[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-2492":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-2492":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1028","ECLI:NL:RBOBR:2026:2492","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-04-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Oost-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nVonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 15 april 2026\n\nin de zaak met zaaknummer C\u002F01\u002F337086 \u002F HA ZA 18-523 van\n\n1. [eiser 1 in de hoofdzaak] ,\n\nte [plaats] (gemeente [gemeente] ), 2. [eiser 2 in de hoofdzaak],\n\nte [plaats] (gemeente [gemeente] ),\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers in de hoofdzaak] ,\n\nadvocaat: mr. A.Ch.H. Franken,\n\ntegen\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],\n\nte [plaats] ( [land] ),\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ,\n\nadvocaat: mr. J.M.H.W. Bindels,\n\nen in de zaak met zaaknummer C\u002F01\u002F343438 \u002F HA ZA 19-144 van\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring],\n\nte [plaats] ( [land] ),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ,\n\nadvocaat mr. J.M.H.W. Bindels,\n\ntegen\n\n [gedaagde in vrijwaring] B.V.,\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde in vrijwaring] ,\n\nadvocaat mr. W.C.T. Weterings.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:\n\nhet tussenvonnis van 1 februari 2023\n\nde akte van [eisers in de hoofdzaak] van 8 februari 2023 met producties 70 t\u002Fm 75\n\nde akte van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] van 14 juni 2023 met producties 20 en 21\n\nde akte van [eisers in de hoofdzaak] van 12 juni 2024 met productie 76\n\nhet deskundigenbericht\n\nde conclusie na deskundigenbericht van [eisers in de hoofdzaak]\n\nde conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring]\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 januari 2026\n\nde akte vermeerdering van eis.\n\n1.2.. \n\nHet verloop van de procedure in vrijwaring blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 februari 2023.1.3.. Ten slotte is in beide zaken vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling in de hoofdzaak\n\nDe vermeerdering van eis\n\n2.1.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft bij akte van 23 januari 2026 haar eis vermeerderd. In de dagvaarding vorderde [eisers in de hoofdzaak] onder andere primair bedrijfsschade, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van 1 januari 2017 en 1 januari 2018. In de vermeerdering van eis komt daar de wettelijke rente over de periode daarna erbij. Na eiswijziging vordert [eisers in de hoofdzaak] dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:\n\nverklaart voor recht dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aansprakelijk is voor de schade die [eisers in de hoofdzaak] heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt tot vergoeding van de door [eisers in de hoofdzaak] geleden schade ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , bestaande uit:\n\ni. de bedrijfsschade die [eisers in de hoofdzaak] geleden heeft en zal lijden, te weten:\n\nprimair:\n\nde gederfde winst en de gemaakte kosten, te begroten op € 1.659.221,62, vermeerderd met de wettelijke rente over:\n\n1) € 196.420,00 met ingang van 1 januari 2017;\n\n2) € 171.130,00 met ingang van 1 januari 2018;\n\n3) € 175.290,00 met ingang van 1 januari 2019;\n\n4) € 181.015,00 met ingang van 1 januari 2020;\n\n5) € 191.540,00 met ingang van 1 januari 2021;\n\n6) € 159.248,00 met ingang van 1 januari 2022;\n\n7) € 117.248,00 met ingang van 1 januari 2023;\n\n8) € 97.926,00 met ingang van 1 januari 2024;\n\n9) € 72.762,00 met ingang van 1 januari 2025;\n\n10) € 72.471,00 met ingang van 1 januari 2026;\n\n11) € 72.509,00 met ingang van 1 januari 2027;\n\nsubsidiair:\n\nde directe schade en de gemaakte kosten, te begroten op € 1.111.204,15, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 december 2015;\n\nmeer subsidiair:\n\neen in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 december 2015;\n\nii. de overige schade die [eisers in de hoofdzaak] zal lijden en die thans nog niet kan worden vastgesteld,\n\nop te maken bij staat;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis;\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] veroordeelt in de eventuele nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.\n\n2.2.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de akte vermeerdering van eis op zichzelf, maar wel gelegenheid gevraagd daar nog op te kunnen reageren, nu daar door de late indiening van de akte eerder geen gelegenheid voor was. De rechtbank zal [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] die gelegenheid geven.\n\nWelke vragen moeten nog worden beantwoord?\n\n2.3.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 is in rechtsoverweging 4.33 overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat de paarden van [eisers in de hoofdzaak] een hoeveelheid colchicine hebben binnengekregen door het eten van met herfsttijloos besmet weidehooi.\n\n2.4.. De vragen die vervolgens moeten worden beantwoord is of het met colchicine besmette hooi afkomstig is van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] en of er een causaal verband bestaat tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en het ontstaan van de gezondheidsproblemen die zich bij die paarden hebben voorgedaan. Als deze vragen beide met ‘ja’ kunnen worden beantwoord, dan moet vervolgens worden beoordeeld of sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] en welke schadevergoeding [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan [eisers in de hoofdzaak] moet betalen. Deze onderwerpen zullen hierna worden besproken.\n\nWas het met colchicine besmette hooi afkomstig van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ?\n\nHet tussenvonnis\n\n2.5.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank [eisers in de hoofdzaak] opgedragen haar stelling te bewijzen dat het met herfsttijloos vervuilde hooi dat haar paarden hebben gegeten, afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Daarvoor heeft de rechtbank het volgende overwogen in rechtsoverweging 4.39:\n\n“4.39. (…) Voor het door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geschetste scenario dat het met colchicine besmet hooi afkomstig is geweest van een andere leverancier (al dan niet ook bij [eisers in de hoofdzaak] afgeleverd door [gedaagde in vrijwaring] ), bevatten de gedingstukken weinig aanknopingspunten. (…) [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft er echter óók op gewezen dat hij zijn balen hooi laat persen met een Krohne- dan wel een Claas-pers, terwijl [A] in zijn rapport aangeeft dat de baal waarin bij [eisers in de hoofdzaak] het herfsttijloos zat, een Vicon-hooibaal was. [eisers in de hoofdzaak] heeft in reactie hierop gesteld dat zij in de relevante periode ook een partij weidehooi heeft gekocht van een andere leverancier dan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , namelijk [B] , en dat dit ` [B] -hooi' was verpakt in balen van 1,25 x 0,90 meter (door [eisers in de hoofdzaak] aangeduid als `90-ers'). Volgens [eisers in de hoofdzaak] zijn de balen van [B] duidelijk te onderscheiden van de kleinere `Claas-pakken' (van 1,25 bij 0,60 meter) die zij afneemt van [gedaagde in vrijwaring] \u002F [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . De balen van [B] verschillen behalve in afmetingen ook in kleur en geur van die van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] , aldus [eisers in de hoofdzaak] , en waren omwikkeld met een andere kleur touw. [eisers in de hoofdzaak] stelt tenslotte dat [gedaagde in vrijwaring] het zeker zou hebben opgemerkt als hij bij [eisers in de hoofdzaak] en bij [C] de verkeerde balen mee terug zou hebben gekregen. Deze nadere stellingen van [eisers in de hoofdzaak] laten echter nog steeds de mogelijkheid open dat het met herfsttijloos vervuilde hooi afkomstig is geweest van een andere leverancier dan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Bij deze stand van zaken kan het immers nog niet uitgesloten worden dat de balen van [B] Vicon-balen zijn geweest en dan kan [A] mogelijk juist in de baal van [B] herfsttijloos hebben gezien. Het lijkt op het eerste gezicht weliswaar niet waarschijnlijk dat [A] het herfsttijloos in een ándere baal dan die van zijn verzekerde heeft aangetroffen, maar daarmee is nog niet met een voldoende mate van zekerheid komen vast te staan dat de baal van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig is geweest. Daarom zal VBG die stelling nader dienen te bewijzen en zal zij worden opgedragen tot het bewijs daarvan.”\n\n2.6.. \n [eisers in de hoofdzaak] dient dus te bewijzen dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] de leverancier is van het hooi en dat zoveel mogelijk wordt uitgesloten dat een andere leverancier (bijvoorbeeld [B] (hierna: [B] )) het besmette hooi had geleverd.\n\nDe overwegingen\n\n2.7.. De rechtbank is van oordeel dat [eisers in de hoofdzaak] aan haar bewijsopdracht heeft voldaan.. [eisers in de hoofdzaak] heeft bij haar akte van 8 februari 2023 foto’s overgelegd. Op deze foto’s staat volgens [eisers in de hoofdzaak] de door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geleverde baal hooi waar herfsttijloos in is aangetroffen, voordat de baal hooi uit elkaar werd gehaald. Op één van de foto’s is een houten lat te zien met daarop een aantal cijfers, met daarnaast een meetlat. De houten lat is vervolgens naast de baal hooi gezet:\n\n(uit productie 74 bij de akte van [eisers in de hoofdzaak] van 8 februari 2023)\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit de foto’s duidelijk blijkt dat de baal hooi waarin het herfsttijloos zat, ongeveer 70 cm hoog was en niet 90 cm zoals de balen hooi van [B] . Daarbij merkt de rechtbank op dat – hoewel in het eerdere tussenvonnis is overwogen dat [eisers in de hoofdzaak] heeft gesteld dat de door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geleverde baal hooi 60 cm hoog was – [eisers in de hoofdzaak] in haar akte van 8 februari 2023 onbetwist heeft gesteld dat de hoogte 70 cm was. De afmetingen van de balen [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -hooi waren 120x70x240 cm, hetgeen ook volgt uit door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] overgelegde factuur voor het persen van de balen.\n\n2.8.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert aan dat het niet kan worden uitgesloten dat de baal hooi op de foto eigenlijk groter was en dat de cijfers op de meetlat niet goed leesbaar zijn. De heer [D] , degene die de balen hooi van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in de schuur van [eisers in de hoofdzaak] heeft geplaatst, heeft echter verklaard dat de achtergebleven baal hooi waar het herfsttijloos in was aangetroffen door de lengte was opgedeeld en dat de hoogte (van 70 cm) en de breedte (van 120 cm) nog intact waren. De rechtbank constateert dat de cijfers op de meetlat goed leesbaar zijn. Aan het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat het herfsttijloos afkomstig kan zijn uit de bij [eisers in de hoofdzaak] achtergebleven partij stoffig hooi gaat de rechtbank ook voorbij. Het eerder geleverde stoffig hooi is bij gelegenheid van de levering van de (nieuwe) partij op 29 januari 2014 door [gedaagde in vrijwaring] retour genomen.\n\n2.9.. Daarnaast heeft [eisers in de hoofdzaak] bij haar akte van 8 februari 2023 de factuur en de weegbon van het door [B] bij haar afgeleverde hooi overgelegd. De juistheid van de gegevens op deze factuur en weegbon is niet door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betwist. Op de weegbon staat dat er 52 pakken hooi zijn geleverd, met een totaalgewicht van 21.060 kg. Dat betekent dat één pak [B] -hooi gemiddeld 405 kg woog. [eisers in de hoofdzaak] heeft verder onbetwist gesteld dat de 37 balen [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -hooi die [gedaagde in vrijwaring] op 29 januari 2014 bij haar heeft afgeleverd een totaalgewicht hadden van 13.180 kg (afgerond 356 kg per baal) en dus gemiddeld 49 kg lichter waren dan de pakken van [B] . Ook heeft [eisers in de hoofdzaak] onbetwist gesteld dat de 12 balen die [gedaagde in vrijwaring] op 26 maart 2014 bij [eisers in de hoofdzaak] heeft opgehaald, een totaalgewicht hadden van 4.360 kg (zij wogen afgerond 363 kg per baal). Het is daarmee aannemelijk dat de genoemde 12 balen hooi die op 26 maart 2014 door [gedaagde in vrijwaring] zijn teruggehaald, afkomstig waren uit de partij die zij op 29 januari 2014 zelf bij [eisers in de hoofdzaak] had afgeleverd, en daarmee ook dat die balen afkomstig waren van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] en niet van een andere leverancier zoals [B] . De balen [B] -hooi zijn veel zwaarder dan 363 kg per baal terwijl het gemiddelde gewicht van de [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] -baal maar 7 kilo per baal afwijkt (hetgeen verwaarloosbaar is op het totaalgewicht van meer dan 350 kilo). De rechtbank volgt ook de stelling van [eisers in de hoofdzaak] dat [gedaagde in vrijwaring] het zou hebben opgemerkt als zij van [eisers in de hoofdzaak] de verkeerde balen mee terug zou hebben gekregen, althans dat er vanuit mag worden gegaan dat [gedaagde in vrijwaring] geen balen hooi retour neemt die niet van haar afkomstig zijn. Zeker niet in het geval dat de koper klachten heeft over de kwaliteit van het hooi. Ten slotte heeft [A] , die in een eerdere verklaring sprak over een ‘Vicon-baal’, in een latere verklaring aangegeven dat hij daarmee niet een baal uit een specifiek merk pers bedoelde, maar meer in het algemeen een ‘grootpak’ baal van 300 à 400 kg, in tegenstelling tot een baal van bijvoorbeeld 25 kg. Ook dat draagt bij aan de overtuiging van de rechtbank dat het hooi dat herfsttijloos bevatte, afkomstig was [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] .\n\n2.10.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 is al vastgesteld dat [gedaagde in vrijwaring] zelf een monster van de retourpartij hooi voor onderzoek naar de Tierärtliche Hochschule in Hannover heeft gestuurd. De Tierärtliche Hochschule heeft vervolgens aan [gedaagde in vrijwaring] laten weten dat de door haar ingestuurde plant inderdaad herfsttijloos betrof.\n\n2.11.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft verder nog als verweer aangevoerd dat het touw om de baal hooi op de boven genoemde foto’s dikker zou zijn dan het touw dat hij daar zelf voor gebruikt. Ter onderbouwing heeft hij, bij zijn akte van 14 juni 2023, een foto overgelegd waarop een baal te zien is met een touw daaromheen. [eisers in de hoofdzaak] heeft betwist dat die foto in 2013 of in 2014 is gemaakt en ook dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] sinds die tijd altijd hetzelfde type touw is blijven gebruiken. Op een vraag van de rechtbank heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ook tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat de bij de akte gevoegde foto van het touw recenter is gemaakt. Het is dus geen foto van het touw dat in 2013\u002F2014 om de vervuilde partij hooi heeft gezeten. Dit verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] overtuigt daarom niet.\n\n2.12.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank al vastgesteld dat de paarden colchicine hebben binnengekregen en dat dit is gebeurd via het eten van met herfsttijloos besmet weidehooi. Gelet op wat hiervoor is overwogen (zoals over de hoogte van de achtergehouden baal hooi en over het gewicht dat is vermeld op de weegbon van [B] ), is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat dit besmette hooi inderdaad afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft dus aan haar bewijsopdracht voldaan.\n\n2.13.