samengevat – in: [verzoekster] zal gedurende 18 maanden haar afloscapaciteit van € 1.125,94 per maand ten behoeve van haar schuldeisers sparen tegen finale kwijting voor het restant. Op basis van de huidige inkomenssituatie is prognose dat er 65,70% aan de preferente schuldeiser en 32,85% aan de concurrente schuldeisers kan worden uitgekeerd.
Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekster] inkomsten uit een eigen onderneming verkrijgt. [verzoekster] werkt gemiddeld 35 uur per week. Op de zitting heeft [verzoekster] nader toegelicht dat zij soms 35 uur en soms 40 uur per week werkt. Verder is [verzoekster] alleenstaand moeder van twee kinderen van twee en vijf jaar oud. Uit de bij het verzoekschrift gevoegde vergelijkingstool blijkt dat de schuldeisers in de Wsnp een lagere uitkering zullen ontvangen. Omdat [verzoekster] een onderneming heeft, zijn de kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden veel hoger dan de kosten van het minnelijk traject. Volgens [verzoekster] is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.
De weigerachtige schuldeisers
De schuldregeling is door alle schuldeisers behalve de Belastingdienst en IB-Krediet aanvaard.
Het verweer van IB-KredietIB-Krediet heeft aan haar weigering ten grondslag gelegd dat het aanbod niet in verhouding staat tot de hoogte van de vordering. Daarbij voert IB-Krediet aan dat een dwangakkoord niet is bedoeld voor situaties waarin de weigerachtige schuldeiser het grootste deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. Daarnaast is IB-Krediet van mening dat de schuldenlast niet problematisch is. Gelet op de leeftijd, het aantal arbeidsjaren dat in het verschiet ligt en de huidige afloscapaciteit, zou [verzoekster] de totale schuldenlast in 5 jaar kunnen afbetalen.
Het verweer van de Belastingdienst
De Belastingdienst gaat niet akkoord, omdat zij van mening is dat zij over onvoldoende stukken en informatie beschikt om te kunnen beoordelen of de onderneming van [verzoekster] levensvatbaar is of niet. Zo is er geen liquiditeitsprognose van de komende twee jaren verstrekt. Verder ontbreekt de jaarrekening van 2023, waardoor de Belastingdienst de cijfers van 2023 niet kan vergelijken met die van 2024. Ook komen volgens de Belastingdienst de jaarstukken van 2024 en 2025 niet overeen met de gegevens die in de vtlb-berekening zijn opgenomen. In de vtlb-berekening wordt namelijk uitgegaan van een maandinkomen inclusief vakantiegeld van € 3.078,00, wat neerkomt op circa € 36.936,00 per jaar, terwijl uit de jaarstukken een lager jaarinkomen blijkt. De Belastingdienst vindt verder de onderbouwing van de verwachte omzet voor 2026 onvoldoende inzichtelijk. Gelet op de al ingediende aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 is de verwachte omzet volgens de Belastingdienst niet aannemelijk. Daarbij komt [verzoekster] tot op heden de lopende verplichtingen niet na, want [verzoekster] betaalt de openstaande belastingschulden niet of niet tijdig. Ook heeft [verzoekster] voor het jaar 2026 nog geen voorlopige aanslag Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen aangevraagd. Hierdoor voldoet [verzoekster] niet aan de lopende verplichtingen wat volgens de Belastingdienst een indicatie is dat de onderneming niet levensvatbaar is.
Daarnaast stelt de Belastingdienst zich op het standpunt dat het aanbod niet het maximaal haalbare is, omdat [verzoekster] op peildatum 31 december 2025 over een spaarvermogen beschikte dat niet in het aanbod van de schuldeisers is meegenomen. In het voorstel wordt niet vermeld hoe de schulden zijn ontstaan. Ook heeft de Belastingdienst geconstateerd dat [verzoekster] tijdens het minnelijk traject een auto van het merk Ford Focus heeft ingeruild tegen een auto (Opel Mervia) met een hogere dagwaarde, terwijl een toelichting hierop ontbreekt.
Na de zitting van 7 mei 2026 heeft de Belastingdienst na ontvangst van nadere informatie van [verzoekster] aan de rechtbank laten weten dat zij haar weigering om in te stemmen handhaaft. De Belastingdienst is van mening dat er tot op heden stukken ontbreken om akkoord te kunnen gaan alsmede dat de omzet uit 2025 niet correspondeert met de aangeleverde gegevens en de aangifte omzetbelasting van het eerste kwartaal van 2026.
