[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-5550":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-5550":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1036","ECLI:NL:RBROT:2026:5550","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11671332 VZ VERZ 25-3047\n\ndatum uitspraak: 12 mei 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nvestigingsplaats: Vlaardingen,\n\nverzoekster en verweerster,\n\ngemachtigde: mr. T. Koomen,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nwoonplaats: Zoetermeer,\n\nverweerster en verzoekster,\n\ngemachtigde: mr. S.P. Koerselman.\n\nDe partijen worden hierna “werkgever” en “werkneemster” genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van werkgever (ontvangen op 25 april 2025), met bijlagen 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift van werkneemster met voorwaardelijk tegenverzoek (ontvangen op 20 augustus 2025), met bijlagen 1 t\u002Fm 15;\n\nde akte houdende overlegging producties tevens aanvulling op het verweerschrift met tegenvordering, met bijlagen 1 t\u002Fm 51;\n\nde spreekaantekeningen van werkgever van de zitting van 24 november 2025;\n\nde spreekaantekeningen van werkneemster van de zitting van 24 november 2025;\n\nde zittingsaantekeningen van de zitting van 24 november 2025;\n\nhet wrakingsverzoek van werkneemster;\n\nde reactie van de kantonrechter op het wrakingsverzoek;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlagen 52 t\u002Fm 55;\n\nde brief van werkgever, met bijlagen 18 en 19;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlagen 58 t\u002Fm 61;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlage 62;\n\nde spreekaantekeningen van werkgever van de zitting van 7 april 2026;\n\nde spreekaantekeningen van werkneemster van de zitting van 7 april 2026.\n\n1.2.. De kantonrechter die aanvankelijk de zaak behandelde heeft zich neergelegd bij de wraking. Op 7 april 2026 is de zaak opnieuw tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.\n\n2. Waar gaat de zaak over?2.1.. Werkneemster is vanaf 17 oktober 2022 bij werkgever in dienst als teammanager Informatiebeheer. Werkgever heeft naar aanleiding van een incident met een medewerker onderzoek laten doen naar onder meer de werksfeer binnen het team Informatiebeheer (hierna: “team IB”). Dit onderzoek is afgerond op 23 december 2024.\n\n2.2.. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden, primair omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door werkneemster (e-grond) en subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Meer subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond).\n\n2.3.. Werkneemster is het niet eens met het ontbindingsverzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt werkneemster om de werkgever te veroordelen om een transitievergoeding te betalen. Ook verzoekt werkneemster in dat geval om een billijke vergoeding van € 450.000,- bruto. Volgens werkneemster is de ontbinding namelijk het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever.\n\n2.4.. Werkneemster verzoekt de kantonrechter verder op grond van artikel 22 Rv te gelasten dat werkgever inlichtingen moet verstrekken zoals door haar is verzocht aan werkgever, althans toegang te verstrekken tot haar werktelefoon en zakelijke e-mails, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat die toegang niet wordt verleend, met een maximum van € 50.000,-.\n\n3. Wat is er gebeurd?3.1.. In april 2024 hebben [naam 1] , directeur bedrijfsvoering en leidinggevende van werkneemster (hierna: “directeur bedrijfsvoering”) en het hoofd HRM intern onderzoek gedaan. Aanleiding voor het onderzoek waren een bedreigende opmerking van een ingehuurde medewerker in het team van werkneemster, die een collega dreigde “op zijn bek te slaan”, en geruchten over de werksfeer binnen team IB. Van de bevindingen is een verslag opgesteld. In dit verslag staat onder meer:\n\n“De medewerkers beschrijven hun teammanager als een warme en betrokken persoon met een hart van goud. Helaas voelen niet alle teamleden zich vrij om volledig open te zijn, uit angst voor contractbeëindiging. Ook willen ze zichzelf beschermen om uitputting te voorkomen. Sommige medewerkers vinden de communicatie van de teammanager intens; als ze iets niet weet, kan ze fel reageren. Volgens sommigen heeft dit zelfs geleid tot het vertrek van enkele collega’s, omdat ze alles persoonlijk lijkt op te vatten in plaats van er lessen uit te halen.”\n\n3.2.. Op 7 mei 2024 heeft een bijeenkomst van team IB plaatsgevonden. Bij deze bijeenkomst waren 10 medewerkers aanwezig en daarnaast de directeur bedrijfsvoering en een HR adviseur. Van de bijeenkomst is een verslag opgemaakt. In het verslag staat onder meer:\n\n“Het algemene beeld dat naar voren komt tijdens deze bijeenkomst is dat er binnen\n\nhet team een gevoel van onveiligheid en onrust heerst, en dat er grote behoefte is aan rust en veiligheid.”