ECLI:NL:RBZWB:2026:5148
Case Summary
Civiel recht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: C/02/436137 / HA ZA 25-330
Vonnis van 10 juni 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser] tevens handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. K. Haak,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J. Blaak, 2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
niet verschenen, 3. [gedaagde 3] B.V. tevens handelend onder de naam [bedrijf 2],
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. J. Blaak,
gedaagde partijen,
Partijen zullen hierna worden genoemd: [eiser] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 22 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
de mondelinge behandeling van 1 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waaraan de spreekaantekeningen van partijen zijn gehecht.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1..
[eiser] exploiteert een wijnbouwonderneming. Hij kweekt druiven, welke door zijn vinoloog, de heer [persoon] , worden gebruikt om wijn te vervaardigen. Na het bottelen van de wijnen door de heer [persoon] , worden deze door [eiser] verkocht.
2.2..
[gedaagde 1] is (indirect) bestuurder van [gedaagde 3] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ex-partners.
2.3.. Op 26 maart 2024 is een gebruiksovereenkomst ondertekend door [eiser] en [gedaagde 1] .
2.4.. Op 19 april 2024 heeft [eiser] een bedrag van € 21.036,82 (inclusief accijns en btw) in rekening gebracht bij [gedaagde 1] voor de overname van 300 flessen witte wijn aan € 8,62 per stuk, 600 flessen rode wijn aan € 13,33 per stuk en 500 flessen andere wijn voor € 11,75 per stuk. Dit bedrag is aan [eiser] betaald door [gedaagde 3] .
2.5.. Op 12 september 2024 heeft [eiser] een bedrag van € 32.272,21 (inclusief btw) in rekening gebracht voor 1.350 liter rode wijn aan € 12,99 per liter, 170 liter witte Solaris wijn aan € 8,90 per liter en 1.075 liter witte Johanitter wijn aan € 7.09 per liter.
2.6.. Op 17 september 2024 heeft [gedaagde 1] namens hemzelf en [gedaagde 2] een e-mail gestuurd aan [eiser] (en zijn partner) waarin is opgenomen dat zij van mening zijn dat de factuur niet kan kloppen omdat het volume rood niet juist is en de prijs per liter niet is overeengekomen. Ook is opgenomen dat zij de gebruiksovereenkomst het volgende jaar niet willen voortzetten en verzocht om in overleg te gaan om tot een afronding te komen.
3. Het geschil
3.1..
[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk zal veroordelen aan [eiser] te betalen:
I. een bedrag van € 32.272,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2024, dan wel de dag van dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;
II. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.092,72;
III. de kosten van de procedure.
3.2..
[eiser] legt aan zijn vorderingen (samengevat) ten grondslag dat op grond van de gebruiksovereenkomst de volledige wijnvoorraad zou worden overgenomen tegen de prijzen die in de tabel op de tweede pagina zijn opgenomen. Die wijnvoorraad bestaat uit flessen wijn en uit wijn in vaten die waren opgeslagen bij de heer [persoon] . De flessen wijn zijn afgenomen en betaald, maar de wijnvoorraad bij de heer [persoon] niet, terwijl deze wel ter beschikking zijn gesteld. [eiser] stelt dan ook dat hij aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de gebruiksovereenkomst heeft voldaan en maakt aanspraak op nakoming door de wederpartij door betaling van de factuur van 12 september 2024.
3.3..
[gedaagde 1] en [gedaagde 3] voeren verweer. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4..
[gedaagde 1] voert aan dat hij geen partij is bij de gebruiksovereenkomst. Hij heeft deze overeenkomst ondertekend in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [gedaagde 3] en kan daarom niet in privé worden aangesproken tot nakoming.
[gedaagde 3] voert op haar beurt het verweer dat alleen is overeengekomen dat de flessen wijn die op voorraad waren bij [eiser] zouden worden overgenomen. De wijn die nog in vaten bij de heer [persoon] lagen opgeslagen, maken geen onderdeel uit van de overeenkomst. De tabel met de prijzen heeft zij nooit gezien. Bovendien is de wijnvoorraad niet geleverd, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op betaling van de factuur.
