ECLI:NL:RBROT:2026:7359
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Rotterdam
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709337 / FA RK 25-8317
Beschikking van 19 juni 2026 over de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaak van:
[naam 1], hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Pool te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2], hierna: de man,
in de Basisregistratie Personen ingeschreven als niet-ingezetene.
advocaat mr. L.L. van Dijk te Enschede.
1. De verdere procedure
1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 22 december 2025 over de bevoegdheid;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 26 januari 2026;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2026;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 2 juni 2026.
1.2.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 8 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 3] .
1.3.. De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De vaststaande feiten
2.1..
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[naam 4] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 augustus 2023 is de minderjarige onder toezicht gesteld van de GI voor duur van een jaar. Bij beschikking van 29 juli 2024 is de ondertoezichtstelling verlengd van 11 augustus 2024 tot 11 augustus 2025.
2.3.. Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 is bepaald dat onder de regie van de GI gedurende een periode van maximaal zes maanden moet worden toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij de man en de minderjarige recht hebben op omgang gedurende eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige op zondag ophaalt bij de man.
2.4.. Tijdens de mondelinge behandeling in kort geding bij de rechtbank Oost-Brabant op 17 november 2025 hebben partijen de volgende afspraken met elkaar gemaakt:
de man haalt de minderjarige om het weekend (met ingang van 29 november 2025) bij de vrouw in Schiedam op zaterdag om 10:00 uur op. De man brengt de minderjarige de volgende dag (zondag) om 17:00 uur naar treinstation Deventer Centraal, waar de vrouw de minderjarige ophaalt;
deze afspraken gelden tussen partijen totdat er in de bodemprocedure uitspraak is gedaan dan wel partijen tussentijds andere afspraken maken;
het kort geding wordt ingetrokken en partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
2.5.. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
3. De beoordeling
3.1.. Omgangsregeling
3.1.1..
De vrouw verzoekt de rechtbank om wijziging van de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2024, primair in die zin dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken omgang heeft met de man van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de man de minderjarige op zaterdag om 11:00 uur ophaalt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft, en de minderjarige op zondag om 18:00 uur terugbrengt bij de vrouw thuis, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft.
Subsidiair verzoekt de vrouw een omgangsregeling waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur omgang heeft met de man in de woonplaats van de vrouw, dan wel te Veghel indien de vrouw daar verblijft. Tevens verzoekt de vrouw te bepalen dat de man gedurende de week op een vast aantal momenten telefonisch en/of via videobellen contact kan hebben met de minderjarige.
Meer subsidiair verzoekt de vrouw een zodanige omgangsregeling vast te stellen als de rechtbank passend acht, waarbij rekening wordt gehouden met de fysieke en financiële beperkingen van de vrouw en het belang van de minderjarige bij rust, stabiliteit en veiligheid.
3.1.2..
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek primair te bepalen dat de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling wordt nagekomen. Daarbij verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-, indien zij in strijd handelt met deze regeling.
Subsidiair verzoekt de man te bepalen dat de vrouw de bij proces-verbaal van de rechtbank Oost-Brabant van 17 november 2025 vastgelegde omgangsregeling nakomt. Ook ten aanzien van deze regeling verzoekt de man te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 500,- per overtreding verbeurt, met een maximum van € 15.000,-.3.1.3.. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of van een van hen op grond van artikel 1:377e BW een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigen. De vrouw heeft aangevoerd en met stukken onderbouwd dat zij voor de uitvoering van de omgangsregeling vanwege haar medische klachten afhankelijk is van derden en dat zij inmiddels geen hulp meer hierbij krijgt van haar broer en zus. De man heeft deze stellingen onvoldoende weersproken. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van partijen.
3.1.5.. Partijen verschillen niet van mening over het belang van omgang tussen de man en de minderjarige. Het geschil ziet alleen op de praktische uitvoering daarvan, in het bijzonder het halen en brengen. Daarbij geldt dat de afstand tussen partijen (Schiedam – Gronau (DL)) aanzienlijk is, wat voor beide ouders maar ook voor de minderjarige belastend is. Tegelijkertijd is het van belang dat de omgang doorgang vindt en voor de minderjarige voorspelbaar is.
3.1.6.. Van beide ouders mag worden verwacht dat zij zich inspannen om de omgang mogelijk te maken. Die inspanning moet wel aansluiten bij wat feitelijk haalbaar is. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw medische klachten heeft, waardoor zij niet langdurig kan reizen. Daarbij heeft zij geen familie (meer) in de buurt wonen die zou kunnen helpen bij het vervoer. Het volledig bij de man neerleggen van de vervoerslast acht de rechtbank echter ook niet redelijk. De man neemt sinds het kort geding op 17 november 2025 al een aanzienlijk deel van de reistijd voor zijn rekening en heeft daarnaast een eigen kapperszaak, waardoor hij niet bijvoorbeeld op vrijdag al de minderjarige kan halen. De rechtbank weegt verder mee dat de reisafstand tussen partijen is vergroot door de verhuizing van de vrouw van Veghel naar Schiedam en dat de gevolgen daarvan niet volledig voor rekening van de man moeten komen.
3.1.7.. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de vervoerstaken tussen partijen als volgt moeten worden geregeld: eenmaal per vier weken neemt de man het halen en brengen volledig voor zijn rekening, en eenmaal per vier weken haalt de man de minderjarige bij de vrouw op en haalt de vrouw de minderjarige na afloop van het omgangsweekend bij de man op. Daarbij is het aan de vrouw om, als zij niet zelf in staat is te reizen, hulp in te schakelen voor het ophalen van de minderjarige.3.1.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de nakoming van de regeling een dwangsom te verbinden. Doordat de minderjarige na het omgangsweekend met de man op maandag weer naar school moet, gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw, in het belang van de minderjarige, zal regelen dat hij ook daadwerkelijk bij de man wordt opgehaald.
3.2.. Proceskosten
3.2.1.. Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
4.1.. wijzigt de bij beschikking van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 11 januari 2024 vastgestelde omgangsregeling, in die zin dat de man eenmaal per twee weken van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur omgang heeft met de minderjarige, waarbij:
eenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de minderjarige op zondag bij de vrouw terugbrengt;
eenmaal per vier weken de man de minderjarige op zaterdag bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarige op zondag bij de man ophaalt;
4.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.. wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Lunenberg, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van B. Bajra, griffier, op 19 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.