Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7510

Court

Rotterdam

Date

3 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: BestuursrechtType: uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/9281
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),

en

De algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, CBR

(gemachtigde: mr. S. van der Ark).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegd medisch onderzoek naar de rijgeschiktheid. Eiser is het niet eens met het opgelegde onderzoek door het CBR. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het opleggen van het onderzoek.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het onderzoek heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 5 augustus 2025 (het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het CBR bij dat besluit gebleven.

2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.

Totstandkoming bestreden besluit

3. Op 8 juni 2025 heeft er een eenzijdig ongeval plaatsgevonden waarbij eiser tegen een verkeersbord is aangereden. Naar aanleiding van dit ongeval heeft de politie aan het CBR medegedeeld dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig van de categorie B te besturen.

3.1.. In het mutatierapport van de politie staat – voor zover relevant – het volgende:

“Op ddt krijgen wij een melding om te gaan naar de A15 Links. Aldaar zou een auto

tegen een verkeersbord zijn gereden.

Wij kwamen ter plaatse en zagen dat er een auto in de berm stond tussen de uitrit en

de autosnelweg. Wij zagen dat een verkeersbord was beschadigd. Bestuurder had geen

letsel en de schade was niet ernstig aan de auto. Hierdoor was te zien dat hij niet

met hoge snelheid tegen het verkeersbord was aangereden.

De bestuurder kon niet blazen ivm zijn astma, verder geen indicatie van alcohol.

Drugstest was negatief. Bestuurder kon niet normaal lopen en hij verklaarde dat hij

hart klachten had en astma. Wij zagen dat de bestuurder niet goed zijn knieën kon

bewegen tijdens het lopen. Wij hoorden dat hij zelf ook aangaf dat hij last had van

zijn knieën. Wij hoorden aan zijn ademhaling dat dit ging met moeite, hij moest vaak

hoesten waardoor heel zijn lichaam samentrok. De bestuurder verklaarde dat hij reed op de autosnelweg en dat hij werd ingehaald door een andere auto met hoge snelheid. Hierdoor schrok de bestuurder en kon hij niet meer recht rijden. Nadat hij het verkeersbord had geraakt probeerde hij weg te rijden, dit ging niet door de schade aan het voertuig.

Hierop besloten wij mededeling 130 op te maken. Dit door zijn fysieke gezondheid en

op zijn reactie vermogen in het verkeer.”

3.2.. Na ontvangst van de bovengenoemde melding heeft het CBR met het primaire besluit besloten dat eiser een medisch onderzoek moet ondergaan om te bepalen of hij nog geschikt is om en auto te besturen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3.3.. Met het bestreden besluit heeft het CBR het standpunt van het primaire besluit gehandhaafd. Het CBR stelt dat uit de informatie van de politie blijkt dat eiser last heeft van hartklachten, astma en niet goed kon lopen. Volgens het CBR rechtvaardigt dit een vermoeden van ongeschiktheid en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de informatie uit de ontvangen melding onjuist is. Daarnaast is er geen ruimte voor een belangenafweging op grond van de persoonlijke omstandigheden van eiser, aldus het CBR.

Standpunt eiser

4. Eiser voert aan dat het CBR ten onrechte heeft aangenomen dat er een vermoeden bestaat van rijongeschiktheid. De conclusies van de verbalisanten zijn niet onderbouwd met objectief bewijsmateriaal. Daarnaast was eiser onder indruk van het ongeval waardoor bepaalde uitspraken door de politie anders zijn geïnterpreteerd dan eiser had bedoeld. Eiser stelt dat de twijfel over de rijvaardigheid van de politie niet hetzelfde is als een vermoeden. Daarnaast is de beperkte financiële ruimte van eiser een bijzondere omstandigheid waardoor de dwingendrechtelijke bepaling buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2022.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang

5. Op zitting is duidelijk geworden dat eiser wel de opleggingskosten heeft betaald, maar niet de kosten voor het onderzoek door een arts. De rechtbank stelt vast dat het procesbelang aanwezig is, omdat het onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het beroep inhoudelijk wordt beoordeeld.

Vermoeden van ongeschiktheid

6. Volgens vaste rechtspraak dient voor het opleggen van een medisch onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.

6.1.. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage.

6.2.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR een vermoeden van rijongeschiktheid heeft mogen aannemen. Het CBR heeft zich gebaseerd op een mutatierapport waaruit blijkt dat de politie heeft waargenomen dat eiser moeilijk liep, lastig ademhaalde en dat hij vaak moest hoesten waardoor zijn lichaam samentrok. Ook blijkt uit het rapport dat eiser zelf heeft verklaard dat hij last heeft van zijn knieën en hartklachten heeft. De stelling van eiser dat de politie een en ander verkeerd heeft geïnterpreteerd volgt de rechtbank niet. Uit het mutatierapport blijkt dat de politie feitelijke waarnemingen heeft gedaan en heeft opgeschreven wat eiser heeft verteld. De rechtbank ziet, net als het CBR, geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het mutatierapport. Anders dan eiser stelt, mag het CBR zich baseren op het rapport en de bevindingen van de politie zonder nader (medisch) bewijsmateriaal. Hierbij is van belang dat het mutatierapport is opgesteld door een politieagent, die als onafhankelijke ervaringsdeskundige in staat kan worden geacht gedrag te analyseren. Dat het CBR heeft overwogen dat er wordt getwijfeld aan de lichamelijk geschiktheid van eiser maakt niet dat ten onrechte een vermoeden van ongeschiktheid is aangenomen.

Evenredigheidsbeginsel

7. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is een wet in formele zin en dwingendrechtelijk geformuleerd. Alleen in uitzonderlijke gevallen kunnen zulke bepalingen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en buiten toepassing worden gelaten (contra-legem). Dan moeten er zeer bijzondere omstandigheden zijn waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die maken dat toepassing van de wettelijke regels zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ongeschreven recht dat de regels daarom niet moeten worden toegepast.De beperkte financiële ruimte die eiser heeft om de onderzoekskosten te betalen is naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid zoals hiervoor is bedoeld.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit van het CBR in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wet- en regelgeving

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.

3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden. […]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:

a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt; […]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 23

[…]

3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

[…]

b. in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage, onder I en II;

[…]

Bijlage

B. Geschiktheid

I. Lichamelijke geschiktheid

[…]

j. uit een medische verklaring blijkt van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als bedoeld onder a tot en met i.

ECLI:NL:RVS:2022:415

ECLI:NL:RVS:2021:1462

ECLI:NL:RVS:2023:772

More Decisions