3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Partijen
4.1.. De rechtbank zal in het hierna volgende vaststellen wie partij zijn bij de gebruiksovereenkomst. Daarbij wordt vooropgesteld dat [gedaagde 2] , hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter zitting is verschenen en ook niet tijdig een schriftelijk antwoord heeft ingediend of om uitstel heeft verzocht, zodat tegen haar verstek wordt verleend. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen voor zover zij zich richten tot [gedaagde 2] , niet toewijsbaar zijn. [eiser] onderbouwt zijn vordering ten aanzien van [gedaagde 2] namelijk uitsluitend door de stelling dat zij mogelijk partij zou kunnen zijn bij de gebruiksovereenkomst omdat haar naam wordt genoemd in de e-mail van 17 september 2024 en zij kennelijk betrokken was bij de wijnteelt. Dat is echter onvoldoende om te worden aangemerkt als partij bij een overeenkomst. De e-mail is niet rechtstreeks door [gedaagde 2] verstuurd, noch is haar naam of handtekening op de gebruiksovereenkomst terug te vinden. Van enige andere aanknopingspunten ten aanzien van de betrokkenheid van [gedaagde 2] is voorts niet gebleken. Nu niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde 2] partij is bij de gebruiksovereenkomst en geen andere grondslag dan nakoming van die overeenkomst is aangevoerd, zal de vordering van [eiser] , voor zover deze zich richt tot [gedaagde 2] , worden afgewezen.
4.2.. Vast staat dat de gebruiksovereenkomst is ondertekend door [gedaagde 1] . De vraag is of hij dit heeft gedaan in zijn hoedanigheid van (indirect) bestuurder van [gedaagde 3] – zoals hij zelf aanvoert – of in privéhoedanigheid.
4.3.. De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst afhankelijk is van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
4.4.. Op grond van het voorgaande is van belang of het voor [eiser] kenbaar was of had moeten zijn dat [gedaagde 1] – zoals hij stelt – de intentie had de gebruiksovereenkomst te sluiten namens [gedaagde 3] . De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. [gedaagde 3] (noch [bedrijf 2] ) wordt in de gebruiksovereenkomst genoemd. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] op enigerlei wijze aan [eiser] duidelijk heeft gemaakt dat hij de overeenkomst zou hebben getekend namens [gedaagde 3] . Dat [gedaagde 3] de factuur van 19 april 2024 heeft voldaan, maakt niet dat zij daarmee partij is geworden bij de overeenkomst. Op grond van artikel 6:30 BW kan een verbintenis immers ook door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen. Daarmee wordt deze derde niet plots partij bij de oorspronkelijke overeenkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gebruiksovereenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde 1] in privé.
Overeenkomst
4.5.. Aangezien [gedaagde 1] mede namens [gedaagde 3] verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank er voor de verdere beoordeling van deze zaak vanuit gaan dat het verweer van [gedaagde 3] ook wordt gevoerd door [gedaagde 1] in privé. Gelet op dat verweer dient te worden beoordeeld wat [eiser] en [gedaagde 1] zijn overeengekomen ten aanzien van de overname van de wijnvoorraad.
4.6.. In de schriftelijke gebruiksovereenkomst is ten aanzien van de overname van de wijnvoorraad het volgende opgenomen:
4.7.. De vraag hoe een schriftelijke overeenkomst dient te worden uitgelegd, kan niet alleen op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract worden beantwoord. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij is mede van belang de bedoelingen die partijen hebben gehad bij het aangaan van de overeenkomst.
4.8..
[eiser] stelt dat partijen vooraf hebben vastgesteld waaruit de wijnvoorraad bestond en tegen welke prijzen [gedaagde 1] deze zou afnemen, conform hetgeen is opgenomen in de gebruiksovereenkomst. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar onderstaande tabel, welke volgens hem op de tweede pagina van de gebruiksovereenkomst is opgenomen.4.9..
[gedaagde 1] voert daartegen aan dat hij slechts de flessen wijn zou overnemen en nog niet vaststond dat het deel dat nog in vaten was opgeslagen zou worden overgenomen, tegen welke prijs en op welk moment. [gedaagde 1] betwist dat de hiervoor weergegeven tabel onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. Hij wijst erop dat de pagina’s van de gebruiksovereenkomst niet zijn genummerd, dat de tabel het enige op die pagina is en dat deze niet is geparafeerd of ondertekend. Bovendien bleek de kwaliteit van de wijn matig, zodat deze lastig te verkopen was.
