[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbove-2026-3812":3,"decision-more-ecli-nl-rbove-2026-3812":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1442","ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","",57,"Zwolle","zwolle","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.316503.25 en 08-266989-23 (vord. tul) (P)\n\nDatum vonnis: 2 juli 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] ,\n\nnu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:\n\nfeit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen(primair)dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen(subsidiair);\n\nfeit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door in haar keel te knijpen, tegen haar lichaam te slaan, aan de haren te trekken, een knietje tegen haar hoofd te geven, met een blikje tegen het hoofd te slaan, in de nek te knijpen en\u002Fof in de arm\u002Fhand te bijten;\n\nfeit 3:14,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk\n\neen ander, te weten [slachtoffer]\n\nvan het leven te beroven,\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling\n\nmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan een ander, te weten [slachtoffer] ,\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\nmeermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt\n\nen\u002Fof dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op een of meerdere momenten op of omstreeks 22 november 2025 te\n\nZwolle, althans in Nederland,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] vast te pakken\n\nen\u002Fof dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar hoofd en\u002Fof haar\n\nschouder, althans haar lichaam, te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een knietje tegen haar hoofd\n\nte geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola, althans een soortgelijk voorwerp, tegen\n\nhaar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en\u002Fof hand te bijten;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk\n\naanwezig heeft gehad\n\nongeveer 14,13 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,\n\neen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n3. De bewijsmotivering\n\n3.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.\n\n3.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en het dichtknijpen van de keel niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, maar met haar instemming in het kader van wurgseks. Mocht de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar achten, dan kan niet worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zware mishandeling, aldus de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, met uitzondering van het vastpakken en dichtknijpen van de keel, en feit 3.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nHet procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb sinds ongeveer 4 jaar een relatie met [verdachte] .(…) Ik zag dat mijn vriend zijn vuist balde. Ik zag en voelde dat mijn vriend mij met deze rechtervuist op mijn hoofd en schouder sloeg. Mijn vriend probeerde mij uit de auto te krijgen door hard aan mijn haren te trekken. Ik voelde het haar uit mijn hoofd gaan, het deed ontzettend pijn. Ik zag en voelde dat hij mij twee keer met zijn rechtervuist op de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde doffe pijn op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat mijn vriend weer aan mijn haren trok om mij volledig uit de auto te krijgen. Mijn vriend duwde mij, waardoor ik op mijn linkerzij in de auto terechtkwam. Waarna hij mij 10-15 keer op mijn rechterboven- en onderarm en in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een doordringende pijn op mijn rechterbovenarm.\n\nMijn vriend reed door naar de Esso gelegen aan de van [adres 2] . Daar gingen de mishandelingen verder. Op dat moment pleegde hij de volgende handelingen:\n\n- vijf á zes keer aan mijn haren trekken;\n\n- hij pakte en kneep mij in mijn nek en duwde mij met twee handen hard naar de grond;\n\n- hij beet mij in mijn hand en onderarm;\n\n- hij sloeg mij in totaal drie keer met zijn platte hand in mijn gezicht;\n\n- hij sloeg mij vier á vijf keer met zijn vuist op mijn linkerkaak en voorhoofd.\n\nIk stapte uit de auto waarna mijn vriend naar mij toe kwam. Mijn vriend pakte mij met beide handen bij mijn keel. Mijn vriend kneep mijn keel ongeveer 10 seconden lang hard dicht.\n\nIk moest hoesten, maar ik kon niet hoesten omdat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik werd daardoor misselijk. Toen mijn vriend mijn keel losliet, hoestte ik en kwam er slijm vrij.