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft ook nog bij haar akte van 8 februari 2023 een rapport overgelegd van de heer [E] van [E] (hierna: [E] ). Uit dit rapport blijkt volgens [eisers in de hoofdzaak] dat het zeer aannemelijk is dat het hooi afkomstig was van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Vervolgens heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in zijn antwoordakte van 14 juni 2023 een rapport van Nutrilab B.V. (hierna: Nutrilab) overgelegd. Uit dat rapport blijkt volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat de door [E] gebruikte methoden niet tot statistische relevante of betrouwbare onderzoeksresultaten kunnen leiden en dat het rapport van [E] bovendien aanwijzingen geeft dat het hooi juist niét afkomstig is van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . In reactie daarop heeft [eisers in de hoofdzaak] in haar akte van 12 juni 2024 een aanvullend rapport overgelegd van [E] , waarop [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] weer heeft gereageerd met een rapport van ing. [F] , voorheen verbonden aan Nutrilab en thans werkzaam als zelfstandige. Al deze rapporten gaan over de vraag of het aannemelijk of waarschijnlijk is dat het vervuilde hooi afkomstig was van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . De rechtbank leidt uit de rapporten van Nutrilab en [F] af dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] de bewijsopdracht zo heeft opgevat dat [eisers in de hoofdzaak] zou moeten bewijzen dat het hooi uitsluitend van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig geweest kan zijn. Dat is echter een verkeerde interpretatie van de bewijsopdracht zoals die hiervoor uiteen is gezet. Wat er verder van de rapporten ook zij: géén van deze rapporten (ook niet die van de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ) sluit uit dat het hooi van het land van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] afkomstig is geweest. Ze doen daarom niet af aan de vaststelling van de rechtbank dat [eisers in de hoofdzaak] in haar bewijs is geslaagd. Wat er verder in deze rapporten naar voren is gekomen, kan daarom onbesproken blijven.\n\nBestaat er causaal verband tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en het ontstaan van de gezondheidsproblemen die zich bij die paarden hebben voorgedaan?\n\nHet tussenvonnis\n\n2.14.. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank [eisers in de hoofdzaak] opgedragen haar stelling te bewijzen dat de gezondheidsproblemen en het daarop volgende overlijden van haar paarden was te wijten aan een (chronische) vergiftiging met colchicine. De rechtbank heeft daarvoor in het tussenvonnis van 16 november 2022 een onderzoek door een deskundige bevolen voor de beantwoording van de in dat tussenvonnis genoemde vragen. Prof. Dr. I. Vervuert (hierna: Vervuert) is vervolgens in het tussenvonnis van 1 februari 2023 benoemd tot deskundige. Vervuert heeft op 17 januari 2025 een rapport opgesteld. Vervolgens heeft Vervuert op 13 mei 2025 haar rapport aangevuld naar aanleiding van vragen van partijen.\n\nHet rapport van Vervuert\n\n2.15.. Vervuert concludeert dat chronische colchicine vergiftiging bestaat, maar dat er weinig bekend is over de symptomen bij paarden. In haar rapport staat over de symptomen het volgende:\n\n“Chronic colchicine intoxication affects target tissues such as bone marrow, liver and kidneys. However, information of a chronic colchicine intoxication in horses can be only derived from other animal species, humans and one case report in horses (PEEK et al. 2007). The symptoms from the case report (PEEK et al. 2007) about chronic colchicine intoxication in one horse which was treated with colchicine (0.03 mg\u002Fkg body weight orally once a day) are described as follows: Body weight losses, depression, pyrexia, epistaxis and mucosal haemorrhages. Blood tests revealed persistent pancytopenia (leucopenia, lymphopenia and thrombocytopenia) after withdrawal the colchicine treatment over 10 weeks. In addition, higher serum GGT and serum alkaline phosphatase activities as well as low serum albumin levels were found in the horse. Because of the fatal prognosis, the horse was euthanised. Post-mortem examination of the bone marrow revealed significant cellular\n\nabnormalities. Furthermore, tissues such as liver, spleen, kidneys and adrenal glands\n\nshowed signs of inflammation.\n\nHowever, symptoms of chronic colchicine intoxication and \u002F or other related residual or\n\nlong-term side effects may vary in horses depending on the total colchicine intake, the time\n\nperiod of exposure and other as yet unknown factors.”\n\n2.16.. Vervuert concludeert dat het zeer waarschijnlijk is dat de symptomen van paard [G] een gevolg zijn van een colchicine vergiftiging. De waargenomen gezondheidsproblemen bij de andere paarden zijn echter volgens Vervuert niet beschreven als gerelateerd aan chronische colchicine vergiftiging bij paarden. In haar rapport schrijft zij hierover het volgende:\n\n“The severe colic symptoms of \" [G] \" and the rapid fatal outcome of the colic is very likely a result of colchicine poisoning by hay intake contaminated with Colchicum autumnale L.\n\nThe observed health disorders in the other horses (e.g. Productie 16 & Productie 31) have not yet been described to be associated with chronic colchicine intoxication in horses. The results of the blood tests and the symptoms such as lethargy, poor body condition, poor performance and muscle atrophy in the affected horses are not fully specific for chronic colchicine intoxication. Most striking persistent pancytopenia (leucopenia, lymphopenia and thrombocytopenia) as a main finding in chronic colchicine intoxication was not evident in these horses. In addition, autopsies (two horses and one foetus) did not verify a chronic colchicine intoxication.”\n\n2.17.. Vervuert voegt daar wel aan toe dat diverse lange-termijn bijwerkingen of restverschijnselen die verband houden met eerdere colchicine inname bij paarden niet volledig kunnen worden uitgesloten en dat het niet mogelijk is om te concluderen of uit te sluiten dat de symptomen van de paarden van [eisers in de hoofdzaak] al dan niet verband houden met rest of late effecten van een eerdere colchicine inname. In haar rapport schrijft zij hierover het volgende:\n\n“However, up to date long-term side effects or residual symptoms with unspecific blood tests and unspecific symptoms such as lethargy, poor body condition, poor performance and muscle atrophy cannot be fully excluded to be associated with a previous colchicine intake in horses.\n\nFrom the present knowledge, it is not possible to conclude or exclude whether the symptoms in the affected horses from the farm from [eisers in de hoofdzaak] may relate or may not relate to residual or late effects of a previous colchicine intake by the ingestion of hay which was contaminated with Colchicum autumnale L.”\n\n2.18.. Over alternatieve oorzaken zegt Vervuert in haar rapport onder andere het volgende:\n\n“Other causes of the different symptoms of an inadequate health state in the respective horses may refer to an inadequate provision of nutrients such as energy, protein (amino acids), minerals or vitamins which affect body weight development, immune and musculoskeletal system as well as other tissue functions such as thyroid function.\n\n(…)\n\nAnalysis such as botanical inspection, nutrient, microbial or mycotoxin analysis in the feedstuffs fed in 2014 and 2015, or ration formulation are missing for the present case. Therefore, it is impossible to draw any conclusion about energy and nutrient imbalances or other feed-related disturbances in the affected horses.\n\nI would like to emphasize that horses which came to the farm after 18 March 2014 were in\n\na good health state (Productie 31) which allows the conclusion that all horses with respect\n\nto age, exercise or reproduction were fed the same diet and had access to the same\n\npastures on the [eisers in de hoofdzaak] farm in 2014 and 2015.”\n\n2.19.. In haar aanvullend rapport merkt ze hierover ook het volgende op:\n\n“As no substantial diagnoses were made for the different horses, it remains open whether the health impairments have a common cause or differing individual causes. But, the accumulation of health problems only in horses that were on the farm at the time Colchicum autumnale L. was present in the hay is remarkable.”