ECLI:NL:RBROT:2026:6801
Case Summary
Bestuursrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2970
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, het college
(gemachtigden: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2026 toegewezen in de vorm van zorg in natura. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] ( [functie] ).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding. In het bestreden besluit van 13 maart 2026 is het college overgegaan tot het verstrekken van individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Het college heeft twee passende zorgaanbieders aangedragen: [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] . Volgens het college kan geen ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Verzoeker heeft namelijk tot twee keer toe onvolledige stukken aangeleverd. Het college heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker de administratieve en organisatorische taken die horen bij het beheren van een pgb, zelfstandig kan uitvoeren. Het college heeft verzoeker daarom niet pgb-vaardig geacht. Het college overweegt daarbij ook dat verzoeker moeite ervaart met het vragen om hulp en het aanspreken van anderen en dat er risico’s bestaan voor een terugval in verslavingsproblematiek.
3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zorg in natura niet passend is bij zijn situatie. [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] kunnen niet de begeleiding bieden die verzoeker nodig heeft. Zorgorganisatie [zorginstelling 3] kan dit wel. Verzoeker heeft begeleiding door een ervaringsdeskundige nodig. Verzoeker wenst daarom een pgb te ontvangen. Het college heeft volgens verzoeker onvoldoende onderzocht of verzoeker pgb-vaardig is. Ook had het college een herstelmogelijkheid moeten bieden als het dossier werkelijk onvolledig was. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt opgedragen om verzoeker tijdelijk een pgb te verstrekken.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist en de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
5. Verzoeker voert aan dat zijn begeleiding per 14 april 2026 is beëindigd en dat op dit moment sprake is van een zorggat. Dit brengt volgens verzoeker reële en concrete risico’s op destabilisatie en een terugval met zich mee.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat hij niet kan wachten op een beslissing op het bezwaarschrift. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de door het college genoemde zorgaanbiedersgeen begeleiding door een ervaringsdeskundige kunnen bieden, betekent dat nog niet dat het op onoverkomelijke problemen zou stuiten als verzoeker voor de duur van de bezwaarprocedure zou zijn aangewezen op zorg door één van die zorgaanbieders. Dit heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat het college heeft gesteld dat de genoemde zorgaanbieders expertise hebben op het gebied van verslavingszorg. Verzoeker heeft dit op zichzelf niet betwist.
Is het bestreden besluit evident onrechtmatig?
7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Hoewel de motivering van het bestreden besluit vragen oproept (met name ten aanzien van het standpunt van het college dat – onder meer – uit het niet tijdig aanleveren van stukken blijkt dat verzoeker niet pgb-vaardig is) kan de voorzieningenrechter niet tot de conclusie komen dat het bestreden besluit waarschijnlijk niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat het aan het college is om te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking van een pgb is voldaan.Dit betekent dat het college beoordelingsruimte heeft en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van de overwegingen van het college. Het college kan gedurende de bezwaarfase nader onderzoek doen naar de pgb-vaardigheid van verzoeker en in de beslissing op bezwaar eventuele motiveringsgebreken herstellen.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog aan verzoeker geen pgb hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
In het verweerschrift heeft het college ook nog [zorginstelling 4] genoemd.
Dit is geregeld in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo.