Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7862

Court

Dordrecht

Date

1 April 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Dordrecht

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/169396-25

Datum uitspraak: 1 april 2026

Datum zitting: 18 maart 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats 1]

ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats]

Advocaat van de verdachte: mr. W.J. Backer

Officier van justitie: mr. J. du Chatinier

Kern van het vonnis

De verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van zijn ex-partner (hierna; de aangeefster) en verboden vuurwapenbezit. De verdachte wordt wel veroordeeld voor belaging van de aangeefster en voor bedreiging van een collega van haar (hierna: de aangever). De rechtbank legt hiervoor aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op, met daaraan gekoppeld een proeftijd van 3 jaren en enkele bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank legt aan de verdachte verder een taakstraf op voor de duur van 80 uren. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt hierop in mindering gebracht.1. Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat

1 hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] bij de keel/nek heeft vastgepakt en/of vervolgens de keel heeft dichtgeknepen en/of op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 23 mei 2025 te Schiedam, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] bij de keel/nek vast te pakken en/of vervolgens de keel dicht te knijpen en/of op het hoofd te slaan;

2 hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en/of te Rotterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en/of video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en/of - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3 hij op of omstreeks de 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door naar zijn broeksband en/of onder zijn shirt te grijpen en/of vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;

4 hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Schiedam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool met schietbeker zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1..

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie acht het onder feit 1 primair en het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen.2.2..

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging en bedreiging (feiten 2 en 3). De volledige bewezenverklaring is vermeld onder 2.3.4. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Op 29 mei was ik ineens geblokkeerd op WhatsApp. Desgevraagd beaam ik dat via twee andere nummers ook nog berichten heb gestuurd, dat was niet handig. Ik heb nog een andere mobiel en ik heb een extra nummer erbij genomen toen ik wist dat ik geblokkeerd was.

2. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangeefster]

Na 23 mei 2025 ontvang ik dagelijks whatsapp berichten van [verdachte] . [verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . In de berichten schrijft [verdachte] dat hij mij terug wil en dat het hem spijt. [verdachte] stuurde foto's dat hij zichzelf in zijn arm had gesneden en een foto van heel veel medicijnen. Ik heb [verdachte] een bericht terug gestuurd dat hij moest stoppen en dat ik moest werken. Ik stuurde hem ook dat ik niet met hem wilde praten en dat hij beter met zijn vader kon gaan praten. Ik heb [verdachte] meerdere malen geantwoord dat ik niet meer met hem wilde praten.

[verdachte] stuurde ook spraakberichten of probeerde video te bellen met mij. [verdachte] kon via Snapchat mijn locatie zien en stuurde mij foto's dat hij mij aan het zoeken was. [verdachte] bleef maar berichten, filmpje, foto's en spraakberichten sturen. De berichten ontving ik overdag maar ook in de nacht. Ik denk in totaal wel 100 berichten. Ik denk dat ik op woensdag 28 mei 2025 [verdachte] op advies van de Politie heb geblokkeerd.

Vervolgens begon [verdachte] met een andere telefoonnummers mij lastig te vallen. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Ik ontving filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Ook probeerde hij weer te videobellen en stuurde tekstberichten.

Op 30 mei 2025 ontving ik van [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het werk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien. [verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik met een andere man was. Ik was heel bang en heb aan een collega gevraagd om de politie te bellen. De politie is ook ter plaatse geweest.

3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende aangifte [aangeefster]

Op 23 mei 2025, de eerste nacht toen ik weg ben gegaan van huis, berichtte en

belde [verdachte] mij heel vaak. [verdachte] stuurde toen een foto van zijn arm. Ik zag op

die foto dat hij meerdere sneden had in zijn arm. Hij stuurde bij de foto van zijn

arm een bericht met daarin: kom terug, hij smeekte het mij. Hij stuurde ook een foto

van veel medicijnen. Daarbij had hij een tekst erbij gezet met "loved you". Voordat hij een foto stuurde van zijn arm, zei hij in een bericht over de Whatsapp tegen mij: "I don't care if i die"

Op 24 mei 2025 en 25 mei 2025 stuurde [verdachte] mij meer dan 100 berichten met zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Dit was overdag en 's nachts. Ik zei dat hij mij met rust moest laten en zijn rust moest pakken.

