ECLI:NL:RBROT:2026:7441
Case Summary
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11893274 CV EXPL 25-20266
datum uitspraak: 5 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. G. Bloem,
tegen
[bedrijf] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.E.B. de Hollander.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 september 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlage;
de repliek, met bijlagen;
de dupliek;
de rolbeslissing van 6 maart 2026;
de bijlagen bij de dagvaarding van 16 september 2025.
1.2.. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1..
[eiseres] heeft met [gedaagde] een conflict gehad over het doorbetalen van haar loon tijdens haar ziekte vanaf april 2023. [eiseres] is een kort geding-procedure gestart om [gedaagde] te verplichten het achterstallig loon en toekomstig loon door te betalen. Uiteindelijk hebben partijen tijdens de zitting van 18 januari 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder andere het volgende is opgenomen:
“1. [gedaagde] betaalt aan [eiseres] het achterstallig loon vanaf april 2023 op basis van een arbeidsomvang van 30,4 uur per week, zijnde per april 2023 € 1.742,45 bruto per maand en voorts conform de CAO [gedaagde] . Daarbij wordt ervan uitgegaan dat [eiseres] vanaf 17 april 2023 onafgebroken arbeidsongeschikt is.
2. Op het aan [eiseres] toekomende bedrag wordt de netto betaling van € 850,- in mindering gebracht. Het resterende bedrag – voor zover verschuldigd tot en met december 2023 – zal uiterlijk betaald worden op 9 februari 2024, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging. Bij deze betaling zal ook het salaris over januari 2024 betrokken worden.
(…)
4. [gedaagde] zal uiterlijk op 9 februari 2024 de correcte loonstroken over de periode april 2023 tot en met januari 2024 aan [eiseres] sturen. Loonstroken over de daaropvolgende maanden zullen op de gebruikelijke wijze worden verstrekt.
(…)”.
2.2..
[gedaagde] heeft het achterstallige loon van april 2023 tot en met januari 2024 in februari 2024 verwerkt in één loonstrook en aan [eiseres] betaald. Dit loon is vervolgens door [gedaagde] volledig toegerekend aan het jaar 2024. Dit heeft een nadelige invloed op de belastingaangifte van [eiseres] , haar toeslagen en de kwijtschelding van de gemeente- en waterschapsbelasting in 2024. Zo moet zij toeslagen terugbetalen, komt zij niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke lasten, heeft zij over 2024 geen correcte belastingaangifte kunnen doen, verwacht zij een IB aanslag van € 1.705,- over 2024 en heeft zij geen teruggave van te veel betaalde belasting over 2023 ontvangen.
2.3..
[eiseres] heeft aan [gedaagde] gevraagd dit te corrigeren, omdat [eiseres] vindt dat [gedaagde] niet heeft gehandeld volgens de afspraken die partijen hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] weigert dit. [eiseres] heeft aan de Belastingdienst uitgelegd dat het hier vooral loon van 2023 betreft. Dat was voor De Belastingdienst niet voldoende. De Belastingdienst heeft volgens [eiseres] aangegeven dat [gedaagde] de loonaangiften moet corrigeren. In deze procedure eist [eiseres] daarom dat:
[gedaagde] correcte maandelijkse loonstroken – een separate loonstrook voor iedere maand – aan [eiseres] verstrekt over de maanden april 2023 tot en met januari 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] aantoonbaar de loonaangiften van [eiseres] van 2023 en 2024 corrigeert, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[gedaagde] correcte jaaropgaven aan [eiseres] verstrekt over de jaren 2023 en 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van het proces-verbaal van 18 januari 2024 dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de hierdoor door [eiseres] geleden schade moet vergoeden;
[gedaagde] een schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
[gedaagde] aan [eiseres] een voorschot op die schadevergoeding betaalt van € 6.047,-; en
[gedaagde] de kosten van de procedure betaalt.
2.4..