\n\nMijn vriend stopte niet vrijwillig met het dichtknijpen van mijn keel, maar mijn vriend werd weggetrokken door zijn vriend ' [bijnaam] '. Ik voelde dat mijn vriend mijn nek vastpakte en mij twee knietjes op mijn voorhoofd gaf. Ik voelde gelijk hevige pijn op mijn voorhoofd. Ik greep naar zijn baard om mij los te rukken van hem. Ik voelde en zag dat hij mij weer met twee handen naar mijn keel greep en mijn keel ongeveer 5 seconden dichtkneep. Ik voelde dat dit krachtiger was dan de vorige keer dat hij mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik urine verloor. (…) Ik zag wederom dat mijn vriend uit de auto stapte met een blikje Cola en dat op mijn achterhoofd kapotsloeg. Ik durf niet aangifte te doen tegen mijn vriend, omdat ik bang voor hem ben. Ik denk echt dat hij in staat is om mij dood te maken.\n\nHet aanvullend procesverbaal van 22 november 2025 (aanvullende aangifte [slachtoffer] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nHet duurde twintig seconden voor mijn gevoel. Ik zag hij mij met twee handen mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij mij zo hard kneep dat ik daardoor niet meer kon ademen. Het voelde voor mij alsof mijn ogen uit mijn oogkas zouden gaan komen. Ik had nu het gevoel alsof ik dood zou kunnen gaan.\n\nIk zag dat hij mij weer vastpakte bij mijn keel met twee handen en deze keer was het met veel meer kracht dan de eerste keer. Dit merkte ik doordat ik op dat moment ook urine verloor. Ik voelde alsof mijn gezicht in brand stond. Ik had het gevoel dat ik op dat moment niet kon ademen. Daarna heb ik hem gekrabd in zijn gezicht en heb ik zijn baard vastgepakt, ik zag dat hij mij daarna losliet.\n\nHet procesverbaal van bevindingen van 23 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp zaterdag 22 november om 04.33 uur, kwamen wij ter plaatse bij het 'Esso' tankstation, gelegen aan de [adres 2] . Ik zag een vrouw, welke mij later bleek te zijn: [slachtoffer] , [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat deze vrouw huilde. Ik zag dat ze hevig trilde. Ik hoorde dat ze meerdere keren zei: ''hij is weggereden in de richting van de Hogenkampsweg, maar waarschijnlijk nog wel ergens hier in de buurt haar in de gaten aan het houden was.'' Ik zag dat ze de hele tijd om zich heen keek. Dit wekte mij de indruk dat [slachtoffer] in paniek was.\n\nIk vroeg [slachtoffer] wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij zojuist in de auto en buiten de auto mishandeld was door haar vriend [verdachte] , later genoemd als verdachte. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze door verdachte: aan haar haren was getrokken, dat zij door verdachte meerdere keren met vuisten op haar gezicht is geslagen, dat zij knietjes van verdachte op haar voorhoofd had gekregen en dat haar keel door verdachte was dichtgeknepen.\n\nNaast [slachtoffer] stond [getuige] , [getuige] . [getuige] vertelde mij dat zij een vriendin en collega was van [slachtoffer] en dat zij de mishandeling deels had gezien.\n\nIk zag en hoorde dat [slachtoffer] erg snel praatte, trilde en niet goed uit haar woorden kwam.Ik heb tijdens het opnemen van de aangifte ervaren dat [slachtoffer] alleen maar bezig was met de gevolgen die dit voor haar zou hebben, zoals: hij kan mijn woning naar binnenkomen via mijn buren, ik durf niet naar huis want hij komt mij opzoeken en dood maken, ik ben veiliger met hem in een relatie dan wanneer ik niet met hem in een relatie ben. Zowel ter plaatse als tijdens het opnemen van de aangifte kwam het slachtoffer op mij over als een slachtoffer die ontzettend bang was en is en vreest voor haar leven.\n\nDe forensischmedische letselbeschrijving van 12 december 2025, door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nBetrokkene: [slachtoffer]\n\nOp 22 november 2025 vanaf 14:30 uur werd een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nietfatale strangulatie.\n\nMw. [slachtoffer] vertelde mij dat ze twee keer bij de keel was gegrepen met 2 handen. De eerste keer duurde voor haar gevoel een seconde of 20, waarbij ze tussendoor wat lucht kon happen. De tweede keer was korter, mogelijk 5 tot 10 seconden, maar wel met volle kracht. Mw. [slachtoffer] beschreef dat het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen vielen.\n\nTijdens dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan:\n\n- Er waren onderhuidse bloeduitstortingen links en rechts op het voorhoofd, onder het\n\nlinkeroog, links in de hals, links in de nek, op de rechterschouder, op de borstkas, op\n\nbeide borsten, op beide armen en op de rechterduim;\n\n- Er waren krasletsels links in de hals, op de rechterbovenarm, op de linkerbovenarm en\n\nop de rechterpink;\n\n- Er was een huidbeschadiging op de kin;\n\n- Er was een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het oogwit van het linkeroog;.\n\nDe forensisch-medische letselrapportage met benoeming van 29 mei 2026, door G. Reijnen, forensisch arts, en E. van Mierlo, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22-11-2025 heeft er een forensisch medisch onderzoek (FMO) plaatsgevonden bij betrokkene. Bij herziening van de foto’s werd in het linkeroog een puntbloeding op de overgang van het oogwit en het onderooglid gezien.