Op 26 mei 2025 stuurde [verdachte] met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , een video. Hierin zei hij in de Engelse taal: "Come outside for a bit, i love you". Hierna begon [verdachte] mij met een andere, voor mij onbekende telefoonnummers lastig te vallen. Ik weet zeker dat dit de telefoonnummers van [verdachte] zijn, omdat hij hierin video's met zijn gezicht stuurt of mij smeekt te reageren. [verdachte] gebruikte hiervoor de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] . Hij stuurde ook mijn moeder en zus berichten, dat ik vreemd zou gaan.

Op 30 mei 2025 ontving ik op (de rechtbank begrijpt: “van”) telefoonnummer [telefoonnummer 2] filmpjes van [verdachte] waarop hij huilt en mij smeekte om terug te komen. Omstreeks 23:59 uur, ontving ik

van [verdachte] een foto. Op de foto is [bedrijf] te zien waar ik op dat moment aan het

werk was. [verdachte] schreef bij de foto dat hij mij met iemand anders had gezien.

[verdachte] stuurde een spraakbericht waarop te horen is dat hij mij beschuldigd dat ik

met een andere man was.

4. Proces-verbaal van de politie, bevindingen

Op 2 juni 2025 heb ik een schriftelijke klacht ontvangen ter zake: stalking door ex-vriend. Blijft contact opnemen terwijl zij dat niet wilt.

De klacht werd gedaan door:

Achternaam [achternaam aangeefster]

Voornamen [voornamen aangeefster]

De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over

te gaan.

5. Proces-verbaal van de politie, bevindingen

Ik stelde de communicatie veilig van de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025. Ik stelde de communicatie veilig van in totaal vier WhatsApp gesprekken. Dit gaat om de volgende contacten:

[verdachte] ,

56 audioberichten, 9 video's, 11 foto's/afbeeldingen en een grote hoeveelheid tekstberichten

Ik zag dat er constant over en weer communicatie was tussen aangeefster en [verdachte] .

Ik zag in de chatgeschiedenis dat aangeefster [verdachte] blokkeerde op 29 mei 2025 om 09.28 uur, deblokkeerde op 31 mei 2025 om 09.44 uur en dat zij vervolgens op het zelfde tijdstip weer [verdachte] gelijk blokkeerde.

[telefoonnummer 3] ,

Ik las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.

Ik las dat er om 02.22 uur, verspreid over meerdere losse berichten werd gestuurd: "honey, what the hell, why you blocked me, baby, querida?, I just remove my picture and you block me". Ik las hierna dat er meerdere berichten werden gestuurd waarin de verzender zijn liefde voor aangeefster uitte.

Ik zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 03.02 uur blokkeerde.

[telefoonnummer 2] ,

6 audioberichten, 3 video's en 1 foto/afbeelding en chatgeschiedenis op 30 en 31 mei 2025.

Ik beluisterde de audioberichten en ik hoorde dat dit exact dezelfde stem was als in de audioberichten in de communicatie met [verdachte] . Ik bekeek tevens ook de 3 video's die waren gestuurd naar aangeefster. Ik zag op deze video's een persoon die in selfiemodus de video's had opgenomen. Ik herkende deze persoon als verdachte [verdachte] .

Ik bekeek en beluisterde alle communicatie tussen bovenstaand nummer en aangeefster.. Ik las dat op 31 mei 2025 verspreid over meerdere berichten naar aangeefster werd gestuurd: "I saw you, babe i fcking saw hou6, you". Ik zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer blokkeerde op 31 mei 2025 om 12.12 uur.

[telefoonnummer 4] .

Ik las dat er alleen op 30 mei 2025 berichten werden verstuurd naar aangeefster.

Ik las dat er 4 berichten werden verstuurd naar aangeefster.

Ik zag dat aangeefster geen berichten terugstuurde naar dit telefoonnummer en ik zag dat aangeefster het telefoonnummer op 30 mei 2025 om 18.35 uur blokkeerde.

6. Proces-verbaal van de politie, aangifte [aangever]

Op 31 mei 2025 was ik als receptionist aan het werk in [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam. Mijn collega [aangeefster] is zijn ex-partner. Rond 16:00 uur parkeerde een zwarte Mercedes bij ons voor de deur. Ik zag een man mijn kant op staren en ineens herkende ik hem van een incident dat gisteren was gebeurd.

Ik had oogcontact met de man en dit duurde wel even. De man bleef ongeveer vijf minuten buiten in de auto zitten. Toen stapte hij uit en leunde tegen zijn auto en keek hij [bedrijf] in, gericht naar mij. Ik zag dat toen hij uitstapte hij meteen zijn hand naar zijn kruis bracht. Ik zag dat hij zijn hand onder zijn shirt deed en bij zijn kruis hield. Ik zag bij zijn kruis de contouren van, wat op mij overkwam, als een pistool.