[gedaagde] is het niet eens met de eisen van [eiseres] . Zij vindt dat [eiseres] eerder had moeten klagen over het feit dat het achterstallige loon op één loonstrook is opgenomen. Nu zij dit pas een jaar na het opstellen van de vaststellingsovereenkomst heeft gedaan, kan zij niet meer van [gedaagde] verlangen om correcte loonstroken op te stellen. Daarnaast geeft [gedaagde] aan dat zij het loon correct aan 2024 heeft toegerekend. Het loon is namelijk uitbetaald (genoten) in 2024. Als een correctieaangifte voor [eiseres] zou moeten worden gedaan, moet dit voor alle medewerkers worden gedaan. [gedaagde] vindt dat dit niet van haar verlangd kan worden. Tot slot geeft zij aan dat als [gedaagde] wordt veroordeeld om de loonaangiften te corrigeren, [eiseres] weer recht heeft op toeslagen; dan is er geen sprake (meer) van schade.
2.5.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de loonaangiften van [eiseres] moet corrigeren en de correcte loonstroken en jaaropgaven moet verstrekken. De schadevergoeding en verwijzing naar de schadestaatprocedure worden afgewezen. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.
[eiseres] heeft op tijd geklaagd
2.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] op tijd heeft geklaagd over de (in haar visie) onjuiste loonstroken, jaaropgaven en het probleem met de loonaangiften. [eiseres] kon namelijk redelijkerwijs niet eerder dan bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting 2024 weten dat [gedaagde] het volledige achterstallige loon heeft toegerekend aan 2024. Zij heeft toen direct geklaagd bij [gedaagde] . Anders dan [gedaagde] stelt, oordeelt de kantonrechter dat [eiseres] uit het enkele feit dat alle achterstallige maandbedragen op één loonstrook staan niet had hoeven op te maken dat het achterstallige loon volledig in de loonaangifte van 2024 was verwerkt. Hier had zij namelijk geen zicht op. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op (het niet naleven van) de klachtplicht niet slaagt.
[eiseres] mocht verwachten dat het achterstallige loon zou worden toegerekend aan het jaar waarin het loon betaald had moeten worden
2.7.. Partijen verschillen van mening over de vraag aan welk jaar het achterstallige loon van april 2023 tot en met december 2023 moet worden toegerekend. Volgens [eiseres] moet het loon van deze periode worden toegerekend aan 2023. [eiseres] zegt dat dit blijkt uit de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] zegt gebonden te zijn aan de wet. Daarin staat dat belasting wordt geheven over alles wat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Dat genietingsmoment ligt volgens [gedaagde] in 2024, omdat het loon op dat moment is uitbetaald.
2.8.. De afspraken over het uitbetalen van het loon en het opstellen van de correcte loonstroken (en daarmee het verwerken van de loonadministratie) moeten worden uitgelegd aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hebben mogen afleiden en verwachten (Haviltex-maatstaf).
2.9.. In de vaststellingsovereenkomst staat dat “het achterstallig loon vanaf april 2023”(€ 1.742,45 bruto per maand) alsnog zal worden betaald aan [eiseres] . Deze afspraak moet gelezen worden in samenhang met de afspraak dat [gedaagde] over het loon“voor zover verschuldigd tot en met december 2023”(..) “10% wettelijke verhoging”zal betalen en dat zij “de correcte loonstroken” (onderstreping kantonrechter)“over de periode van april 2023 tot en met januari 2024”aan [eiseres] zal sturen. Hieruit kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat is afgesproken dat [gedaagde] aan [eiseres] alsnog loon zou betalen over de periode vanaf april 2023, dat zij vanaf april 2023 per maand een correcte loonstrook zou opstellen en de volgens die loonstroken verschuldigde bedragen alsnog aan [eiseres] zou betalen. Dat het loon pas in 2024 is betaald brengt niet mee dat dit pas in 2024 is genoten; de gemaakte afspraken impliceren immer dat dit deels (namelijk voor wat betreft het loon over april tot en met december 2023) in 2023 verschuldigd en toen ook inbaar was. Dat wordt ook nog onderstreept door de afspraak om over dit deel 10% wettelijke verhoging te betalen. Wettelijke verhoging ziet immers op het te laat betalen van loon. In het verlengde hiervan mocht [eiseres] verwachten dat het loon voor zover verschuldigd over april tot en met december 2023 in de loonadministratie van [gedaagde] aan 2023 zou worden toegerekend en (pas) het loon vanaf 1 januari 2024 aan 2024. Feiten of omstandigheden die tot een andere uitleg moeten leiden, zijn niet gesteld of gebleken.