\n\nDe overwegingen\n\nCausaal verband\n\n2.20.. Nu vast staat dat de paarden met herfsttijloos vervuild hooi hebben gegeten, komt de rechtbank toe aan de vraag of de gezondheidsproblemen van de paarden – die objectief medisch zijn vastgesteld en gedocumenteerd – al dan niet zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van herfsttijloos in dat hooi (conditio sine qua non-verband). Bij de beoordeling van die vraag is van belang dat voor het vaststellen van het (juridisch) causaal verband niet is vereist dat er evidence basedwetenschappelijk\u002Fmedisch bewijs voor dat verband is. Het is dus ook niet noodzakelijk dat bij de paarden op basis van geldende standaarden een in de diergeneeskunde erkend ziektebeeld is vastgesteld.De rechter moet, als dat bewijs er (gelet op de huidige stand van de medische wetenschap) niet is, op grond van alle beschikbare feitelijke informatie tot een eigen oordeel komen. De rechtbank zal de feitelijke informatie hierna stap voor stap bespreken.2.20.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat zich bij de paarden van [eisers in de hoofdzaak] ernstige gezondheidsproblemen hebben ontwikkeld en dat die problemen in het overgrote deel van de gevallen hebben geleid tot de dood van die paarden.\n\n2.20.2.. De rechtbank stelt verder vast dat de gezondheidsproblemen allemaal zijn ontstaan nadat de paarden het giftige hooi hadden gegeten. Deze problemen zijn wellicht niet in alle gevallen direct na het eten van het hooi opgetreden, maar er zijn in ieder geval geen aanwijzingen dat de paarden eerder, dus vóór het eten van het giftige hooi, soortgelijke klachten hadden of hadden gehad. Integendeel, drs. [J] , de dierenarts die volgens [eisers in de hoofdzaak] de diergeneeskundige begeleiding op de manege verzorgt, schrijft in haar verklaring (productie 16 bij dagvaarding) onder ander dat zij in het verleden nauwelijks zieke paarden bij [eisers in de hoofdzaak] heeft behandeld:\n\n“Sinds 2006 verzorg ik de veterinaire begeleiding op het bedrijf van de familie [eisers in de hoofdzaak] . Jaarlijks kom ik in het voorjaar en de zomer zeer geregeld op dit bedrijf voor de drachtigheidsbegeleiding van hun fokmerries. De familie [eisers in de hoofdzaak] heeft een buitengewoon net bedrijf met een nauwgezette bedrijfsvoering. In de eerste 8 jaar heb ik derhalve nauwelijks zieke paarden op dit bedrijf behandeld.\n\nHet verschil in het aantal paarden met afwijkingen en ziekte dit laatste anderhalf jaar is\n\nschrijnend.(…)”\n\nHet enige wat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] als verweer heeft aangevoerd voor wat betreft het ontstaansmoment van de gezondheidsproblemen, is dat ‘enkele paarden last hadden van wratten’. Uit de gedingstukken blijkt echter dat er één paard was dat een wrat had. Die wrat is bovendien pas geconstateerd nadat het betreffende paard van het giftige hooi had gegeten. De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij.\n\n2.20.3.. Uit het rapport van deskundige Vervuert blijkt dat de gezondheidsproblemen van de paarden ook verklaard kúnnen worden uit het feit dat de paarden colchicine hebben opgenomen. Zij komt allereerst tot de conclusie dat het ‘zeer waarschijnlijk’ (very likely) is dat de symptomen van het paard [G] het gevolg zijn van een (acute) colchicinevergiftiging. Daarnaast concludeert ze dat de aandoening ‘chronische colchicinevergiftiging’ bestaat, maar dat er maar weinig bekend is over de symptomen daarvan bij paarden (er is alleen maar ééncase report). Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de lange termijneffecten van colchicinevergiftiging bij paarden. Vervuert beschrijft dat de zeer uiteenlopende gezondheidsproblemen zoals die zijn waargenomen bij de andere paarden van [eisers in de hoofdzaak] niet (eerder) beschreven zijn als specifiek voor chronische colchicinevergiftiging bij paarden, maar concludeert dat ook niet volledig kan worden uitgesloten dat die problemen lange termijneffecten of restverschijnselen zijn van de colchicine-inname door die paarden. De rechtbank merkt hierbij op dat dierenarts [I] (zie productie 30 bij dagvaarding), die evenals Vervuert het ene geval van mogelijke chronische colchicinevergiftiging aanhaalt (Peek et al. 2007), stelt dat de bijwerking pancytopenie in dat geval ook kan worden verklaard door de leeftijd van het paard. Ook hieruit volgt dat geenszins is uit te sluiten dat chronische colchicinevergiftiging gepaard kan gaan met zeer diverse verschijnselen. Met andere woorden: het is (nog) niet mogelijk om met wetenschappelijke zekerheid vast te stellen dat de symptomen van de andere paarden van [eisers in de hoofdzaak] lange termijneffecten zijn van hun blootstelling aan colchicine, maar dat verband is evenmin wetenschappelijk uit te sluiten.\n\n2.20.4.. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat een plausibele alternatieve verklaring voor de gezondheidsproblemen van de paarden ontbreekt. Dat blijkt allereerst uit het rapport van Vervuert. Zij geeft aan dat denkbaar is dat de gezondheidsproblemen te maken hebben gehad met andere factoren, zoals voeding of omgeving. Zij onderkent ook dat er geen botanisch onderzoek is gedaan naar het hooi dat de paarden in 2014 en 2015 gevoerd hebben gekregen, dat er geen microbiologisch onderzoek is gedaan naar eventuele vervuiling van het hooi met microben (bacteriën, schimmels en gist) en dat er geen analyse heeft plaatsgevonden van de (verdere) samenstelling van het rantsoen. Dat maakt dat Vervuert geen uitspraken kan doen over mogelijke onevenwichtigheden in het dieet van de paarden of andere aan voeding gerelateerde verstoringen. Echter, zij wijst er vervolgens nadrukkelijk op (zie hiervoor onder 2.18) dat álle paarden die ná 18 maart 2014 naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] zijn gekomen in goede gezondheid verkeerden, terwijl deze paarden (afgezien van de partij giftig hooi) in 2014 en 2015 precies hetzelfde dieet hebben gekregen als de paarden met gezondheidsproblemen en dat alle paarden toegang hadden tot dezelfde weiden. Dit opmerkelijke verschil is ook door andere deskundigen geconstateerd:\n\nDrs. [J] schrijft in haar verklaring (productie 16 bij dagvaarding)\n\n“Opvallend is het verschil met de paarden die in de periode dat het met herfsttijloos verontreinigde hooi gevoerd werd elders gestald stonden. Ondanks dat zij sindsdien langdurig terug zijn op het bedrijf en onder dezelfde bedrijfsomstandigheden leven zien zij er blakend van gezondheid uit.”\n\nDe heer [A] , agrarisch expert, schrijft in zijn rapport (productie 33 bij dagvaarding):\n\n“De paarden die de gehele periode van ca. 40 dagen met het hooi uit de partij van 29 januari 2014 zijn gevoerd, zagen er slecht uit en dat geldt ook voor de veulens, thans jaarlingen die in 2014 zijn geboren. De paarden die een kortere periode, circa 30 dagen, van het hooi hebben gegeten zagen er aannemelijk beter uit, al waren de dieren niet geheel zonder klachten. De paarden die later op stal bij [eisers in de hoofdzaak] zijn gekomen zagen er goed en gezond uit.”\n\nProf. Dr. [K] , hoogleraar inwendige ziekten van het paard van de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, schrijft in haar rapport (productie 31 bij dagvaarding):\n\n“Vervolgens is een aantal paarden individueel voorgesteld waarbij opvallend is dat de paarden die nu al wel meerdere maanden tot meer dan een jaar op het bedrijf aanwezig zijn, maar gekomen zijn na 18 maart 2015 (en dus hetzelfde voer, bodembedekking en verzorging krijgen als de andere paarden) er allemaal goed uitzien en naar ons wordt verteld ook verder geen klachten hebben. (…)\n\nConclusies\n\nEr vanuit gaande dat eerlijke informatie is verstrekt en dat alle paarden inderdaad goed gevoerd en verzorgd worden (inclusief voldoende frequent ontwormen etc. zoals ons is verzekerd), is het opvallend dat de paarden die tijdens de hooi-met-herfsttijloos-periode aanwezig waren, er nu (veel) minder goed uitzien dan de paarden die pas na deze periode op het bedrijf zijn gekomen.\n\nEr is voor niemand, op welke wijze dan ook, nu 20 maanden na deze episode, nog te bewijzen dat dit alles voortkomt uit het voeren van hooi verontreinigd met herfsttijloos, maar dit lijkt, gezien alles wat verder is onderzocht en de toestand van de paarden die geen hooi met mogelijk herfsttijloos hebben opgenomen en al vele maanden op het zelfde bedrijf staan, wel (zeer) waarschijnlijk.