Ik zag en hoorde dat hij iets riep, maar ik kon hem niet verstaan omdat de deur van [bedrijf] dicht was. Ik riep naar hem: "Wat zei je?". Daarop zag ik dat hij zijn hand naar de slaap van zijn hoofd bracht en schietbewegingen maakte.

Ik deed de deur van [bedrijf] op slot want er waren gasten binnen en die waren volledig in paniek, het was heel hectisch. Ik schrok van wat de man deed en voelde mij enorm bedreigd.

De man zag er vandaag als volgt uit:

  • man;

  • blank;

  • klein beetje een dubbele kin;

  • ongeveer 1.80m lang;

  • wit shirt aan;

  • korte, blauwe joggingsshort;

  • witte sneakers.

Op 30 mei 2025, was ik ook bedreigd door dezelfde man. Gisteren ging het als volgt. Ik kwam rond 15 uur op mijn werk en toen stond deze man schuin voor [bedrijf] . Op gegeven moment zag ik dat hij in de deuropening stond. Ik zei tegen hem dat ik politie ging bellen. Ik hoorde dat hij zij: "Hou je kankerbek joh neger voordat ik je door je hoofd schiet". Ik zei dat hij weg moest gaan en ik de politie ging bellen. Ik hoorde dat de man zei: "Bemoei niet, morgen kom ik je door je hoofd schieten, wacht maar ".

Ik was echt bang voor de veiligheid van mij en mijn gasten. Ook de gasten zijn mijn verantwoordelijkheid en de lobby zat gewoon vol. Vandaag had ik ook echt het idee dat hij een vuurwapen bij zich had. Dan denk je wel van zo, dit had ook anders af kunnen lopen. Ik had ook eerder van mijn collega [aangeefster] gehoord, dat deze man echt een pistool had.

7. Proces-verbaal van de politie, bevindingen

Ik opende het in dit onderzoek ter beschikking gestelde videomateriaal, opgenomen door beveiligingscamera’s van [bedrijf] aan [adres 2] te Rotterdam.

Ik zag dat er rechtsboven in het beeld 31 mei 2025 / 15:41:14 stond. Ik zag dat er een zwarte auto geparkeerd stond op de busbaan, direct voor [bedrijf] . Ik zag dat je de zijkant van de auto kon zien. Ik kon het kenteken niet zien. Ik zag dat er een persoon aan de bestuurderszijde stond. Ik zag dat de persoon over de auto heen hing en in de richting van [bedrijf] keek.

Mij is bekend dat dit verdachte [verdachte] betreft. Ik bekeek een foto in de politiebevragingssystemen en herkende Berkel aan zijn uiterlijke kenmerken zijnde gezichtsvorm en haar. Ik zag dat de persoon op de beelden [verdachte] betrof.

Ik zag dat om 15:41:17 uur, [verdachte] wegliep bij zijn auto en naar het hek van [bedrijf] liep. Ik zag dat hij zijn rechterhand bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] lopend, richting [bedrijf] keek en ter hoogte van het trottoir bleef staan. Ik zag dat [verdachte] woorden riep, kijkend naar de voorzijde van [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn hand al die tijd bij zijn broeksband hield. Ik zag dat [verdachte] omdraaide om weg te lopen. Ik zag dat hij na één stap weer omdraaide en iets riep richting [bedrijf] . Ik zag dat [verdachte] zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees. Ik zag dat [verdachte] hierbij wat riep. Ik zag dat [verdachte] hierna terug naar zijn auto liep. Ik zag dat hij hierbij zijn t-shirt naar beneden trok. Ik zag dat voordat [verdachte] in zijn auto stapte, hij weer met zijn rechterhand, wijs en ringvinger naar zichzelf wees en in de richting van [bedrijf] keek.2.3.2.. Bewijsmotivering (feiten 2 en 3)

Feit 2

Van belaging is sprake wanneer iemand opzettelijk een ander stelselmatig lastigvalt, waardoor inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. De kern van het in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) neergelegde verbod bestaat uit de stelselmatige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer. Stelselmatigheid veronderstelt een herhaling van gedragingen, zoals iemand herhaaldelijk lastigvallen; dit kan door een en dezelfde activiteit, maar dit kan ook gevormd worden door de combinatie van verschillende gedragingen.