[gedaagde] moet correcte loonstroken en jaaropgaven verstrekken en de loonaangiften corrigeren
2.10..
[gedaagde] moet daarom binnen een maand na betekening van het vonnis:
correcte loonstroken verstrekken over de periode van april 2023 tot en met januari 2024. Dit houdt in dat vanaf april 2023 per maand een aparte loonstrook moet worden verstrekt;
correcte jaaropgaven verstrekken over 2023 en 2024 in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 aan 2023 wordt toegerekend en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum van het dienstverband (9 april 2024) wordt toegerekend aan 2024;
correctie-aangiften opstellen en indienen bij de Belastingdienst en het UWV, waarbij het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan 2024. [gedaagde] moet een bewijs hiervan aan [eiseres] sturen.
Aan deze veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden. De kantonrechter stelt de dwangsom per verplichting vast op € 50,00 per dag met een maximum van € 2.500,00 per verplichting.
2.11.. De kantonrechter gaat niet mee met het standpunt van [gedaagde] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van haar te verlangen de loonaangiften te corrigeren. Dat [gedaagde] mogelijk (zij heeft dat wel gesteld maar dit is door [eiseres] betwist en vervolgens door [gedaagde] niet nader onderbouwd) de loonaangiften van alle werknemers moet corrigeren, is daartoe in elk geval niet voldoende; uit niets blijkt hoeveel tijd/geld dit kost en waarom dit gelet op het belang dat [eiseres] heeft bij de correctieaangiften niet van haar kan worden gevergd. Omdat [gedaagde] haar verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, is er ook geen reden om haar toe te laten tot bewijslevering.
De gevorderde schadevergoeding is dubbelop
2.12.. De kantonrechter wijst de gevorderde schadevergoeding af. Zij is het namelijk met [gedaagde] eens dat uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij geen schade meer heeft als de loonaangiften worden gecorrigeerd. Door het corrigeren heeft zij een lager geregistreerd inkomen in 2023 en 2024 en zou zij dus weer recht moeten hebben op toeslagen. In dat geval heeft zij geen schade. Voor het geval [eiseres] vindt dat zij onder deze omstandigheden ook nog schade lijdt (die door [gedaagde] vergoed moet worden), heeft zij dit niet onderbouwd.
Onvoldoende belang bij de verklaring voor recht
2.13.. De gevorderde verklaring voor recht wordt ook afgewezen. [gedaagde] wordt al veroordeeld om de loonaangiften te corrigeren en in te dienen. Daarnaast moet zij de correcte loonstroken en jaaropgaven verstrekken aan [eiseres] . Niet gesteld of gebleken is welk belang [eiseres] daarnaast nog heeft bij een verklaring voor recht.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 90,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.098,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de correcte loonstroken – een separate loonstrook voor iedere maand – over de periode april 2023 tot en met januari 2024 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;
3.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de loonaangiften ten aanzien van [eiseres] over de jaren 2023 en 2024 te corrigeren in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan het jaar 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan het jaar 2024 én deze correcties op de loonaangiften 2023 en 2024 in te dienen bij de Belastingdienst en het UWV onder verstrekking aan [eiseres] van een bewijs van indiening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;
3.3.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [eiseres] gecorrigeerde jaaropgaven te verstrekken over 2023 en 2024 in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan het jaar 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan het jaar 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;
3.4.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.098,47;
3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
In zoverre wijkt deze casus af van de casus die voorlag in ECLI:NL:GHARL2025:7085