\n\n(…)\n\n(…) . Er is weliswaar geen hard bewijs, maar er is wel grote waarschijnlijkheid dat veel van de problemen toe te schrijven zijn aan de blootstelling gedurende meer dan een maand aan colchicine. Mogelijk wordt dit de eerste casus van chronische colchicine intoxicatie bij paarden.”\n\nDe rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat het énige feitelijke verschil in leefomstandigheden tussen enerzijds de gezonde paarden van [eisers in de hoofdzaak] die ná 18 maart 2014 kwamen op of terugkeerden naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] en anderzijds de paarden die ziek werden, is gelegen in het feit dat die laatste groep in de periode vóór 18 maart 2024 van het giftige hooi hebben gegeten en de gezonde paarden niet. Ook de omstandigheid dat de paarden van derden die in de periode vóór 18 maart 2014 gestald waren bij [eisers in de hoofdzaak] wél ziek zijn geworden, draagt bij aan het bewijs dat het giftige hooi de oorzaak is geweest van de gezondheidsproblemen: als de problemen niet zouden zijn veroorzaakt door het giftige hooi, maar door andere bedrijfsomstandigheden bij [eisers in de hoofdzaak] die zich vóór de komst van de paarden van derden naar de manege van [eisers in de hoofdzaak] hebben voorgedaan, dan zouden alleen de eigen paarden van [eisers in de hoofdzaak] ziek zijn geworden. Opvallend is ook dat [A] beschrijft dat de periode van blootstelling aan het giftige hooi van invloed was op de ernst van de gezondheidsproblemen: hoe langer de blootstelling, hoe ernstiger de symptomen (zie hierboven).\n\n2.20.5.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft in dit verband nog aangevoerd dat de GD ook het bloed van het paard [L] heeft onderzocht en dat uit dat onderzoek naar voeren kwam dat bepaalde bloedwaarden van [L] verlaagd waren en dat zijn bloed diverse afwijkingen vertoonde, terwijl hij in februari en maart 2014 niét op de manege van [eisers in de hoofdzaak] stond, maar in het najaar van 2015 wél. [eisers in de hoofdzaak] heeft daar onbetwist tegenover gesteld dat [L] in februari\u002Fmaart 2014 juist bij een ander pension was gestald vanwege ziekte en dat de afwijkingen die in zijn bloed zijn aangetroffen, zijn te verklaren door die ziekte. Verder heeft [eisers in de hoofdzaak] onbetwist gestelde dat [L] weer is opgeknapt, dit in tegenstelling tot de paarden die van het giftige hooi hebben gegeten. Dit verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] slaagt daarom niet.\n\n2.20.6.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft ook nog als verweer aangevoerd dat de resultaten van de onderzoeken die [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring] hebben laten uitvoeren, zoals de bloedonderzoeken, juist duiden op een andere oorzaak dan een colchicinevergiftiging. Er zijn volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] tal van alternatieve oorzaken mogelijk, zoals atypische myopathie, p. Equorum, een te lage selenium-niveau van de grond op de manege van [eisers in de hoofdzaak] , de ziekte van Cushing, een eiwittekort in het rantsoen, infectieuze anemie en zandkoliek. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft echter niet méér gedaan dan al deze alternatieven opsommen. Bezien tegen het licht van de gemotiveerde stellingen van [eisers in de hoofdzaak] ten aanzien van het causaal verband tussen het giftige hooi en de gezondheidsproblemen van de paarden, had van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] mogen worden verwacht dat hij zijn verweer op dit punt nader zou substantiëren, bijvoorbeeld door concrete feiten of omstandigheden te noemen waaruit zou kunnen blijken dat één of meer van de door hem genoemde alternatieve ziektebeelden\u002Ftekorten zich daadwerkelijk bij de paarden van [eisers in de hoofdzaak] heeft\u002Fhebben voorgedaan. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft ook niet onderbouwd op welke wijze de door hem genoemde ziektebeelden\u002Ftekorten de gezondheidsproblemen van de gehele groep paarden van [eisers in de hoofdzaak] zouden kunnen verklaren. De losse opmerkingen in rapporten en e-mails waarnaar [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] verwijst, zijn daarvoor onvoldoende.\n\n2.20.7.. De symptomen van de paarden passen volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] ook bij vergiftiging van andere plantjes, die in de wei van [eisers in de hoofdzaak] aanwezig geweest kunnen zijn en die de paarden kunnen hebben gegeten, waaronder de adelaarsveren, de bastaardklaver, de beuk, de eik en de esdoorn. [eisers in de hoofdzaak] heeft echter onbetwist aangevoerd dat deze planten en bomen helemaal niet groeien in de wei van hun manege. Daar heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] vervolgens niet meer op gereageerd.\n\n2.20.8.. Ten slotte voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] (nogmaals) aan dat diverse paarden last hadden van wratten en dat er een medicijn tegen wratten bestaat waar colchicine in zit. Zoals hiervoor al is overwogen blijkt uit de stukken dat het voor wat betreft de wratten slechts gaat om één paard. Als dat paard al zou zijn behandeld met een colchicine-houdend medicijn (dat blijkt nergens uit), legt [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] legt niet uit hoe of waarom dat medicijn dan bij álle paarden van [eisers in de hoofdzaak] zou zijn toegepast. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit verweer. Datzelfde geldt voor het verweer van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat er een artritis-medicijn bestaat wat veelvuldig bij paarden zou worden toegepast en colchicine bevat: uit niets blijkt dat de paarden van [eisers in de hoofdzaak] (voorafgaand aan de gezondheidsklachten die zij ontwikkelden in de periode dat zij aten van het vervuilde hooi) leden aan artritis, noch dat zij daarvoor medicijnen zouden hebben gekregen.\n\n2.20.9.. Het voorgaande betekent dat het bestaan van causaal verband tussen de opname van colchicine door de paarden van [eisers in de hoofdzaak] en de gezondheidsproblemen die zich bij de betreffende paarden hebben voorgedaan zódanig waarschijnlijk en aannemelijk is, dat het juridisch causaal verband is komen vast te staan. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft giftig weidehooi geproduceerd en dat in het verkeer gebracht. Dat heeft hij niet met opzet gedaan. Het is echter wel aan hem toe te rekenen. De rechtbank vindt dat hij op de mogelijke aanwezigheid daarvan bedacht had moeten zijn: hij was als producent bij uitstek in de gelegenheid om zijn gras tijdens de verschillende groeistadia te controleren op de aanwezigheid van herfsttijloos. Daarbij acht de rechtbank verder relevant dat dit plantje in [land] vaker voorkomt. De gezondheidsproblemen van de paarden en het daaropvolgend overlijden kunnen dus daarom aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] worden toegerekend. Dat betekent dat [eisers in de hoofdzaak] [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] kan aanspreken voor de schade die zij hierdoor heeft geleden.\n\n2.21.. De vragen die vervolgens nog moeten worden beantwoord zijn in hoeverre de vergoedingsplicht moet worden verminderd wegens eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] en wat de omvang is van de schadevergoeding.\n\nIs er sprake van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] ?\n\n2.22.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] beroept zich op eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] . In artikel 6:101 lid 1 BW is bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Het bevat dus de algemene regel dat de schadevergoedingsplicht in beginsel wordt verminderd wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. Het woord ‘mede’ geeft aan dat het artikel pas van toepassing is wanneer de schade in causaal verband staat zowel met de gebeurtenis op grond waarvan de aangesprokene aansprakelijk gesteld kan worden als met een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend.\n\n2.23.. Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft [eisers in de hoofdzaak] een groot aandeel gehad in het ontstaan van de door haar gestelde schade en kosten. Iedere nalatigheid in het toezicht van [eisers in de hoofdzaak] op de paarden en hun voeding, kan volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] hebben bijgedragen aan en staat als onmisbare schakel in rechtstreeks verband met deze gebeurtenis. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] onderbouwt dit als volgt:\n\n [eisers in de hoofdzaak] heeft het hooi van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] in ontvangst genomen zonder een deugdelijke controle uit te voeren en zonder het hooi te onderzoeken op de aanwezigheid van eventuele (bij)producten die niet in het hooi zouden behoren te zitten. [eisers in de hoofdzaak] hoort zich ervan bewust te zijn dat weidehooi bestaat uit een mix van verschillende planten. Bij een deugdelijke controle van het hooi had [eisers in de hoofdzaak] kunnen en moeten zien dat in het hooi herfsttijloos zat. Dat had vervolgens reden moeten zijn om het hooi niet (in ieder geval niet zonder nader onderzoek) aan haar paarden te voeren. [eisers in de hoofdzaak] exploiteert een professionele paardenmanege en is actief als paardenfokker. Zij behoort het hooi dat zij aan haar paarden voert zorgvuldig te controleren, temeer omdat [eisers in de hoofdzaak] kennelijk bijzondere dressuurpaarden had. Het hooi niet controleren is onprofessioneel en onzorgvuldig.\n\nBij het openbreken van de balen hooi zag [eisers in de hoofdzaak] dat er zich ‘onbekende plantjes’ in het hooi bevonden en dat de paarden de kapsels van die plantjes lieten liggen. Pas ongeveer 1,5 maand na levering van het hooi heeft [eisers in de hoofdzaak] voor het eerst bij [gedaagde in vrijwaring] aangegeven dat zich ‘vreemde plantjes’ in het hooi bevonden en dat deze door de (meeste) paarden niet werden gegeten. Als een professionele paardenmanege en paardenfokker ziet dat er een ‘vreemd plantje’ in het hooi zit, dan zouden in ieder geval de alarmbellen af moeten gaan. [eisers in de hoofdzaak] had [gedaagde in vrijwaring] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dus meteen moeten berichten. Dat heeft zij niet gedaan. [eisers in de hoofdzaak] heeft buitengewoon nalatig en onzorgvuldig gehandeld.\n\n [eisers in de hoofdzaak] had het hooi niet (langer) aan de paarden moeten voeren of in ieder geval niet totdat controle van het hooi een bevredigend resultaat zou hebben opgeleverd. Nadat [gedaagde in vrijwaring] had gezegd dat ‘alles goed’ zou zijn, is [eisers in de hoofdzaak] het hooi blijven voeren aan de paarden. Dat is onbegrijpelijk en onzorgvuldig. [eisers in de hoofdzaak] had in ieder geval meteen bij de eerste klachten van de paarden actie moeten ondernemen. Bij een juiste handelwijze had de gebeurtenis en had (een ieder geval een deel van) de schade kunnen worden voorkomen.\n\n [eisers in de hoofdzaak] had eerder tot een behandeling moeten overgaan. Een colchicine vergiftiging kan namelijk gemakkelijk worden behandeld met actieve kool, bijvoorbeeld Norit. Ook daarmee had [eisers in de hoofdzaak] de schade kunnen beperken.\n\n2.24.. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op eigen schuld niet slaagt. De rechtbank volgt het verweer van [eisers in de hoofdzaak] dat het voldoende is dat zij bij de aflevering de balen van buitenaf heeft bekeken en een losgetrokken pluk heeft beoordeeld door eraan te ruiken. Van een koper van hooi kan niet worden verwacht dat zij bij aflevering iedere baal hooi openbreekt om te kijken of er een ongerechtigheid in het hooi zit. Het openbreken gebeurt pas op het moment dat een baal ‘aan de beurt’ is om te worden gevoerd. De plantjes waren aan de buitenkant niet zichtbaar: ze waren pas te zien bij het openbreken van de balen hooi. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zelf, [gedaagde in vrijwaring] en de NVWA hebben de plantjes aan de buitenkant van de balen hooi ook niet gezien, zoals [eisers in de hoofdzaak] terecht aanvoert.\n\n2.25.. Dat [eisers in de hoofdzaak] niet eerder contact heeft opgenomen met [gedaagde in vrijwaring] en het hooi is blijven voeren tot het overlijden van [G] , kan [eisers in de hoofdzaak] ook niet worden verweten. Zij heeft onbetwist aangevoerd dat herfsttijloos een zeer onbekende plant is in de Nederlandse paardenwereld en dat vergiftiging van paarden met herfsttijloos bovendien zelden voorkomt. Drs. [J] heeft het plantje niet herkend. Ook bij navraag door [eisers in de hoofdzaak] bij tientallen boeren, bleek dat niemand het plantje kende. Het komt de rechtbank daarom niet vreemd voor dat [eisers in de hoofdzaak] het plantje zelf ook niet herkende. Naar het oordeel van de rechtbank hóefde zij het ook niet te (her)kennen. [eisers in de hoofdzaak] heeft bovendien onbetwist gesteld dat paarden bij kruidenhooi wel vaker bepaald plantenresten laten liggen. Dat kan volgens [eisers in de hoofdzaak] te maken hebben met de smaakvoorkeuren van de paarden. Dat [eisers in de hoofdzaak] niet meteen aan de bel heeft getrokken bij [gedaagde in vrijwaring] en ook niet meteen is gestopt met het voeren van het hooi is daarom begrijpelijk. Op enig moment heeft [eisers in de hoofdzaak] wel contact opgenomen met [gedaagde in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft daarover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij voor het eerst op 15 februari 2014 een melding heeft gemaakt bij [gedaagde in vrijwaring] en daarna nog twee keer. [gedaagde in vrijwaring] heeft toen volgens [eisers in de hoofdzaak] geruststellende opmerkingen gemaakt in de trant van “dat kan niks zijn” en “daar moet je geen acht op slaan”. Daar heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] tijdens de mondelinge behandeling niet op gereageerd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde in vrijwaring] inderdaad dergelijke geruststellende mededelingen heeft gedaan aan [eisers in de hoofdzaak] . [eisers in de hoofdzaak] mocht ook van die mededelingen uitgaan. [gedaagde in vrijwaring] drijft immers een groothandel in onder andere hooi en is verantwoordelijk voor de kwaliteit ervan. Toen [G] ziek werd en overleed is [eisers in de hoofdzaak] wel direct gestopt met het voeren van het hooi. Dat er eerder sprake is geweest van klachten die zijn te herleiden tot het plantje in het hooi, blijkt niet uit de stukken.\n\n2.26.. Het standpunt van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] dat een colchicinevergiftiging gemakkelijk kan worden behandeld met actieve kool, is door [eisers in de hoofdzaak] betwist. De dierenarts die [eisers in de hoofdzaak] heeft ingeschakeld, heeft dit middel ook niet ingezet. Daarnaast voert [eisers in de hoofdzaak] aan dat áls een behandeling met actieve kool al werkzaam zou zijn bij een paard met colchicinevergiftiging, dat de schade niet had beperkt. Er is immers gedurende een lange periode besmet hooi gevoerd en volgens [eisers in de hoofdzaak] werkt actieve kool (als dat al een oplossing zou zijn geweest) alleen als het direct na een vergiftiging wordt toegediend. Dat actieve kool ook in het scenario van chronische colchicinevergiftiging de klachten bij de paarden had kunnen verminderen\u002Fvoorkomen blijkt nergens uit. Daar is vervolgens door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet meer op gereageerd. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voorbij.\n\n2.27.. De omstandigheid dat [gedaagde in vrijwaring] zich ook zou hebben beroepen op eigen schuld van [eisers in de hoofdzaak] en dit is verdisconteerd in de afspraken in de vaststellingsovereenkomst (zie hierna onder 2.29. en verder), is in verhouding tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet relevant.\n\n2.28.. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eisers in de hoofdzaak] .\n\nWelke schadevergoeding moet [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan [eisers in de hoofdzaak] betalen?