\n\n3.3.. Bij brief van 8 mei 2024 is werkneemster geschorst voor haar werkzaamheden en is aan haar een officiële waarschuwing opgelegd. In de brief staat onder meer:\n\n “In de afgelopen maanden hebben zich met betrekking tot jouw functioneren\n\nmeerdere incidenten voorgedaan, die wij als organisatie niet kunnen tolereren en die haaks staan op de waarden en normen die wij nastreven.\n\nIn het najaar van 2023 is er een conflict ontstaan tussen jou en drie andere managers, waarbij jij aangaf je ernstig benadeeld te hebben gevoeld. Er is namens ons een mediationtraject opgestart tussen jou en de andere managers. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.\n\nVervolgens ben jij naar je leidinggevende gestapt, omdat één van de managers waarmee jij een conflict hebt jou op een datingsite zou hebben geliked. Je leidinggevende is verhaal gaan halen bij deze manager. Hij ontkent dat hiervan sprake is. Je leidinggevende heeft vervolgens aan jou gevraagd om bewijs te leveren van de beschuldiging die jij doet naar jouw collega manager. Je geeft aan dit bewijs niet meer te hebben.\n\nOok heb je in januari van dit jaar via de mail een onsubtiele reactie gestuurd naar de gemeentearchivaris, waarbij je zes collega’s in deze mailwisseling meeneemt. Over deze situatie is beklag gedaan bij jouw leidinggevende. In de tussentijd is er een intern onderzoek gestart naar de samenwerking en veiligheid binnen jouw team, er loopt een verbetertraject ten aanzien van jouw functioneren en jij hebt je onlangs ziek gemeld.\n\nOp 6 mei jl. heeft zich opnieuw een voorval voorgedaan tussen jou en een nieuwe medewerker. Zij is sinds een aantal dagen onder jouw leiding bij ons in dienst. Je hebt haar op een dwingende wijze apart genomen in een spreekkamer. Je hebt aan haar kenbaar gemaakt dat jij niet wil dat zij omgaat met de coördinator, of naar haar luistert, omdat zij in een seksschandaal verwikkeld zou zijn met jouw leidinggevende en hier een onderzoek naar loopt. Je hebt aangegeven dat iedereen op de afdeling hiervan op de hoogte is en er kapot van is en jij om deze reden afgelopen week ziek bent geweest. Vervolgens zeg je tegen diezelfde medewerker dat je dit haar in vertrouwen vertelt en zij dit niet met anderen mag delen. Zij is hiervan erg geschrokken en overstuur geraakt en via een andere collega heeft zij hiervan melding gemaakt bij jouw leidinggevende.\n\nNaar aanleiding van dit voorval is je leidinggevende het gesprek met jou aangegaan. Hij heeft je gevraagd waarom je dit verhaal vertelt aan deze nieuwe medewerker. Je gaf in eerste instantie aan dat hij zich niet moet bemoeien met jouw zaken. Hij heeft je hierop nogmaals gevraagd waarom je dit verhaal hebt verteld aan de medewerker en of je hiervan ook bewijs hebt.\n\nDit bewijs heb je niet. Het blijken volgens jou roddels te zijn die rond zouden gaan in het team. Later geef je aan dat je denkt dat de coördinator jouw baan als leidinggevende zou willen overnemen. Dit voorval heeft ertoe geleid dat de HR-adviseur en jouw leidinggevende opnieuw in gesprek zijn gegaan met de medewerkers binnen jouw team. Hieruit komt een beeld naar voren dat jij stelselmatig bezig bent om bepaalde medewerkers in een kwaad daglicht te stellen. Een aantal medewerkers zou om deze reden al vertrokken zijn. Het blijkt ook dat jij het verhaal over het seksschandaal aan meerdere medewerkers hebt verteld. Ook heb jij een manager hiervan op de hoogte gebracht. Voor alle betrokkenen aan wie jij dit hebt verteld geldt dat zij geschokt zijn en totaal niet weten hoe de samenwerking met jou op een goede manier kan worden voortgezet. Een aantal medewerkers geeft aan niet vrijuit met jou te durven praten uit angst voor beëindiging van hun contract of opdracht. Al met al heerst er binnen het team een sterk gevoel van onrust en onveiligheid. Dit terwijl er juist behoefte bestaat aan rust en veiligheid.”\n\n3.4.. Op 15 mei 2024 heeft werkneemster een klachtbrief van 15 pagina’s per e-mail en per aangetekende post aan de gemeentesecretaris gestuurd, met als onderwerp “klachten over mijn leidinggevende”. Werkneemster schrijft onder andere over zelfverrijking door collega’s en dat verschillende medewerkers seksuele relaties onderhouden (dan wel onderhielden). Werkneemster schrijft onder meer over een relatie tussen haar leidinggevende (de directeur bedrijfsvoering) met een aan haar ondergeschikte medewerkster ( [naam 2] ). Uit de brief blijkt ook dat werkneemster de volgende appberichten aan de directeur bedrijfsvoering heeft gestuurd:\n\n“Hoi […], ik heb begrepen van aantal medewerkers van het team dat je vorige week 6 keer bent geweest, op zoek naar [naam 3] want je had chocolade voor haar. Omdat ze afwezig was, had je [naam 4] gevraagd om haar privé nummer – die is aan jou gegeven.