Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5291

Court

Middelburg

Date

10 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 8396436 \ CV EXPL 20-908

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

[eisende partij],

te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. R.R.E. Nobus,

tegen

1. [gedaagde partij 1] ,

te [woonplaats 1] , 2. [gedaagde partij 2],

te [woonplaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel.

17. De procedure

17.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 23 april 2025

  • het deskundigenbericht

  • de conclusie na deskundigenbericht van [eisende partij]

  • de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde partijen] .

17.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

18. De verdere beoordeling

18.1.. Bij tussenvonnis van 23 april 2025 is de heer [persoon] tot deskundige benoemd. Aan de deskundige is onder 5. de vraag gesteld op welk bedrag hij de goodwill begroot, die geacht moet worden te zijn bedongen bij de verkoop. De deskundige heeft in zijn onderzoeksrapport het bedrag aan goodwill begroot op nihil. [eisende partij] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht het onderzoek van de deskundige en de uitkomst daarvan niet inhoudelijk betwist.

18.2..
[eisende partij] heeft bij akte van 19 januari 2022 zijn vordering verminderd en gewijzigd en gevorderd [gedaagde partijen] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 42.933,33. Gelet op de uitkomst van het deskundigenonderzoek is de vordering van [eisende partij] niet toewijsbaar. Voor zover al aan de voorwaarde daarvoor in artikel 13 van de uittredingsovereenkomst van 23 december 2016 is voldaan, is door de deskundige onbetwist vastgesteld dat mogelijke goodwill moet worden begroot op nihil, zodat [gedaagde partijen] geen bedrag aan goodwill heeft ontvangen.

18.3..
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden vastgesteld op:

  • salaris gemachtigde

3.394,00

(4,5 punten)

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

3.538,00

18.4.. De kosten voor het deskundigenonderzoek van € 9.044,75 zijn door [eisende partij] voorgeschoten en komen – nu [eisende partij] in het ongelijk is gesteld – voor zijn eigen rekening. Bij het bepalen van de hoogte van het salaris gemachtigde aan de zijde van [gedaagde partijen] is rekening gehouden met het tarief behorende bij het jaar waarin de proceshandeling is verricht. Dit komt de kantonrechter redelijk voor, omdat niet slechts aan [eisende partij] is te wijten dat deze procedure vele jaren heeft geduurd.

18.5.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

19. De beslissing

De kantonrechter

19.1.. wijst de vordering af,

19.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, waarvan € 3.538,00 binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te betalen aan [gedaagde partijen] , te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig hieraan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, tot de dag van algehele betaling,

19.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

More Decisions