\n\nDe vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het\n\noog), samen met de gemelde heesheid en het urineverlies kunnen passen bij een scenario\n\nverwurging. Er is geen alternatieve verklaring voor deze combinatie aan verschijnselen in de hals. De gevaarzetting van een verwurging hangt af van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. Voor het ontstaan van een puntbloeding moeten de halsader links en rechts met enige kracht, gedurende 10-30 seconden worden dichtgedrukt. Een benadering van de gevaarzetting kan gemaakt worden op basis van de vastgestelde letsels, met inachtneming van de beperkingen van de studie van Plattner. Bij betrokkene resulteren de vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies in een categorie 2, matige verwurging. Dit is mogelijk levensbedreigend.\n\nHet proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:\n\nOp 22 november 2025 had ik ruzie met [slachtoffer] . Ik heb aan de haren van [slachtoffer] getrokken. Ik heb haar geslagen tegen de arm.\n\nDe rechtbank verklaart meerdere feiten bewezen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2. Overwegingen\n\nDe betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen\n\nHoewel verdachte ontkent te hebben geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen en [slachtoffer] ter zitting haar verklaring over het dichtknijpen van de keel heeft gewijzigd en heeft verklaard dat verdachte alleen in het kader van wurgseks in haar keel heeft geknepen, twijfelt de rechtbank niet aan de aangifte en de aanvullende verklaring die [slachtoffer] op 22 november 2025 heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. Ook heeft [slachtoffer] in de aangifte direct verklaard over haar eigen rol, onder meer dat zij aan de baard van verdachte heeft getrokken om het dichtknijpen van de keel te stoppen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben in een procesverbaal van bevindingen beschreven dat [slachtoffer] in paniek was, dat zij vertelde dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij haar keel had dichtgeknepen en dat zij bang voor hem is. Getuige [getuige] heeft na het incident gezien dat [slachtoffer] huilde, dat het haar van [slachtoffer] in de war zat en dat haar kleding gescheurd was en [getuige] hoorde dat [slachtoffer] hoog in haar ademhaling zat. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven. Daar komt bij dat de eerste verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door een brief van [slachtoffer] aan het Openbaar Ministerie, die op 1 december 2025 is ontvangen, waarin zij heeft geschreven dat zij een zeer heftige ruzie heeft gehad met verdachte waarbij geweld is gebruikt en zij bij haar keel is gepakt. Over wurgseks wordt in deze brief niet gesproken.\n\nVerdachte heeft in de politieverhoren ontkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt bij de keel en haar keel heeft dichtgeknepen. Voor het eerst ter terechtzitting op 18 juni 2026, nadat [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wurgseks heeft gehad met verdachte, heeft verdachte verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen, maar dat hij dit deed met instemming van [slachtoffer] tijdens wurgseks. De rechtbank beschouwt de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en het feit dat hij deze verklaring pas heeft afgelegd nadat [slachtoffer] ter zitting een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte en aanvullende verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 1\n\nVervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de aangifte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier en of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in het procesverbaal van bevindingen van de politieagenten die aangeefster hebben aangetroffen na het incident, de forensischmedische omschrijving van het letsel van aangeefster en de forensischmedische letselrapportage met de interpretatie van het letsel en de toelichting van deskundige G. Reijnen, forensisch arts KNMG, ter terechtzitting.\n\nDe politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben de emoties en angst bij [slachtoffer] waargenomen. Ook komt de verklaring van [slachtoffer] tegenover de politieagenten over de geweldshandelingen overeen met wat zij later in haar aangifte heeft verklaard.\n\nTijdens het forensischmedisch onderzoek is geconstateerd dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in de nek, een huidbeschadiging op de kin en krasletsels op de hals had en dat sprake was van een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het linkeroog. Bij de letselinterpretatie werd ook een puntbloeding (petechie) in het linkeroog gezien. Deskundige Reijnen heeft beschreven dat de bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de huidbeschadiging op de kin kunnen worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Een puntbloeding kan ontstaan als de halsaderen (links en rechts) met enige kracht, gedurende tenminste 10 tot 30 seconden worden dichtgedrukt. De vastgestelde letsels met de heesheid en het urineverlies kunnen passen bij het scenario van verwurging. Op de vraag hoe gevaarlijk het letsel is dat had kunnen optreden, heeft de deskundige beschreven dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en\u002Fof krasletsel. Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van de niet-fatale verwurging bij [slachtoffer] kan op basis van de letsels (bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd en daarom heeft de rechtbank ook acht geslagen op wat de deskundige in aanvulling op het rapport heeft toegelicht over het risico van verwurging.\n\nTijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft deskundige Reijnen in aanvulling op zijn deskundigenrapport toegelicht dat het ontstaan van een puntbloeding in het oog minder waarschijnlijk is bij het scenario van wurgseks, zoals daarover door [slachtoffer] ter terechtzitting is verklaard, dan bij het scenario van onvrijwillig verwurging. [slachtoffer] heeft ter zitting verklaard dat het wurgen tijdens de wurgseks vijf tot tien seconden duurde. Een puntbloeding ontstaat na minstens tien seconden verwurging. Het ontstaan van de puntbloeding is volgens de deskundige wel te verklaren door het scenario van onvrijwillige verwurging waarbij de keel tien tot twintig seconden is dichtgeknepen, zoals door [slachtoffer] in de aangifte en de aanvulling daarop is verklaard. Wat betreft het gevaar van verwurging heeft de deskundige toegelicht dat bewusteloosheid al na tien seconden verwurging kan optreden. Het is niet in zijn algemeenheid te zeggen hoelang het duurt tot de dood intreedt bij bewusteloosheid door verwurging; de dood kan plots intreden als de bloeddoorstroming naar de hersenen door de verwurging is onderbroken. Bij vrijwel iedere verwurgingshandeling is daarom levensgevaar aan de orde.\n\nGelet op het feit dat verdachte twee keer met kracht [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt, waarvan de eerste keer minstens tien seconden, waarbij [slachtoffer] het gevoel had dat zij niet meer kon ademen en bloeduitstortingen in de hals en nek zijn ontstaan, en het volgens de deskundige aannemelijk is dat daardoor de puntbloeding in het oog is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte niet zelf de keel van [slachtoffer] heeft losgelaten, maar dat zijn vriend hem de eerste keer wegtrok en dat hij de tweede keer losliet, omdat aangeefster in zijn gezicht krabde en aan zijn baard trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.\n\nDe rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nOverwegingen ten aanzien van feit 2\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, en het feit dat de verdediging zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 3\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026;\n\nhet procesverbaal van bevindingen van 22 november 2025, pagina 104;\n\ngeschriften, te weten NFiDENT rapporten van 25 november 2025, pagina 169173.\n\n3.4. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,\n\nmeermalen de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2\n\nhij op meerdere momenten op 22 november 2025 te Zwolle,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- meermalen de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;\n\n- die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar schouder te slaan,\n\n- die [slachtoffer] meermalen aan haar haren te trekken,\n\n- die [slachtoffer] meermalen een knietje tegen haar hoofd te geven,\n\n- die [slachtoffer] met een blikje cola tegen haar (achter)hoofd te slaan,\n\n- die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en\n\n- die [slachtoffer] in haar arm en hand te bijten;\n\n3\n\nhij op 22 november 2025 te Zwolle,\n\nopzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,13 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3\n\nhet misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n5. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.\n\n6. De op te leggen straf of maatregel\n\n6.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 1 mei 2026.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor een gebied rondom haar woning, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.\n\n6.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf deze voorwaardelijk op te leggen voor zover de duur ervan langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van maximaal twee jaren op te leggen.\n\n6.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het mishandelen van zijn (ex-)partner [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij twee keer de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen waardoor de kans bestond dat zij zou overlijden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen [slachtoffer] en hij liep nog in een proeftijd van die veroordeling, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw geweld te plegen tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat [slachtoffer] na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij veiliger is in een relatie met verdachte dan wanneer zij de relatie verbreekt en dat zij bang is dat verdachte haar zal doden. Verdachte heeft weinig inzicht getoond in de ernst van de feiten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 14 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en een misdrijf op grond van de Opiumwet. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling vanwege huiselijk geweld toen hij de nieuwe feiten pleegde. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2026. De reclassering heeft beschreven dat sprake is van een beginnend delictpatroon van huiselijk geweld. De voornaamste delictgerelateerde factoren zijn het psychosociaal functioneren van verdachte en de relatiedynamiek met aangeefster. De relatie is volgens verdachte en aangeefster inmiddels beëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering acht het zorgwekkend dat verdachte en aangeefster contact met elkaar blijven houden, mede gelet op de eerdere veroordeling van verdachte voor huiselijk geweld tegen aangeefster. De reclassering adviseert om diagnostiek en behandeling in te zetten, zodat verdachte risicosignalen leert te herkennen en handvatten aanleert om nieuwe geweldsincidenten, bijvoorbeeld in toekomstige partnerrelaties, te voorkomen. De reclassering adviseert daarnaast een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. Ook adviseert de reclassering om als voorwaarde op te leggen dat verdachte meewerkt aan controles op het gebruik van verdovende middelen, zodat er zicht komt op zijn middelengebruik.\n\nGezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een langere gevangenisstraf en een langer onvoorwaardelijk strafdeel rechtvaardigt dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nTot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , tenzij het contact plaatsvindt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van en onder toezicht van de reclassering. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert twee weken hechtenis op, met een maximum van zes maanden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zal de rechtbank geen 38vmaatregel opleggen in de vorm van een locatieverbod.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen aangeefster en uit het reclasseringsadvies blijkt dat hij nog steeds contact onderhoudt met aangeefster, terwijl dat een risicofactor is voor herhaling.\n\n7. De vordering tenuitvoerlegging\n\n7.1. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering onder parketnummer 08.266989.23 tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken toe te wijzen.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.\n\n7.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.\n\n8. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 55 Sr.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\npoging tot doodslag;\n\nen\n\nmishandeling;\n\nfeit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van40 (veertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nDe rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de\n\nproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden\n\nniet is nagekomen:\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:\n\n- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en\n\nzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] ;\n\n- zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Transfore of\n\neen soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Indien er vanuit de middelencontroles blijkt dat er sprake is van problematisch middelengebruik, dan kan de aanpak daarvan eveneens onderdeel uitmaken van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer]\n\n , geboren op [geboortedatum 2] 2000, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;\n\n- zich niet bevindt aan de [adres 4] en op het deel van de [adres 5] dat is gelegen tussen de [adres 4] , te [plaats] . Dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.\n\n- meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren\n\nbeheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:\n\n- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregel\n\n- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;\n\n- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jarenop geen enkele wijze – direct of\n\nindirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000);\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) wekenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08.266989.23\n\n- beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegdegevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Kuil is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid OostNederland van 9 april 2026 met nummer 2025566569. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Pagina 16.\n\n Pagina 17.\n\n Pagina 18.\n\n Pagina 94.\n\n Pagina 128.\n\n Pagina 129.\n\n Pagina 66.\n\n Pagina 67.\n\n Pagina 81.\n\n Pagina 5-6 van de letselrapportage.\n\n Pagina 16 van de letselrapportage.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3812","ecli-nl-rbove-2026-3812",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]