\n\nDe VSO\n\n2.29.. \n [eisers in de hoofdzaak] , [gedaagde in vrijwaring] en Delta Lloyd Schadeverzekering N.V. (hierna: Delta Lloyd), de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde in vrijwaring] , hebben in augustus 2017 een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) gesloten. Daarin hebben zij onder andere afgesproken dat Delta Lloyd aan [eisers in de hoofdzaak] een renteloze lening verstrekt van € 430.000,00. Deze lening moet [eisers in de hoofdzaak] aan Delta Lloyd terugbetalen indien en voor zover zij hun schade op [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] kunnen verhalen en ook door\u002Fnamens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] feitelijk betaald hebben gekregen op grond van een onherroepelijke titel.\n\n2.30.. Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betekent dit dat € 430.000,00 op de schadevordering op hem in mindering moet komen. Uit de aard en achtergrond van de VSO en de daarin genoemde overwegingen, blijkt duidelijk dat het geen lening maar een voorwaardelijke schadevergoeding betreft. [eisers in de hoofdzaak] is door deze overeenkomst al geheel of ten dele gecompenseerd voor haar schade. Dat zij mogelijk aan [gedaagde in vrijwaring] of Delta Lloyd € 430.000,00 moet terugbetalen, doet daar niet aan af. Er zijn ook delen van de VSO weggelakt, waardoor het onzeker is welke afspraken er zijn gemaakt en onder welke omstandigheden [eisers in de hoofdzaak] (een deel van) dit bedrag moet terugbetalen, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] .\n\n2.31.. Volgens [eisers in de hoofdzaak] kan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] helemaal geen beroep doen op deze VSO, omdat deze afspraken alleen de bij de VSO betrokken partijen binden. Daarnaast is de lening geen schadevergoeding en doet het niet af aan de omvang van de aansprakelijkheidsverplichting van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Deze lening komt in de verhouding tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geen betekenis toe, aldus [eisers in de hoofdzaak] .\n\n2.32.. De rechtbank volgt [eisers in de hoofdzaak] dat de afspraken zijn gemaakt tussen andere partijen en dus in een andere verhouding. Het is inderdaad niet de bedoeling dat [eisers in de hoofdzaak] dezelfde schade (deels) twee maal vergoed krijgt. Echter, uit de VSO blijkt duidelijk dat [eisers in de hoofdzaak] het bedrag van € 430.000,00 moet terugbetalen indien zij haar schade kan verhalen op [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Of dat nu op grond is van een lening of een voorwaardelijke schadevergoeding, maakt niet uit. [eisers in de hoofdzaak] krijgt, zo blijkt uit de VSO, in ieder geval geen dubbele vergoeding voor dezelfde schade.\n\nHoogte van de schadevergoeding\n\n2.33.. \n [eisers in de hoofdzaak] vordert primair – kortgezegd – om [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te veroordelen tot betaling van haar bedrijfsschade bestaande uit de gederfde winst over de jaren 2016 tot en met 2026 (een bedrag van € 1.480.559,32) en de gemaakte kosten over de jaren 2014 en 2015 (een bedrag van € 178.662,30), een en ander te verhogen met wettelijke rente. Zij legt daaraan ten grondslag dat zij gebracht moet worden in de positie waarin zij verkeerde zonder het onrechtmatig handelen. In die positie bezat zij een door haar ontwikkelde fokstam die geschikt was om op hoog niveau ingezet te worden in de dressuursport. Zij wenst in de gelegenheid te worden gesteld met de drie resterende merries de fokstam opnieuw op te bouwen en baseert daarop haar primaire schadevordering. Met het enkel vervangen van de paarden (en het vergoeden van de waarde daarvan) zoals [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voorstaat wordt de door haar geleden schade onvoldoende vergoed.\n\n2.34.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft door de deskundige drs. [M] (hierna: [M] ) een berekening van haar schade laten maken (zie productie 36 bij dagvaarding en productie 57 bij conclusie van repliek). [M] heeft bij die berekening gebruik gemaakt van een accountantsrapport dat de financiële situatie van [eisers in de hoofdzaak] over een periode van vijf jaar in kaart heeft gebracht. [M] heeft in het rapport uitgebreid toegelicht welke kosten aan de orde zijn, hoe hoog die kosten zijn, welke winst met de voormalige fokstam werd en zou worden behaald en welk winst [eisers in de hoofdzaak] derft door de jaren heen dat zij bezig zou zijn met het opbouwen van de nieuwe fokstam.\n\n2.35.. De rechtbank volgt [eisers in de hoofdzaak] in haar primaire vordering tot vergoeding van gederfde winst en gemaakte kosten in verband met het opnieuw opbouwen van de fokstam. [eisers in de hoofdzaak] dient immers zoveel mogelijk in de positie te worden gebracht waarin zij zonder het onrechtmatig handelen zou hebben verkeerd. Als onbetwist staat vast dat de geëuthanaseerde paarden tot een door [eisers in de hoofdzaak] gedurende een lange periode opgebouwde fokstam van goed in de sport presterende paarden behoorden. Een dergelijke groep paarden is niet zonder meer vervangbaar door willekeurige paarden zonder genetische samenhang. [eisers in de hoofdzaak] mag verlangen dat zij opnieuw een dergelijke fokstam op kan bouwen met de drie resterende paarden en mag de daarmee gemoeide kosten en de daarmee samenhangende winstderving vorderen.\n\n2.36.. Bij de begroting van de schade neemt de rechtbank het rapport van [M] van februari 2017 tot uitgangspunt. Zij heeft de schade over de jaren 2014 en 2015 bepaald op € 177.791,14, uitgaande van de als gevolg van het onrechtmatig handelen gemaakte kosten, en over de jaren 2016 tot en met 2026 op € 1.480.559,00 op basis van de gederfde winst.\n\n2.37.. \n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft noch tegen de wijze van totstandkoming, noch tegen de inhoud van dit rapport voldoende ingebracht om dit rapport terzijde te schuiven.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] stelt dat de rechtbank een deskundige zou moeten benoemen om de schade te begroten ‘uitgaande van de gebruikelijke parameters.’ [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert evenwel niet aan wat hij daarbij op het oog heeft en waarom het rapport van [M] methodisch of qua uitgangspunten niet gebruikt zou kunnen worden.\n\n2.38.. Ten aanzien van de gederfde winst voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] nog aan dat de door [M] bij de berekening van de winstderving gehanteerde gemiddelde winst over drie jaar van € 153.000,00 niet onderbouwd is, maar anderzijds maakt hij geen bezwaar tegen de inhoud van het zijdens [eisers in de hoofdzaak] opgemaakte accountantsrapport, dat de basis vormt voor het rapport van [M] . Tegen de in dat rapport gehanteerde cijfers verzet [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zich ook niet, zoals hierna nog aan de orde zal komen. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] wil dat de gemiddelde winst over een groter aantal jaren berekend wordt. [M] heeft het gekozen bedrag evenwel gemotiveerd: zij stelt dat het redelijk is dit bedrag als uitgangspunt te nemen gelet op de toenmalige crisistijd in de paardenwereld. Dat van een crisis sprake was, is door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet betwist. [M] toont zich bij de hantering van het bedrag van € 153.000,00 winst per jaar in de hypothetische situatie zonder wegvallen van de fokstam conservatief: zij hanteert dit ook voor de opvolgende tien jaren en verhoogt het tussentijds niet.\n\n2.39.. \n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] voert tegen de gehanteerde methode van berekening van de schade over de periode 2016 tot en met 2026 en de gebruikte cijfers aan kosten die gemoeid gaan met de (her)opbouw van de fokstam (ter vaststelling van de gederfde winst) geen verweer.\n\n2.40.. Wel voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aan dat [M] de kosten twee maal meerekent: de door haar opgevoerde kosten zijn immers reeds verdisconteerd in de gepresenteerde winstderving, aldus [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] . Dit betreft evenwel een verkeerde lezing van het rapport. [M] voert immers alleen de extra kosten in verband met het opnieuw opbouwen van de fokstam op en alleen die kosten waartegenover geen opbrengst staat.