De verdachte en de aangeefster (tevens klaagster) hebben een relatie gehad, waarna de aangeefster op 23 mei 2025 bij de verdachte weg is gegaan. Vanaf dat moment heeft de verdachte de aangeefster vele malen gebeld dan wel geprobeerd te bellen en heeft hij haar tientallen berichten gestuurd. Bij enkele berichten stuurde hij ook foto’s mee waarop vele medicijnen en snijverwondingen op zijn arm te zien zijn. De aangeefster heeft deze berichten twee dagen lang genegeerd, maar heeft op enig moment toch gereageerd. Toen de aangeefster merkte dat de verdachte hier niet rustiger van werd, heeft zij hem geblokkeerd. De verdachte wist op dat moment dat de aangeefster hem had geblokkeerd, omdat hij zag dat zijn WhatsAppberichten niet aankwamen. Vanaf toen moet voor de verdachte duidelijk zijn geweest dat de aangeefster geen contact met hem wilde. In de dagen daarna heeft de verdachte de aangeefster verschillende keren via andere telefoonnummers benaderd en heeft hij haar meerdere malen, soms meerdere keren per dag, opgezocht bij het hotelwaar zij werkte en verbleef. Daarnaast benaderde de verdachte ook familieleden van de aangeefster waarbij hij haar in Engelse berichten aan hen wegzette als hoer.

Het handelen van de verdachte heeft zonder twijfel een negatieve psychische impact gehad op de aangeefster. Gelet op de frequentie van de gedragingen en de – naar objectieve maatstaven begrijpelijke – impact daarvan op de aangeefster en haar dagelijks leven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, door zo te handelen, wederrechtelijk opzettelijk stelselmatig een inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Uit het karakter van de bewezen verklaarde gedragingen van diverse aard, in samenhang bezien, volgt dat de verdachte daarbij ten minste het oogmerk heeft gehad de aangeefster te dwingen die gedragingen te dulden. Uit de verklaringen en de inhoud van de berichten van de verdachte blijkt dat hij ook oogmerk heeft gehad om aangeefster te bewegen iets te doen, namelijk om met hem te praten en om haar vrees aan te jagen (door de te suggereren dat hij zichzelf iets zou aandoen dan wel heeft aangedaan). Het verweer van de verdediging dat geen sprake zou zijn van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster wordt derhalve verworpen.

Feit 3

Anders dan de officier van justitie en de verdediging, oordeelt de rechtbank dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging op 31 mei 2025. Op 30 mei 2025 was de verdachte ook bij [bedrijf] . Op die dag heeft hij zich bedreigend geuit tegen de aangever, waarbij hij heeft gezegd dat hij de aangever zou neerschieten. Op 31 mei 2025 stond de verdachte voor [bedrijf] , waarbij hij van afstand contact maakte met de aangever. De aangever zag dat de verdachte al lopend zijn handen bij zijn kruis hield en daarna dat de verdachte zijn hand naar zijn, verdachtes, slaap bracht en daarbij schietbewegingen maakte. Deze gebaren zijn ook opgenomen door camera’s van [bedrijf] . In het strafdossier is beschreven dat op deze beelden is te zien dat de verdachte zijn hand bij zijn broeksband hield, vervolgens zijn rechterhand naar zijn voorhoofd boog en met twee vingers naar zijn hoofd wees en hierbij wat riep. Het verweer van de verdachte dat hij zijn hand met twee vingers naar zijn hoofd bewoog om te kennen te geven dat de aangever gek is, wordt – gelet op de beschrijving van de (ook op zitting getoonde) beelden – verworpen.

Gelet op de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden en bezien in de context waarin deze zijn begaan, is de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden geschied dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.2.3.3.. Vrijspraak (feiten 1 en 4)

Feit 1

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen. Evenmin is de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.