\n\n[…], gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden? Ik vind dit respectloos en vernederend naar mij toe. Ik accepteer dit niet van jullie beiden. (…)”\n\n“Dit gaat niet over [naam 5] en [naam 3] . Dit gaat over jou en [naam 3] . Want jullie hebben common understanding. En je wil haar tegemoet komen met mijn functie – toch? Dat gaat niet gebeuren, […]\n\nIk snap nu waarom zij aangeeft dat ik een verloren zaak ben en dat zij binnenkort de nieuwe teammanager IB wordt.\n\n[…], ik heb slecht nieuws voor jou: je kan noch mijn positie noch mijn functie van mij wegnemen. En vooral niet op deze manier. Trust me on that.\n\nLaat mij met rust. Blijf van mij en mijn team af. Gun mij de rust om te herstellen.\n\nEnjoy your common understanding while it last.\n\n(…)\n\nOh ja, is [naam 6] een verleden tijd? Just checking.”\n\n“Jij [naam directeur bedrijfsvoering], bent mijn probleem.”\n\n3.5.. Op 22 mei 2024 is werkneemster per brief uitgenodigd voor een gesprek op 27 mei 2024. In de brief is medegedeeld dat de schorsing voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen de schorsing.\n\n3.6.. Op 29 mei 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkgever en werkneemster en haar gemachtigde. In overleg met werkneemster is de schorsing omgezet in buitengewoon verlof.\n\n3.7.. Op 10 juni 2024 heeft de gemeentesecretaris gesprekken gevoerd met de directeur bedrijfsvoering en [naam 2] . Naar aanleiding van de gesprekken heeft werkgever besloten om een onderzoek te laten uitvoeren door Capra Advocaten.\n\n3.8.. Werkgever heeft de onderzoekers als onderzoeksopdracht\u002F-vraag voorgelegd:\n\n“Breng de feiten en omstandigheden in beeld met betrekking tot de geruchten en\n\nsignalen rondom het team Informatiebeheer. In hoeverre kunnen concrete feiten worden vastgesteld? Maak voorts inzichtelijk hoe de betrokken medewerkers de werksfeer hebben ervaren.”\n\n3.9.. Het onderzoek is gestart op 17 juni 2024. Na een aantal gesprekken hebben de onderzoekers de gemeentesecretaris geïnformeerd over enkele tussentijdse bevindingen en geadviseerd het onderzoek (deels) persoonsgericht te maken, omdat werkneemster door meerdere personen in de gesprekken werd aangewezen als oorzaak voor de (door hen als onveilig ervaren) werksfeer. Werkgever heeft daarmee ingestemd. Werkneemster is hierover bij brief van 10 juli 2024 geïnformeerd. In het kader van het onderzoek zijn in totaal 23 personen gehoord. De definitieve rapportage is uitgebracht op 23 december 2024.\n\n3.10.. Op 21 oktober 2024 heeft werkneemster zich ziek gemeld.\n\n3.11.. Op 28 januari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en de gemeentesecretaris, in aanwezigheid van de gemachtigden en HR. In het gesprek heeft de gemeentesecretaris de onderzoeksbevindingen samengevat en is werkneemster om een reactie gevraagd. Op verzoek van werkneemster heeft werkgever nadien nog een en ander nader uitgezocht.\n\n3.12.. Op 18 februari 2025 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden, waarbij dezelfde personen aanwezig waren. Enkele uren voorafgaand aan dat gesprek heeft de gemachtigde van werkneemster nog een e-mailbericht gezonden met vermeende “onjuistheden” en “onjuiste conclusies”. In het gesprek heeft de gemeentesecretaris kenbaar gemaakt dat hij geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen en dat werkgever de wens heeft om het dienstverband met werkneemster te beëindigen. Werkneemster heeft aangegeven niet open te staan voor een vertrek. Werkgever heeft daarna aangekondigd dat een ontbindingsverzoek zal worden ingediend.\n\n4. De beoordeling\n\nOntbinding\n\n4.1.. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging. Er geldt weliswaar een opzegverbod, maar het verzoek houdt hiermee geen verband. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de beslissing is.\n\nRedelijke grond\n\n4.2.. Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). Werkgever stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster, waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter vindt dat sprake is van deze redelijke grond.\n\n4.3.. Werkgever maakt werkneemster meerdere verwijten. Volgens werkgever heeft werkneemster geruchten verspreid en beschuldigingen geuit over onder meer een “seksschandaal”, waarbij haar leidinggevende (de directeur bedrijfsvoering) en [naam 2] betrokken zouden zijn. Verder heeft werkneemster, zonder voldoende concrete onderbouwing, de integriteit van verschillende collega’s ter discussie gesteld. Volgens werkneemster zouden die collega’s via hun eigen bureaus uitzendkrachten inhuren en er zou sprake zijn van de aanschaf van “spookapplicaties”. Tot slot verwijt werkgever werkneemster dat zij zowel tijdens als na afloop van het onderzoek structureel en aanhoudend vertraagd heeft in haar communicatie en de correspondentie.