4.10.. Het verweer van [gedaagde 1] slaagt niet. Dat de kwaliteit van de wijn (te) matig was om deze te kunnen verkopen heeft [gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd. Bovendien komt het voor rekening en risico van [gedaagde 1] om de kwaliteit van de wijn te beoordelen voordat hij een overeenkomst ter zake aangaat. Daarnaast heeft [gedaagde 1] de gebruiksovereenkomst ondertekend en is hij met de inhoud daarvan akkoord gegaan. In de gebruiksovereenkomst staat specifiek dat de wijnvoorraad zou worden overgenomen “tegen de door hem goedgekeurde bedragen zoals besproken en op papier uitgereikt”. Ter zitting is duidelijk geworden dat [gedaagde 1] vooraf wel een tabel heeft gezien waarbij prijzen zijn genoemd. Volgens hem was dat niet deze tabel, maar dat acht de rechtbank niet aannemelijk. Gesteld noch gebleken is dat sprake zou zijn van meer dan één tabel. De in deze tabel opgenomen aantallen en prijzen komen overeen met hetgeen in rekening is gebracht op de factuur van 19 april 2024, welke door [gedaagde 3] (namens [gedaagde 1] ) is betaald en over de juistheid waarvan geen discussie bestaat. Omdat de factuur van 19 september 2024 qua aantallen en prijzen ook overeenkomt met deze tabel, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 1] zich heeft verbonden alle wijnvoorraad tegen de genoemde aantallen en prijzen over te nemen.
4.11.. Voor zover [gedaagde 1] nog (subsidiair) aanvoert dat het overnemen van de wijnvoorraad onlosmakelijk verbonden is met het gebruik en het onredelijk is te verlangen dat [gedaagde 1] de wijnvoorraad zou overnemen omdat hij het gebruik had opgezegd, overweegt de rechtbank als volgt. In de gebruiksovereenkomst is geen enkel voorbehoud opgenomen ten aanzien van de overname van de wijnvoorraad. Dat partijen dit mondeling zijn overeengekomen is ook niet gesteld of gebleken. [eiser] heeft (onweersproken) toegelicht dat hij juist op verzoek van [gedaagde 1] niet alle wijnvoorraad in één keer heeft gefactureerd, maar een deel in april en een deel in september om tegemoet te komen aan de wens van [gedaagde 1] om in twee delen te betalen. Daarnaast heeft [gedaagde 1] pas op 17 september 2024 – dus ná het in rekening brengen van de factuur van 12 september 2024 – opgezegd. Ook hieraan gaat de rechtbank dus voorbij.
Levering
4.12..
[gedaagde 1] voert nog het verweer dat de wijnvoorraad niet is geleverd en hij daarom niet is gehouden tot betaling. Dat verweer slaagt eveneens niet. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de wijnvoorraad is geleverd door deze vanaf april 2024 beschikbaar te stellen bij de heer [persoon] . [eiser] heeft toegelicht dat het de bedoeling was dat [gedaagde 1] de heer [persoon] verdere instructies zou geven omtrent het blenden en bottelen van de in voorraad aanwezige wijn. [eiser] heeft daarmee geleverd, nu hij geen verder geen rol meer had. Dat [gedaagde 1] heeft nagelaten afspraken te maken met de heer [persoon] , kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. [gedaagde 1] had vanaf april 2024 wat met de voorraad kunnen doen. Ter zitting is door [gedaagde 1] aangevoerd dat de heer [persoon] de rode wijn inmiddels heeft vernietigd en de witte wijn zelf heeft verkocht, zodat levering nu niet meer mogelijk is, maar dat is in het licht van het voorgaande niet relevant. Dit is immers pas gebeurd na facturatie en zoals hiervoor benoemd had [gedaagde 1] verzocht om gespreide facturatie. [gedaagde 1] heeft dus maanden de tijd gehad om instructies te geven aan de heer [persoon] . Dat hij dit niet heeft gedaan komt voor zijn eigen rekening en risico.
Conclusie
4.13.. Op grond van al het voorgaande en omdat van geen ander verweer is gebleken, stelt de rechtbank vast dat [gedaagde 1] gehouden is de gebruiksovereenkomst na te komen door de factuur van 12 september 2024 ter hoogte van € 32.272,21 (inclusief btw) te betalen. De vordering onder I zal derhalve worden toegewezen. De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente zal als op de wet gegrond en onweersproken eveneens worden toegewezen, met ingang van de vervaldatum van de factuur, te weten 27 september 2024.
4.14..
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 1.092,72. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde 1] heeft daartegen geen afzonderlijk verweer gevoerd en het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. De vordering zal daarom worden toegewezen.
4.15..
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,11
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.360,11
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 32.272,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.092,72 ter zake de buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 3.360,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.