De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar in zijn woning bij haar keel heeft gegrepen, dat hij haar keel heeft dichtgeknepen en dat hij haar hierna heeft geslagen tegen haar hoofd. De verdachte heeft dit alles ontkend. De verklaring van de aangeefster vindt te weinig steun in de overige bewijsmiddelen. In het dossier bevindt zich weliswaar een getuigenverklaring van de buurman van de verdachte, maar hij heeft de verweten handelingen niet gezien. Hij beschrijft voornamelijk de gemoedstoestand van de aangeefster kort nadat zij de woning van de verdachte had verlaten. Wat hij heeft verklaard over hetgeen in de woning van de verdachte zou zijn voorgevallen, heeft hij ‘van horen zeggen’. Over zijn waarneming dat de aangeefster toen een rood hoofd had, is hij niet nader bevraagd door de politie. De verklaring van de getuige wordt hierom niet gebruikt als steunbewijs. Het is de rechtbank overigens opgevallen dat de partner van de getuige, die toen ook in hun woning was, niet is gehoord. Ten aanzien van de diverse foto’s van de aangeefster in het dossier geldt dat niet steeds duidelijk is wanneer (en door wie) de foto’s zijn gemaakt. Reeds hierom kan hetgeen op een aantal foto’s door de politie is waargenomen niet zonder meer worden gekoppeld aan de ten laste gelegde datum. In het procesdossier bevinden zich kortom onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.

Feit 4

De verdachte wordt ook vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 4. De rechtbank licht dit toe.

De opsteller van de tenlastelegging is ervan uitgegaan dat het onder de verdachte in beslag genomen vuurwapen een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) is. Deze tenlastelegging is klaarblijkelijk gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant, die opgeleid en bevoegd is tot het juridisch beschrijven van slag-steek-of stootwapens, imitatiewapens, gasbusjes, gas-alarmwapens of stroomstootwapens. Uit dit proces-verbaal volgt het volgende. De verbalisant heeft niet het daadwerkelijke inbeslaggenomen goed onderzocht, maar heeft diens beoordeling gebaseerd aan de hand van foto’s hiervan. Op de diverse foto's van het inbeslaggenomen goed heeft hij gezien dat het gaat om een alarmpistool dat een bruin beslag op de handgreep bevatte, met hierbij een duidelijk aanwezige schietbeker. Dit laatste is een externe loop, die op verschillende manieren op een alarm- of gaspistool bevestigd wordt, maar tot doel heeft om een voorwerp af te schieten. Doorgaans zijn dit seinkogels of andere vuurwerk gerelateerde stoffen, aldus de verbalisant. Omdat er een loop in de vorm van een schietbeker aanwezig was, valt dit alarmpistool zijns inziens onder de categorie vuurwapen.

Het voorgaande is – bij gebrek aan nadere informatie over de categorie waaronder dit vuurwapen zou vallen – onvoldoende om vast te stellen dat het in dit geval gaat om een vuurwapen van categorie III onder 1 van de Wwm. Immers wordt enerzijds beschreven dat het ook na het toevoegen van de schietbeker een alarmpistool (categorie III onder 4 van de Wwm) betreft, maar anderzijds dat het desalniettemin thans beschouwd moet worden als een vuurwapen. Daarbij wordt slechts de algemene definitie van een vuurwapen weergegeven zoals ook vermeld in artikel 1 onder 3 van de Wwm, maar er is niet gespecificeerd of het dan een vuurwapen van de categorie II (onder 1 tot en met 4) zou betreffen of een vuurwapen van de categorie III onder 1. Bij gebrek aan nadere informatie is de ten laste gelegde categorisering niet wettig en overtuigend bewezen.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

2 hij in de periode van 23 mei 2025 tot en met 31 mei 2025 te Schiedam en te Rotterdam,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangeefster] , door - een groot aantal tekstberichten, spraakberichten, foto's en video's naar die [aangeefster] te sturen, - die [aangeefster] meermaals te (video)bellen, en - meermaals naar het werk van die [aangeefster] te gaan, met het oogmerk die [aangeefster] , te dwingen iets te doen, tedulden en/of vrees aan te jagen;

3 hij op 31 mei 2025 te Rotterdam, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door naar zijn broeksband en onder zijn shirt te grijpen en vervolgens schietbewegingen met zijn hand te maken;3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

Feit 2: belaging

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

3.2..

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1..

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 148 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 18 december 2025. De verdachte moet daarnaast worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren. Tevens moet de zogenoemde 38v-maatregel aan de verdachte worden opgelegd, inhoudende een contactverbod met de aangeefster. Dit contactverbod dient dadelijk uitvoerbaar verklaard te worden.4.2..