\n\n4.4.. De kantonrechter ziet aanleiding om eerst de beschuldiging over het vermeende “seksschandaal” te beoordelen. De beschuldigingen die werkneemster heeft geuit over het vermeende “seksschandaal” en\u002Fof een of meer verhoudingen van [naam 2] , met name ook richting de directeur bedrijfsvoering, zijn naar het oordeel van de kantonrechter ernstig te noemen. Zoals blijkt uit r.o. 3.7 heeft werkgever een onderzoek laten uitvoeren door Capra Advocaten. De kantonrechter zal eerst de bezwaren van werkneemster tegen dat rapport bespreken.\n\nHet onderzoeksrapport\n\n4.5.. Anders dan werkneemster heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat het onderzoek deugdelijk is uitgevoerd. Aan het begin van elk interview, zo blijkt uit de verslagen, hebben de onderzoekers gemeld bij de geïnterviewden dat zij een onderzoek uitvoeren in hoedanigheid van advocaat-onderzoekers in het kader van een advies, dat diende ter bepaling van de juridische positie van de gemeente. Het rapport is transparant over de informatie waarover de onderzoekers beschikten. Er zijn niet steeds open vragen gesteld, maar de vragen en antwoorden staan duidelijk in de gespreksverslagen, die integraal als bijlagen bij het rapport zijn opgenomen. Ook zijn gespreksverslagen in concept aan de geïnterviewden toegestuurd ter goedkeuring en konden zij wijzigingen in de tekst voorstellen. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk niet specifiek op werkneemster, maar ook op de werksfeer bij team IB, het personeelsverloop en de start van nieuwe collega’s, de samenwerking van team IB met andere teams (Informatiemanagement, Business Intelligence en ICT), het project “Zaakgericht werken”, de applicatie My-Lex en de inhuur van externe medewerkers.\n\n4.6.. De onderzoekers hebben in het kader van hun onderzoek met 23 personen gesproken, inclusief werkneemster. Zoals werkneemster heeft erkend waren 14 van de geïnterviewden medewerkers in het team waaraan zij leiding gaf. De rest waren collega leidinggevenden en projectleiders met wie werkneemster samenwerkte of heeft samengewerkt. De onderzoekers waren naar het oordeel van de kantonrechter niet gehouden om ook nog de door werkneemster voorgedragen personen te horen. Slechts één van deze personen, [naam 7] , werkte destijds voor team IB, maar is inmiddels met pensioen. Alle andere personen die werkneemster heeft voorgedragen werkten niet voor team IB, team BI, team ICT of team IM. Van een “redelijke wens” om getuigen te laten horen door de onderzoekers, was dan ook geen sprake.\n\n4.7.. Anders dan werkneemster stelt, werpen de vijf getuigenissen die bij mr. Koerselman zijn afgelegd geen totaal ander licht op de toedracht, werkwijze en conclusies van het onderzoek. Naar aanleiding van deze getuigenissen is er dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het rapport niet deugdelijk is en dat er personen die op wezenlijke punten de verklaringen zouden kunnen ontkrachten, niet door de onderzoekers zijn gehoord. Ook is het niet zo dat er louter negatieve verklaringen in het rapport staan. In een aantal verklaringen staan ook positieve passages over werkneemster (“[werkneemster] is een menselijke manager.”,“Ik vind [werkneemster] een betrokken persoon.”,“Ik vond de manier van leidinggeven van [werkneemster] heel fijn en menselijk.”). Deze enkele positieve verklaring kan echter niet opwegen tegen de veel grotere hoeveelheid negatieve verklaringen.\n\n4.8.. Werkneemster heeft tot in de kleinste details commentaar geleverd op de interviewverslagen en de inhoud van het rapport, maar dit geeft met name haar visie op de verklaringen en de gebeurtenissen weer. Dit kan echter niet afdoen aan de inhoud van de eigen verklaringen, zoals de geïnterviewden die hebben gegeven. Dat de onderzoekers hebben geweigerd het rapport volledig conform de wensen van werkneemster aan te passen, is dan ook begrijpelijk.\n\n4.9.. Werkneemster heeft verder nog aangevoerd dat het onderzoek dat werkgever heeft laten uitvoeren ondeugdelijk (namelijk structureel eenzijdig) was en dat zij daardoor reputatieschade heeft geleden. Volgens werkneemster richtte het onderzoek zich vanaf het begin alleen op haar. Dit blijkt volgens haar uit de zeer sturende vragen die zijn gesteld. De aanleiding voor het onderzoek was echter onder meer de klachtbrief van werkneemster, met ernstige aantijgingen jegens meerdere personen. Het is daarom begrijpelijk dat het onderzoek zich met name richtte op de zaken die werden genoemd in de klachtbrief. Ook het feit dat op sommige punten specifieke en gerichte vragen zijn gesteld, is begrijpelijk. Dit vloeit voort uit