[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-6340":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-6340":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1685","ECLI:NL:RBROT:2026:6340","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718518 \u002F KG ZA 26-381\n\nVonnis in kort geding van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. [eiser 1] ,\n\n2.[eiser 2],\n\nBEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,\n\nbeiden wonend in [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de curatoren,\n\nadvocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.\n\n1.2.. De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 april 2026;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 22 van de curatoren;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 14 van [gedaagde] ;\n\n- de producties 23 t\u002Fm 25 van de curatoren; - de mondelinge behandeling op 8 mei 2026; - de pleitnota van de curatoren; - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t\u002Fm 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.\n\n3.2.. \n [persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.\n\n3.3.. De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .\n\n3.4.. Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.\n\n3.5.. Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.\n\n3.6.. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).3.7.. Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:\n\n“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:\n\n- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.\n\n- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.\n\n- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.\n\n- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.\n\nDit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”\n\n3.8.. De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.\n\n3.9.. Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.\n\n3.10.. Op 17\u002F24 maart 2026 hebben de curatoren een “Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:\n\n“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625\u002Fday will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”\n\nMr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.\n\n3.11.. Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.\n\n3.12.. Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:\n\n“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.\n\n(…)\n\nDaarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.\n\nHet is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.\n\nOm betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”\n\n3.13.. Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:\n\n“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”\n\n3.14.. Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:\n\n“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”\n\n3.15.. Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:\n\n“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.\n\nAls ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.\n\nAls ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”\n\n3.16.. Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.\n\n3.17.. Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .\n\n3.18.. Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.\n\n3.19.. Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.\n\n3.20.. Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar\u002Fin de VS.\n\n3.21.. \n [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;\n\nII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:\n\nBehandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88\n\nAmbulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00\n\nAmbulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting € 40.000,00+\n\nTotaal € 358.581,88\n\n5.2.. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.3.. De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.\n\nJuridisch kader en kern van het geschil\n\n5.4.. \n\nDe curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.\n\n [gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend.\n\n5.6.. Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?\n\nUitleg van de toezegging door [gedaagde]\n\n5.7.. In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten\u002Fgedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.\n\n5.8.. \n\nAnders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).\n\nWat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).\n\n5.9.. Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .\n\n5.10.. Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.\n\n5.11.. Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.\n\n5.12.. Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.\n\nBehandeling bij het Shepherd Center\n\n5.13.. Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.\n\n5.14.. \n [gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.\n\nAmbulancevluchtvervoer (heen en terug)\n\n5.15.. In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .\n\n5.16.. \n\nTer zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van\n\n€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS\n\n5.17.. De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).\n\n5.18.. De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting\n\n5.19.. De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp\u002Fverzorgingskosten daarna.\n\n5.20.. Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.\n\nBelangenafweging en restitutierisico\n\n5.21.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\n5.22.. Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).\n\nConclusie\n\n5.23.. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5.24.. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.\n\nProceskosten\n\n5.25.. De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.803,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.324,67\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n2091 \u002F 2009\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6340","ecli-nl-rbrot-2026-6340",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]