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft er (uiterst) subsidiair op gewezen dat de verdachte reeds 32 dagen in voorarrest heeft gezeten, dat hij geschorst is onder voorwaarden en dat er dientengevolge geen ruimte meer gezien wordt voor een aanvullende straf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en bedreiging. Hij heeft op verschillende manieren veelvuldig en indringend contact gezocht met de aangeefster, zijn ex-partner. Dit deed hij nadat zij aan hem te kennen had gegeven geen contact meer te willen en hem had geblokkeerd op haar telefoon. Daarnaast heeft de verdachte de aangeefster meerdere keren opgezocht bij haar werk en haar verblijfplaats. Door aldus te handelen, heeft de verdachte de grens van het toelaatbare overschreden en stelselmatig een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging. Door het plegen van deze bedreiging heeft de verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de aangever, een collega van zijn ex-partner en bij gasten van [bedrijf] , nu de bedreiging zich ook voor hen zichtbaar heeft afgespeeld. De verdachte heeft daarvoor geen oog gehad, wat de rechtbank hem aanrekent.4.3.2..

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Hoewel uit de Screening Assessment for Stalking and Harassment (SASH)zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte een geschiedenis van (relationeel) geweld jegens anderen heeft, blijkt uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 10 februari 2026 dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsadvies

In het rapport van Reclassering Nederland van 18 december 2025 staat onder meer het volgende.

De reclassering concludeert dat de verdachte in zijn huidige sociaal-maatschappelijke situatie beschikt over enkele beschermende factoren zoals een stabiele band met zijn ouders, zus en zoon. Tegelijkertijd ziet de reclassering risico-verhogende omstandigheden. Sinds vorig jaar is de verdachte zonder werk en is hij afhankelijk van een Ziektewetuitkering. Het ontbreken van een dagbesteding heeft geleid tot een verstoord dag- en nachtritme, een gebrek aan structuur en een verergering van zijn psychische problematiek. De verdachte heeft in het verleden contact gehad met psychologische zorginstellingen, maar er is geen sprake van een afgerond diagnostisch traject. Verdere diagnostiek acht de reclassering noodzakelijk om zicht te krijgen op onderliggende psychische problematiek, die mogelijk een rol speelt in het gedrag van de verdachte en zijn relationele patronen. De reclassering adviseert om te investeren in het creëren van een stabiel mentaal fundament. Dit omvat een uitgebreid diagnostisch onderzoek, gevolgd door passende behandeling, waaronder ook medicamenteuze ondersteuning. Wanneer er meer stabiliteit is bereikt, kan worden ingezet op het opbouwen van dagstructuur, het verkrijgen van werk of dagbesteding en het versterken van sociale en praktische vaardigheden. Dit kan bijdragen aan het verminderen van risico’s en het vergroten van het zelfinzicht van de verdachte en zijn handelings-mogelijkheden in toekomstige relaties en stressvolle situaties.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:

• Meldplicht bij de reclassering (na afspraak);

• Ambulante behandeling en

• Contactverbod.4.3.3..

Oplegging straf

De ernst van de feiten rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, nu de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met oplegging van bijzondere voorwaarden adviseert, ziet de rechtbank in de bewezenverklaring van slechts twee van de vier ten laste gelegde feiten en de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten aanleiding om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte openstaat voor hulp, op dit moment al aan traumabehandeling is begonnen en bereid is om mee te werken aan verdere diagnostiek. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank ziet gelet op de huidige houding van de verdachte ten opzichte van hulpverlening geen meerwaarde in het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet evenmin meerwaarde in het opleggen van een 38v-maatregel, inhoudende het opleggen van een contactverbod met de aangeefster . Dit reeds om de reden dat de rechtbank een contactverbod met haar effectueert door middel van het opleggen van bijzondere voorwaarden.

De rechtbank zal daarnaast, om de ernst van de feiten tot uitdrukking te brengen, de verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf. Echter, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 1 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen acht, komt zij tot de oplegging van een taakstraf die qua aantal uren lager is dan gevorderd.5. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285, 285b Sr.6. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte feiten 1 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3, zoals onder 2 omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straffen

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

  • de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

2. Ambulante behandeling

De verdachte laat zich diagnosticeren en behandelen door [zorginstelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op grensoverschrijdend gedrag in relationele context. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

3. Contactverbod

De verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

de verdachte zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat (nog) 16 uur taakstrafmoet worden verricht;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.

7. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.F. Smulders, voorzitter,

en mrs. D. van der Sluis en M.S. Polet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 1 april 2026.

Mr. E.P. de Jong is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier [dossiernummer] , pagina’s 1 - 110.

Verklaard tijdens de zitting van 18 maart 2026.

Pagina’s 20-23.

Pagina’s 61-66.

Pagina 67.

Pagina’s 34-36.

Pagina’s 8-11.

Pagina’s 37-39.

Pagina 110

Pagina 107

More Decisions