het feit dat er voorafgaand aan de interviews informatie is verstrekt aan de onderzoekers. Het rapport maakt duidelijk over welke informatie de onderzoekers beschikten. Aan de hand van die informatie zijn de onderzoekers vragen gaan stellen aan de medewerkers. De vragen die tijdens de zitting als “bijzonder sturende vragen” zijn benoemd, zijn dus begrijpelijk in het licht van de informatie waarover de onderzoekers beschikten. Ook maakt het rapport duidelijk dat de verslagen eerst in concept werden toegestuurd en later werden goedgekeurd. Dat de geïnterviewde medewerkers de gelegenheid hebben gekregen om hun verklaring in te zien en deze aan te passen als er volgens hun onjuistheden in stonden is niet ongebruikelijk. Aan haar stelling van werkneemster dat de directeur tijdens een lunchbijeenkomst tegen medewerkers heeft gezegd dat zij hun verklaring moesten aanpassen omdat deze niet negatief genoeg zou zijn, heeft werkneemster geen verdere handen en voeten gegeven. Het had op de weg van werkneemster gelegen om hierover verklaringen van de betrokken medewerkers in het geding te brengen. Dat heeft werkneemster niet gedaan.\n\nHet “seksschandaal” en de geruchten die werkneemster hierover heeft verspreid\n\n4.10.. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er enig bewijs is voor het bestaan van een “seksschandaal” of van een affaire tussen [naam 2] en de directeur bedrijfsvoering en\u002Fof andere collega’s. Werkgever heeft uitgebreid onderzoek laten doen en in het kader van dat onderzoek is met allerlei betrokkenen gesproken. Alleen [naam 8] heeft verklaard dat de directeur bedrijfsvoering een keer chocolade naar [naam 2] heeft gebracht, maar haar verklaring is niet bevestigd door [naam 9] , die ook bij de bewuste gebeurtenis aanwezig zou zijn geweest. [naam 9] heeft verklaard dat zij toen geen chocolade heeft gezien en ook dat zij het niet speciaal vond dat de directeur bedrijfsvoering op zoek was naar [naam 2] . Overigens is de kantonrechter van oordeel dat het eenmalig brengen van chocolade naar een medewerkster ook nog niet betekent dat er sprake is van een affaire, maar dat terzijde. Uit het onderzoek is in elk geval niet gebleken dat er enig bewijs is voor het bestaan van een “seksschandaal” of van de door werkneemster genoemde affaire(s).\n\n4.11.. Meerdere medewerkers hebben verklaard het verhaal over het “seksschandaal” onwaarschijnlijk te vinden. Dat blijkt onder meer uit de volgende verklaringen:\n\n“Volgens [werkneemster] was [naam 3] zich omhoog aan het werken door met verschillende mensen van de organisatie het bed te delen. Dat verhaal geloof ik niet.”( [naam 10] )\n\n“ [naam 3] zou een relatie hebben gehad met meerdere collega’s. Ik geloof geen woord van dat gerucht.”( [naam 11] )\n\n“Je bent op een verkeerd tijdstip begonnen, want je bent betrokken geraakt bij een seksschandaal’. (...) [naam 3] had ik op mijn meeloopdag ontmoet en toen [werkneemster] het verhaal vertelde, dacht ik gelijk: dit kan niet waar zijn.”( [naam 12] )\n\n“(...) De roddel ging over een seksschandaal waar [naam 3] bij betrokken was. Ik gaf aan dat ik de roddel niet geloofde en dat ik dit niet wilde horen.”( [naam 13] )\n\n“Ik weet niet of dat klopt, maar het verhaal over de verhouding lijkt me totaal onwaarschijnlijk.”( [naam 14] )\n\n“[Bent u bekend met geruchten over affaires in de gemeente?] Ja, van roddel en achterklap. Ik heb gehoord dat [werkneemster] mensen beschuldigt, maar ik heb daar nooit iets over gezien of gehoord.”( [naam 15] )\n\n4.12.. Uit verklaringen van meerdere personen blijkt dat werkneemster diverse collega’s “in vertrouwen” heeft verteld over het vermeende “seksschandaal”, terwijl hiervoor geen bewijs is aangetroffen. Werkneemster heeft dit met meerdere personen besproken en sommigen zelfs al op een van hun eerste werkdagen hierover geïnformeerd.\n\n4.12.1.. \n\n [naam 16] heeft hierover verklaard:\n\n“[werkneemster] vertelde dat er iets is tussen [voornaam directeur bedrijfsvoering] en [naam 3] . (…) [werkneemster] heeft [naam 17] , [naam 8] en mij gevraagd om naar een kamer te komen. Toen heeft ze verteld over het seksschandaal tussen [naam directeur bedrijfsvoering] en [naam 3] .”\n\n4.12.2.. \n\n [naam 8] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik heb over het seksschandaal gehoord van [werkneemster]. [werkneemster] heeft mensen apart genomen om ze te vertellen over het seksschandaal en ze heeft daarbij Whatsapp-berichten laten zien op haar telefoon. (…) [werkneemster] had informatie van andere managers ontvangen. Zij is door diverse mensen aangesproken over het gedrag van [naam 3] . (…) Ik was met [naam 16] , [naam 17] en [werkneemster]riep ons apart om de geruchten te vertellen.”