De reactie van [verzoekster] op het verweer van de Belastingdienst
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij voldoende stukken c.q. informatie heeft verstrekt aan de Belastingdienst om het aanbod te kunnen beoordelen. [verzoekster] verwijst daarbij naar de jaarrekening van 2024, waarin een vergelijking met 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt dat de omzet van [verzoekster] in 2024 serieus is gestegen en ook dat deze stijgende lijn zich voortzet in 2025. De omzet voor 2026 wordt geschat op € 40.000,00. Onder verwijzing naar de al ingediende en opgelegde aanslag omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2026 stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat zij op schema ligt. Ten aanzien van de geschatte omzet voor 2026 van € 40.000,00 heeft de schuldhulpverlener op de zitting verklaard dat [verzoekster] door een fout van hun kantoor niet met btw belaste omzet heeft gehad, waardoor de aanslag op 0 is uitgekomen. Ter onderbouwing van de geschatte omzet heeft [verzoekster] gegevens van de boekhouder overgelegd, waaruit blijkt dat de omzet over het eerste kwartaal een ruime € 15.000,00 euro was. Op verzoek van de Belastingdienst heeft [verzoekster] na de zitting nog de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 overgelegd. De kosten uit de onderneming bedragen maximaal € 3.000,00 op jaarbasis. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij in staat is om rond te blijven komen met de inkomsten uit haar onderneming. Zij heeft inmiddels 12 maanden afgedragen boven het vrij te laten bedrag. Daarbij heeft [verzoekster] binnen het vtlb zelfs nog extra voor de schuldeisers gespaard, doordat het vtlb te laag is vastgesteld. Het lukt [verzoekster] om maandelijks van dit vtlb rond te komen.
[verzoekster] betwist dat zij de lopende verplichtingen niet kan nakomen. Zij heeft betalingsbewijzen overgelegd, waaruit betalingen uit 2025 en 2026 blijken aangaande de aanslagen Zorgverzekeringswet 2025 en de Kinderopvangtoeslag 2025. Daarbij heeft [verzoekster] opgemerkt dat de Kinderopvangtoeslag 2025 bijna is afbetaald en dat de aanslag Zorgverzekeringswet 2025 uiterlijk op 31 december 2026 moet zijn betaald. Op beide aanslagen wordt maandelijks afbetaald. Ook heeft [verzoekster] een betalingsbewijs overgelegd, waaruit blijkt dat zij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting van 2026 betaalt.
[verzoekster] heeft over het spaarsaldo op 31 december 2025 verklaard dat zij op dat moment nog samen was met haar ex-partner met wie zij toen nog fiscaal partner was. Het deel van het spaarsaldo dat aan [verzoekster] toebehoorde is volgens [verzoekster] meegenomen in de schuldregeling.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat het minnelijk traject gunstiger is voor de schuldeisers vanwege haar inkomen uit ondernemerschap, omdat zij daarmee maandelijks een aanzienlijke afdracht voor haar schuldeisers kan sparen. Wanneer [verzoekster] tot de Wsnp zou worden toegelaten, zal zij moeten stoppen met haar onderneming en in loondienst moeten gaan werken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij door haar ondernemerschap flexibele werktijden heeft, waarmee zij de zorg voor haar jonge kinderen goed kan combineren met haar werk. Het aanbod is volgens [verzoekster] dan ook het maximaal haalbare.
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om het verzoek toe te wijzen. Dat zij een levensvatbare onderneming heeft blijkt volgens [verzoekster] niet alleen uit de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027, maar ook uit het feit dat [verzoekster] al lange tijd conform de vastgestelde vtlb-berekening afdraagt.
DE BEOORDELING
De rechtbank stelt voorop dat het een schuldeiser in beginsel vrijstaat zijn medewerking aan een door de schuldenaar aangeboden schuldregeling – waarbij hij slechts een (beperkt) deel van zijn vordering betaald krijgt en voor het restant afstand moet doen van zijn recht op voldoening – te weigeren en dat bij toewijzing van een bevel tot instemming terughoudendheid geboden is. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor een bevel tot instemming waarbij het in beginsel op de weg van de schuldenaar ligt de specifieke feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord heeft kunnen komen. Daarbij zal mede in aanmerking worden genomen de (on)evenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.
Blijkens de wetsgeschiedenis (MvT Kamerstukken II 2004/05, 29 942, nr. 3 p. 18) bij de totstandkoming van art. 287a Fw kan een groot aantal toetsingscriteria van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of de desbetreffende weigerende schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
Zo is onder meer van belang:
of het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
of het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd;
of voldoende duidelijk is dat het bod dat is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht;
of het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht biedt voor de schuldeisers en hoe groot de kans is dat zij in dat geval dan evenveel of meer zullen ontvangen;
hoe groot het aandeel van de weigerachtige schuldeiser(s) in de totale schuldenlast is.