\n\n2.41.. De rechtbank stelt vast dat [M] bij het vaststellen van de kosten voor het heropbouwen van de fokstam ook conservatief te werk is gegaan. Diverse kostenposten zijn niet meegenomen in de berekeningen (bijvoorbeeld de kosten van verzorging en training die door [eisers in de hoofdzaak] zelf is uitgevoerd) of zijn laag gehouden (bijvoorbeeld dierenartskosten buiten de standaardbehandelingen; kosten van het hoefbeslag in meer bijzondere gevallen; kosten van dekking zijn op een standaardbedrag van € 2.000,00 gehouden).\n\n2.42.. \n\nBij de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen dat [eisers in de hoofdzaak] het bedrijf inmiddels heeft verkocht. Mr. Franken heeft namens [eisers in de hoofdzaak] opgemerkt dat dit geen invloed heeft op de hoogte van de gevorderde schade omdat de winstderving over de jaren na verkoop verdisconteerd is in de (lagere) verkoopprijs. Daarop heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] niet meer gereageerd.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft nog wel opgemerkt dat bij de begroting van de gederfde winst niet alleen de goede maar ook de kwade kansen verdisconteerd moeten worden. Uit het rapport van [M] blijkt dat daarmee bij de berekening rekening is gehouden. Zij gaat immers uit van de geboorte en ontwikkeling van twee veulens per jaar op drie merries (dus een fokopbrengst van 2\u002F3) in plaats van drie veulens op drie merries, juist om rekening te houden met niet geslaagde dekking, vroeggeboorte en ander euvel, kortom de kwade kansen.\n\n2.43.. \n\nOver de jaren 2014 en 2015 vordert [eisers in de hoofdzaak] als gezegd een bedrag aan schadevergoeding van € 178.662,30, bestaande uit kosten van voeding, stalling, dierenarts c.a. waartegenover als gevolg van het onrechtmatig handelen geen opbrengst staat en de direct als gevolg van het onrechtmatig handelen gemaakte kosten aan deskundigen (taxatiekosten, kosten van [M] voor schadeberekening, kosten accountant in verband met de schadeberekening). [M] heeft een bedrag van € 177.791,14 berekend. [eisers in de hoofdzaak] komt tot een totaal van € 178.662,30 vanwege de factuur van [N] van € 871,20 waarmee door [M] in haar rapport nog geen rekening was gehouden.\n\n [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] betwist de omvang van deze kosten niet, maar voert tegen dit deel van de vordering het verweer dat betalingsbewijzen ontbreken. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Niet voorstelbaar is dat [eisers in de hoofdzaak] de kosten al die jaren onbetaald zou hebben gelaten.\n\n2.44.. \n\nSpecifiek tegen de kosten van taxatie voert [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] als verweer dat het niet redelijk is meerdere taxateurs in te schakelen zoals [eisers in de hoofdzaak] heeft gedaan en alle kosten daarvan voor rekening van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te brengen.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het [eisers in de hoofdzaak] vrij stond zowel een deskundige (als [M] ) in te schakelen om de schade te berekenen als een taxateur die de waarde van de paarden zou taxeren. Tegen de (hoogte van) de door [M] in rekening gebrachte kosten heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] geen verweer gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen reden die kosten niet mee te nemen in de te betalen schadevergoeding.\n\n2.45.. Met [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] is de rechtbank van oordeel dat het [eisers in de hoofdzaak] niet vrijstaat de kosten van meer dan één taxateur van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] te vorderen. Uit de stukken leidt de rechtbank af dat door [O] een bedrag van € 6.319,83 in rekening is gebracht, welk bedrag ziet op het door hen opgemaakte uitvoerig gemotiveerde rapport. Daarnaast vordert [eisers in de hoofdzaak] zoals gezegd betaling van de factuur van [N] van € 871,20. Het is redelijk dat [eisers in de hoofdzaak] één taxateur heeft ingeschakeld en de kosten daarvan in rekening brengt. De rechtbank zal daarom alleen de kosten van € 6.319,83 [O] toewijzen en de kosten van [N] afwijzen.\n\n2.46.. Over de kosten van de accountant heeft [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] aangevoerd dat deze kosten zijn gemaakt in het kader van het geschil tussen [eisers in de hoofdzaak] en [gedaagde in vrijwaring] en mogelijk\u002F waarschijnlijk zijn gedragen door de verzekeraar van [gedaagde in vrijwaring] . [eisers in de hoofdzaak] heeft (ondanks dat zij daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft gehad) niet aangetoond dat die kosten daadwerkelijk voor haar rekening zijn gekomen, reden waarom de rechtbank dit deel van de vordering zal afwijzen.\n\n2.47.. De rechtbank zal daarom bij eindvonnis van de gevorderde € 178.662,30 toewijzen een bedrag van € 168.716,10 (€ 178.662,30 -\u002F- € 871,20 -\u002F- € 9.075,00) te verhogen met wettelijke rente.\n\n2.48.. De rechtbank zal bij eindvonnis de gederfde winst en kosten over de jaren 2016 tot en met 2026 toewijzen als gevorderd, te weten een bedrag van in totaal € 1.480.559,32 te verhogen met wettelijke rente, zoals hierna nog aan de orde zal komen.\n\n2.49.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft aanvankelijk wettelijke rente gevorderd over de gederfde winst met ingang van 1 januari 2017 en 1 januari 2018. Die vordering kan zonder meer worden toegewezen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij bij akte wijziging van eis ook de wettelijke rente over de periode daarna gevorderd. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] heeft zich zoals gezegd daarover nog niet kunnen uitlaten. Hij zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte daarover alsnog uit te laten, als na te melden.\n\n2.50.. \n [eisers in de hoofdzaak] heeft voor schade die zij nog niet heeft kunnen berekenen bij dagvaarding van 23 juli 2018 verwijzing naar de schadestaat gevorderd. Dit betreft naar de rechtbank begrijpt schade als gevolg van onrechtmatig handelen waarvoor zij door derden is aangesproken (door eigenaren van paarden die bij [eisers in de hoofdzaak] stonden en die ziek zijn geworden). De rechtbank gaat ervan uit – gelet op het lange tijdsverloop – dat [eisers in de hoofdzaak] inmiddels concreet kan aangeven of een dergelijke schadepost bestaat en hoe groot die is. [eisers in de hoofdzaak] zal in de gelegenheid worden gesteld zich (alleen) daarover bij akte uit te laten, als na te melden. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om (alleen) daarop te reageren.\n\n2.51.. De rechtbank zal de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar [eisers in de hoofdzaak] wel opleggen dat zij daarvoor een zekerheid stelt. Vast staat immers dat [eisers in de hoofdzaak] haar bedrijf inmiddels heeft verkocht.\n\n3. De verdere beoordeling in de zaak in vrijwaring\n\n3.1.. De rechtbank houdt iedere beslissing in de vrijwaring aan.\n\n4. De beslissing\n\nin de hoofdzaak\n\n4.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 13 mei 2026voor het nemen van een akte door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] over wat is vermeld onder 2.2. en 2.49. van dit tussenvonnis en voor het nemen van een akte door [eisers in de hoofdzaak] over wat is vermeld onder 2.50. van dit tussenvonnis, waarna [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan,\n\nin de zaak in vrijwaring\n\n4.3.. houdt de beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. O.R.M. van Dam, mr. I.L.P. Crombeen en mr. A. Wijsman-van Veen en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.\n\n Productie 15 bij akte van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in vrijwaring] van 10 februari 2021\n\n Productie 61 bij akte van [eisers in de hoofdzaak] van 10 februari 2021\n\n Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3988\n\n Vervuert heeft er in haar rapport (pg. 14) ook nog op gewezen dat uit een recente, door haar onderzoeksgroep uitgevoerde studie is gebleken dat het – ondanks andere ervaringen van paardeneigenaren – niet zo is dat volwassen paarden de herfsttijloos in hun hooi vermijden, maar dat vier van de zes onderzochte paarden er zelfs een voorkeur voor hadden.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2492","ecli-nl-rbobr-2026-2492",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]