\n\n4.12.3.. \n\n [naam 11] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik liep de werkkamer binnen en toen was er een gesprek gaande tussen [naam 3] , [naam 5] en [naam 13] . Ik vroeg wat er was gebeurd en toen vertelde [naam 13] dat [werkneemster] haar het gerucht had verteld. Ik heb het gerucht niet direct van [werkneemster] zelf gehoord.”\n\n4.12.4.. \n\n [naam 18] heeft hierover verklaard:\n\n“[Er is een gerucht rondgegaan over [naam 3] , weet u waar dat over gaat?]\n\nJa, over affaires met Jan en alleman. Dat is een bekend patroon van [werkneemster]. [werkneemster] heeft dit ook gezegd bij haar vorige werkgever over een paar dames met wie ze in Leiden een conflict had. Twee van mijn toenmalige collega's uit Leiden, [naam 19] en [naam 20] , hadden volgens [werkneemster] verkering met de manager. Dat gaat bij mij het ene oor in en het andere oor uit. Ik geloof daar niets van. [werkneemster] gooit een bommetje en kijkt hoe dat eindigt.”\n\n4.12.5.. \n\n [naam 3] [naam 2] heeft hierover verklaard:\n\n“[Wanneer bent u op de hoogte geraakt van dat gerucht?]\n\nDat ging heel apart. Ik had [naam 5] gebeld en toen zei ze ‘kom maar even’. [naam 5] was in gesprek met [naam 13] en [voornaam directeur bedrijfsvoering]. Zij hebben mij toen ingelicht van het gerucht dat ik een relatie zou hebben met meerdere mannen. Ik wist toen nog niet met wie ik volgens [werkneemster] een relatie zou hebben gehad, want ik was bezig met het troosten van [naam 13] . Pas toen ik de stukken had gelezen, hoorde ik van de beschuldigingen.”\n\n4.12.6.. \n\n [naam 13] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik was aan het werken in de postkamer en [werkneemster] kwam s ‘ochtends rond 09.00 langs om te vragen of ik die ochtend tijd had om even met haar te praten. Ze wilde een kort kennismakingsgesprekje houden, want dat doet ze met alle nieuwe collega’s. Ze vroeg het ook aan mijn collega, [naam 12] , want hij was ook nieuw. Nog geen half uur later liep ik met [naam 3] naar boven om naar de kamer van IB te gaan en toen kwamen we [naam werkneemster] tegen op de derde verdieping. [werkneemster] trok mij vervolgens aan mijn arm mee naar een lege kamer, want ze wilde gelijk met me praten. [werkneemster] zei toen dat ze absoluut niet wilde dat ik met [naam 3] omging, want er was een roddel over haar. De roddel ging over een seksschandaal waar [naam 3] bij betrokken was.” [Wat heeft [werkneemster] u verteld over het seksschandaal?] “[werkneemster] zei dat [naam 3] met meerdere mensen van het werk seksueel contact zou hebben gehad. [werkneemster] heeft geen namen genoemd.”\n\n4.12.7.. \n\n [naam 12] heeft het volgende verklaard over zijn eerste werkdag:\n\n“Na ongeveer een uur kwam [werkneemster] mij gedag zeggen in de postkamer. Met een heel serieuze blik zei ze: ‘Kan ik je zo even spreken?’. (...) [werkneemster] begon haar verhaal met: “Ik moet je mijn excuses aanbieden. Je bent op een verkeerd tijdstip begonnen, want je bent betrokken geraakt bij een seksschandaal”. Ik wist niet waar [werkneemster] het over had dus ik vroeg wat ze bedoelde. [werkneemster] zei dat het ging over [naam 3] en [directeur bedrijfsvoering] en dat ze zich daarom had ziekgemeld.”\n\n4.13.. Werkneemster heeft betwist dat zij de geruchten over het “seksschandaal” heeft verspreid. Volgens haar ging deze roddel rond in het team en heeft zij juist geprobeerd verspreiding te voorkomen door expliciet aan te geven dat de informatie niet verder mocht worden gedeeld. Dat blijkt echter niet uit de verklaringen die zijn afgelegd in het kader van het onderzoeksrapport, integendeel. Gelet op de inhoud en de onderlinge consistentie van de afgelegde verklaringen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat werkneemster wel degelijk degene is geweest die deze geruchten heeft verspreid. Verder staat vast dat werkneemster een uitgebreide brief naar de gemeentesecretaris en de wethouder heeft gestuurd. In deze brief staat onder meer dat [naam 2] intieme relaties heeft gehad met zes collega’s, waaronder de directeur bedrijfsvoering, en dat de directeur bedrijfsvoering aan haar de positie van werkneemster heeft beloofd. Werkneemster heeft ook twee medewerkers van de postkamer, die daar net waren begonnen, geïnformeerd over deze brief. Dat werkneemster dit heeft gedaan om verdere verspreiding van het gerucht te voorkomen is gelet op alle bovenstaande verklaringen ongeloofwaardig. Uit die verklaringen blijkt juist dat werkneemster het gerucht breed heeft uitgemeten. Overigens hebben de onderzoekers ook geen aanwijzingen gevonden voor de vermeende belofte van de directeur bedrijfsvoering aan [naam 2] , dat zij de functie van werkneemster zou krijgen. Dat uit het rapport volgt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor een “seksschandaal”, sluit niet uit dat werkneemster wel valse geruchten heeft verspreid. De