Allereerst stelt de rechtbank vast dat het voorstel is getoetst door een onafhankelijke en deskundige partij, te weten Brezs.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het voorstel goed en betrouwbaar is gedocumenteerd. In het aanbod aan de schuldeisers van 19 september 2025 is namelijk informatie gegeven over de hoogte van de schuldenlast, het aantal schuldeisers, het ontstaan van de schulden, de ondernemingsactiviteiten en de persoonlijke situatie van [verzoekster]. Daarbij is een berekening van het vrij te laten bedrag bij het voorstel gevoegd. Na de zitting heeft [verzoekster] nadere informatie over haar onderneming toegezonden, waaronder de liquiditeitsprognoses van 2026 en 2027 en een verklaring van haar boekhouder. Hieruit volgt dat de onderneming van [verzoekster] positieve resultaten behaalt en dat er vanaf 2024 sprake is van een stijgende lijn die zich tot op heden voortzet. De rechtbank concludeert hieruit dat [verzoekster] gedurende 18 maanden in staat zal zijn om voor haar schuldeisers te sparen. Het verweer van de Belastingdienst dat [verzoekster] niet aan haar lopende verplichtingen kan voldoen, is door [verzoekster] onderbouwd weersproken, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij zal gaan.
De rechtbank stelt verder vast dat [verzoekster] nu al ruim 12 maanden maandelijks fors aflost voor de schuldeisers. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener hierover verklaard dat het vtlb voor de zekerheid iets lager is vastgesteld, zodat er extra voor de schuldeisers kan worden gespaard. Het lukt [verzoekster] om van dit lager vastgestelde vtlb rond te komen. Ook heeft de schuldhulpverlener nader toegelicht dat de vtlb-berekening uitgaat van een gemiddeld bedrag. [verzoekster] heeft een prognoseakkoord aangeboden wat betekent dat de schuldhulpverlener om de zoveel maanden het inkomen controleert en narekent wat er precies voor de schuldeisers had moeten worden afgedragen. De rechtbank acht de kans dat de schuldeisers een hogere uitkering tegemoet zullen zien wanneer op [verzoekster] de Wsnp van toepassing is uiterst gering. Niet alleen vanwege de hogere kosten die aan het Wsnp-traject zijn verbonden, maar ook doordat in de Wsnp ondernemerschap slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan. [verzoekster] is in de huidige situatie in staat om als alleenstaande moeder van twee jonge kinderen gemiddeld genomen 35 uur per week te werken, omdat zij flexibele werktijden heeft. Gelet op de gezinssituatie en de hulpverlening die bij verzoekster betrokken is, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [verzoekster] hetzelfde aantal uren zal maken wanneer zij in loondienst werkt, omdat zij in die situatie aan vaste werktijden gebonden zal zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbod dan ook het maximaal haalbare.
De rechtbank stelt vast dat de Belastingdienst en IB-Krediet het merendeel van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, te weten 58,5%. Zoals hierboven uiteengezet is het totale aandeel van de weigerachtige schuldeisers in de totale schuldenlast één van de punten is die rechtbank in haar oordeel betrekt. Dat betekent echter niet dat dit punt altijd doorslaggevend hoeft te zijn. De rechtbank vindt in dit geval doorslaggevend dat de schuldeisers een veel hogere uitkering tegemoet kunnen zien in het minnelijk traject door het inkomen dat [verzoekster] als ondernemer verkrijgt.
Ook voor het overige ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die tot afwijzing van het verzoek zouden moeten leiden. Wat betreft het verweer van Vesting Finance over de problematische schuldenlast merkt de rechtbank op dat er sinds de wetswijziging van juli 2023 van moet worden uitgegaan dat een schuldenlast als problematisch wordt beschouwd wanneer deze niet binnen 18 maanden kan worden afbetaald. Aan dat criterium is in dit geval voldaan, zodat dit verweer geen stand kan houden.
Over het spaarsaldo is ter zitting verklaard dat dit grotendeels toebehoorde aan de ex-partner van [verzoekster] en dat het deel dat aan [verzoekster] toebehoorde is meegenomen in de schuldregeling. Ook hierin ziet de rechtbank geen reden voor afwijzing van het verzoek. Evenmin ziet de rechtbank reden om het verzoek af te wijzen, omdat [verzoekster] haar auto zou hebben ingeruild tegen een auto met een dagwaarde die € 1.500,00 hoger is, al dient de schuldhulpverlener dit punt wel nader te onderzoeken en te betrekken in het minnelijk traject.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Aangezien het primaire verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal worden toegewezen, kan behandeling van het subsidiaire verzoek tot toelating tot de Wsnp achterwege blijven. De rechtbank beschouwt dit verzoek tot toelating tot de Wsnp als zijnde ingetrokken.
BESLISSING
De rechtbank
- beveelt de Belastingdienst en IB-Krediet in te stemmen met de hierboven genoemde schuldregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.