Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2690

Court

Assen

Date

22 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Insolventierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Assen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; InsolventierechtType: uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Team Insolventie

Zittingsplaats Assen

Zaaknummer: C/18/26/1201 R

Vonnis van 22 juni 2026

op het verzoek van

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende aan [adres],

hierna te noemen: verzoeker,

tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Samenvatting

Hajjar heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank wijst het verzoek toe.

1. PROCESGANG

1.1.. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).

2. RECHTSOVERWEGINGEN

2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.

2.3.. Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoeker is 35 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf]. Verzoeker dreef deze onderneming vanaf 11 december 2020. Volgens verzoeker heeft hij de onderneming in 2022 laten uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft hij de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het eindigen van de onderneming. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 50.817,23. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de belastingschulden. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB.

2.6.. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de onderneming door de Corona maatregelen niet meer liep en dat hij daardoor niet meer aan zijn financiële verplichten kon voldoen. Ook lag verzoeker ten tijde van het ontstaan van zijn schulden in echtscheiding. Dit alles bij elkaar bezorgde verzoeker veel stress. Verzoeker is nu in rustiger vaarwater beland, zodat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Verzoeker wil graag weer aan het werk, maar kampt met lichamelijke klachten waardoor werken momenteel niet lukt.

2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de belastingschulden ouder zijn dan uit het verzoekschrift volgt. Wellicht dat er op een later moment iets is geregistreerd, maar schulden zijn van voor de start van het budgetbeheer. Verzoeker is gemotiveerd om van zijn schulden af te komen. Het budgetbeheer verloopt prima en nieuwe schulden zijn al geruime tijd niet meer ontstaan.

2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.

2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).

2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.

2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van zijn schulden geen sprake meer is. Zo heeft verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt en zijn er na het starten van het budgetbeheer bij de GKB op 4 januari 2024 alleen in het begin nog wat schulden ontstaan. Het budgetbeheer verloopt nu goed. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.

2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.

2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende aan [adres];

3.2..

stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van

dit vonnis;

3.3..

benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,

en tot bewindvoerder [bewindvoerder],

gevestigd te [adres];

3.4..

geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte

brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op

22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

More Decisions