omstandigheid dat voor de inhoud van het gerucht geen feitelijke grondslag is gebleken, betekent niet dat van verspreiding daarvan geen sprake kan zijn. Integendeel, juist het ontbreken van een feitelijke grondslag maakt dat sprake is van een valsgerucht. Op basis van bovengenoemde verklaringen kan er geen twijfel over zijn dat werkneemster de valse geruchten heeft verspreid. Overigens staat ook met zoveel woorden in het rapport dat werkneemster het gerucht over een “seksschandaal” heeft verspreid, terwijl er geen aanwijzingen zijn gevonden voor zo’n schandaal. Terzijde merkt de kantonrechter nog op dat, ook als er wel sprake zou zijn geweest van een feitelijke basis voor de beschuldigingen van werkneemster over promiscue gedrag van een van haar medewerksters in haar team, al dan niet (ook) met de leidinggevende van werkneemster, nog steeds niet valt in te zien waarom werkneemster als manager van het team dit met allerlei collega’s binnen het team heeft besproken. Dit is een manager onwaardig gedrag.\n\n4.14.. \n\nWerkneemster heeft – naast het verspreiden van valse geruchten – ook ongepaste appberichten gestuurd aan de directeur bedrijfsvoering, haar direct leidinggevende. Zo heeft zij bijvoorbeeld geschreven: “[naam directeur bedrijfsvoering], gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden?”Daarbij heeft zij de kwestie in het persoonlijke getrokken door te schrijven “Ik vind dit respectloos en vernederend naar mij toe.”. Haar uitleg tijdens de zitting waarom zij dit zo ziet – kort gezegd dat de directeur bedrijfsvoering de rust en harmonie in het team zou verstoren en daarmee geen respect zou hebben voor wat werkneemster heeft gedaan en dat andere medewerkers, die al langer in dienst zijn dan [naam 2] , geen aandacht van de directeur bedrijfsvoering krijgen –\n\n is geen toereikende noch redelijke verklaring voor haar gedrag. Door woorden als “respectloos en vernederend” te gebruiken heeft zij de kwestie enorm opgeblazen en uit haar manier van communiceren (“Jij [naam directeur bedrijfsvoering], bent mijn probleem.”) blijkt ook een gebrek aan respect voor hiërarchische verhoudingen.\n\n4.15.. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten van werkneemster en dat daarmee sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Van werkgever kan redelijkerwijs niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met werkneemster voort te zetten.\n\nErnstige verwijtbaarheid\n\n4.16.. Vervolgens rijst de vraag of voornoemde gedragingen kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake; de lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt hoog. Tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen, is de kantonrechter echter van oordeel dat deze lat gehaald is. Werkneemster heeft als teammanager binnen de gemeente een voorbeeldfunctie. Aan haar gedrag mag werkgever hoge eisen stellen. De onacceptabele gedragingen van werkneemster ten aanzien van het vermeende “seksschandaal”, zoals hierboven beschreven, worden, in onderlinge samenhang bezien, als ernstig verwijtbaar aangemerkt. Werkneemster heeft het gerucht over het “seksschandaal” verspreid en medewerkers ook gewaarschuwd voor de persoon van [naam 2] , in het geval van [naam 12] zelfs op zijn eerste werkdag en in het geval van [naam 13] in haar eerste werkweek. Werkneemster heeft ook geprobeerd haar leidinggevende, de directeur bedrijfsvoering, ernstig in diskrediet te brengen. Werkneemster heeft in haar klachtbrief het bestaan van een affaire tussen de directeur bedrijfsvoering en [naam 2] in verband gebracht met de belofte dat zij de functie van werkneemster zou krijgen, terwijl de onderzoekers geen aanwijzingen hebben gevonden dat deze belofte is gedaan. Ook heeft werkneemster haar leidinggevende op een hele botte manier (“gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden?”) beschuldigd van het hebben van een (seksuele) relatie met een ondergeschikte. Door ernstige, valse geruchten te verspreiden is werkneemster ver over de schreef gegaan. Werkneemster heeft niet alleen de door haar beschuldigde medewerker en haar leidinggevende door haar handelwijze ernstig geschaad, maar ook voor veel onrust en wantrouwen binnen team IB gezorgd. Van een leidinggevende als werkneemster bij de gemeente mag voorbeeldgedrag en integer handelen worden verwacht en werkneemster heeft het tegenovergestelde laten zien.\n\n4.17.. De overige verwijten die werkgever aan werkneemster heeft gemaakt hoeven niet meer besproken te worden, aangezien de gedragingen van werkneemster rondom het “seksschandaal” naar het oordeel van de kantonrechter al kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen en de arbeidsovereenkomst op deze grond wordt ontbonden.\n\nGeen herplaatsing\n\n4.18.. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster ligt herplaatsing niet in de rede en kan dit dan ook niet van werkgever worden gevergd (artikel 7:669 lid 1 BW).\n\nGeen verband met opzegverbod tijdens ziekte\n\n4.19.. Er is geen sprake van verband met een opzegverbod (artikel 7:671b lid 6 BW). Werkneemster is weliswaar arbeidsongeschikt en was dat ook al op het moment van het indienen van het ontbindingsverzoek, maar er is naar het oordeel van de kantonrechter geen verband tussen het ontbindingsverzoek en de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Het kan best zo zijn dat haar neiging om kortaf te reageren, snelle boosheid en (geëmotioneerd) weglopen uit overleggen verband houdt met (ernstige) pijnklachten dan wel de medicatie die werkneemster daarvoor gebruikt, maar het is niet gebleken dat de gedragingen van werkneemster rondom het verspreiden van valse geruchten over het “seksschandaal” enig verband houden met haar chronische ziekte. De hiervoor beschreven (ernstig) verwijtbare gedragingen van werkneemster houden geen enkel verband met de ziekte van werkneemster. Zij heeft zich overigens ook pas ziekgemeld ruim vijf maanden na haar schorsing. Ook het onderzoek liep toen al ruim vier maanden. Dit betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.\n\nGeen verboden onderscheid chronische ziekte\n\n4.20.. Werkneemster stelt zich verder nog op het standpunt dat zij zich gediscrimineerd voelt vanwege haar chronische ziekte. Zij heeft in dit verband onder meer gesteld dat zij represailles in de zin van artikel 9a van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte heeft ondervonden na het indienen van haar klacht. Daarvan is de kantonrechter echter niets gebleken. Zoals uit wat hiervoor is overwogen blijkt, vinden het door werkgever ingestelde onderzoek en het daaropvolgende ontbindingsverzoek hun grondslag in objectieve omstandigheden, die geen verband houden met de chronische ziekte van werkneemster. Van verboden onderscheid is dan ook geen sprake.\n\nDatum einde arbeidsovereenkomst\n\n4.21.. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op vandaag (artikel 7:671b lid 9 BW). Er wordt geen rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van de procedure, omdat sprake is van ernstige verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster.\n\nGeen transitievergoeding\n\n4.22.. Werkgever hoeft geen transitievergoeding aan werkneemster te betalen omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster (artikel 7:673 lid 7 BW).\n\nDe overige verwijten van werkneemster aan werkgever\n\n4.23.. Werkneemster maakt in haar verweerschrift en aanvullend verweerschrift nog allerlei andere verwijten aan werkgever. Dit gaat onder meer over schending van re-integratieverplichtingen, het ontbreken van een verbetertraject, pestgedrag, het niet verplichten van mede MT-leden tot mediation en inhuur van medewerkers op het teambudget van werkneemster, terwijl zij werkten voor andere teams. De kantonrechter is van oordeel dat het gestelde handelen, dat overigens door werkgever gemotiveerd is betwist, de hoge lat van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van werkgever niet haalt. Uit het voorgaande mag duidelijk zijn dat het verzoek van werkneemster om een billijke vergoeding ten laste van werkgever toe te kennen, dus wordt afgewezen. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster en niet andersom.\n\nVerzoek om stukken en\u002Fof toegang tot werktelefoon en zakelijke e-mails\n\n4.24.. Het verzoek van werkneemster op grond van artikel 22 Rv wordt afgewezen. Artikel 22 Rv geeft de rechter de bevoegdheid een partij te bevelen bescheiden over te leggen. De kantonrechter ziet geen aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken. Werkgever heeft er in dit verband op gewezen dat werkneemster geen gebruik heeft gemaakt van de bezwaarmogelijkheid die de Wet open overheid biedt. Verder is onvoldoende onderbouwd door werkneemster dat zij voldoende belang heeft bij de verzochte stukken. Hetzelfde geldt voor de toegang tot de werktelefoon en zakelijke e-mails.\n\nProceskosten\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van werkneemster, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter begroot de kosten die werkneemster aan werkgever moet betalen op € 135,- aan griffierecht en € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.433,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.26.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per vandaag;\n\n5.2.. veroordeelt werkneemster in de proceskosten, die aan de kant van werkgever worden begroot op € 1.433,-;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n26975","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5550","ecli-nl-rbrot-2026-5550",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]