ECLI:NL:RBZWB:2026:5330
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Middelburg
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448110 / JE RK 26-826
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.1.4.. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de heer [de opa (mz)] , de opa moederszijde (hierna: mz), om bij de zitting aanwezig te zijn.2. De feiten
2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.
2.3.. Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025.
2.4.. Bij beschikking van 4 december 2025 is de beschikking van 25 november 2025 herroepen, waarbij een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is verleend met ingang van 25 november 2025 en het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is afgewezen.
2.5.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.6.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.
4. De standpunten
4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. [minderjarige] verblijft met haar halfzusje mz in een pleeggezin en er is op dit moment geen andere manier om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dan continuering van de plaatsing in het pleeggezin. Er is in de afgelopen maanden geprobeerd de opvoedsituatie van [minderjarige] te verbeteren, waaronder een verblijf in een moederkindhuis. Het leek daarna beter te gaan in de thuissituatie en de moeder pakte alles goed op, totdat zij de vader tegen de veiligheidsafspraken in op 3 mei 2026 heeft binnengelaten in haar woning en zwaar is mishandeld. Hierdoor is [minderjarige] opnieuw getuige geweest van huiselijk geweld. Daarbij is het ook zorgelijk dat de moeder van 7 uur ’s ochtends tot half 4 ’s middags buiten bewustzijn is geweest en onduidelijk is wat er die dag met [minderjarige] is gebeurd, maar zij naakt is aangetroffen door de politie. De GI maakt zich forse zorgen over de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader. De GI begrijpt dat de moeder graag wil dat [minderjarige] bij haar verblijft, maar is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] dan onvoldoende wordt gewaarborgd. De moeder is op 3 mei 2026 namelijk naar de opa mz gegaan, maar heeft op 8 mei 2026 aangegeven dat zij graag terug wilde naar haar woning. Zij was van mening dat een videodeurbel haar veiligheid zou kunnen waarborgen. De GI ervaarde op dat moment druk vanuit de moeder dat zij terug naar huis wilde en zag hierin een wisselende houding bij de moeder. Het lukt de moeder niet om de keuzes te maken die zorgen voor een veilige leefomgeving voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder gaat zorgen voor een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] en alle hulp gaat aanpakken om met de vader te breken.4.2.. Door en namens de moeder is verzocht de spoedbeslissing van 12 mei 2026 te herroepen en het resterende deel van het verzoek af te wijzen. De moeder kan namelijk samen met [minderjarige] bij de opa mz verblijven. Dat is een veilige plek voor de moeder en [minderjarige] . Vanuit daar heeft de moeder ondersteuning van de opa mz en wil zij een andere woning zoeken. Daarbij verklaart de moeder dat zij voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet heeft gezegd dat zij per direct terug naar huis wilde, maar heeft aangegeven dat zij terug naar huis zou gaan als dat veilig genoeg zou zijn. Zij kan immers niet tot [minderjarige] 18 jaar is bij de opa mz blijven wonen. Daar komt bij dat een terugkeer naar de thuissituatie ook voor de stabiliteit van [minderjarige] ten aanzien van de opvang en de zorgregeling met het halfzusje mz van belang is. Daarnaast heeft de moeder EMDR-therapie in Zeeland en vindt zij het belangrijk dat ze hier naartoe kan blijven gaan, zeker gelet op hetgeen er is gebeurd. Dit maakt dat de moeder enerzijds in Zeeland moet zijn, maar tegelijkertijd wordt de situatie in Zeeland onvoldoende veilig geacht. Hierdoor zit de moeder klem en zij heeft het gevoel dat zij steeds verder verstrikt raakt in deze situatie. Desgevraagd verklaart de moeder dat zij erg bang is geweest voor de vader. Zij kan niet inschatten waar hij toe in staat is. Hij heeft haar op 3 mei 2026 mishandeld en heeft aangegeven dat hij zichzelf aan het voorbereiden is om haar te vermoorden.5. De nadere beoordeling
5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de vader was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Gebleken is dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt en meermaals oor- en ooggetuige is geweest van huiselijk geweld. Op 3 mei 2026 is de moeder in haar woning mishandeld door de vader en [minderjarige] is hier getuige van geweest. Door de mishandeling is de moeder langere tijd buiten bewustzijn geweest. Op dat moment was de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd en het is onbekend wat er in de tussentijd met haar is gebeurd. Ook is gebleken dat de vader de moeder heeft gewurgd en heeft aangegeven dat hij de moord op de moeder aan het voorbereiden is. De moeder is op 3 mei 2026 met [minderjarige] naar de opa mz gegaan, maar heeft enkele dagen later aangegeven dat zij wilde terugkeren naar haar woning. Gelet op de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader is de kinderrechter van oordeel dat het voor [minderjarige] onvoldoende veilig om terug te keren naar de thuissituatie. Als de moeder met [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie, is immers sprake van een acuut gevaar voor [minderjarige] dat zij (opnieuw) getuige of slachtoffer wordt van ernstig geweld. Ook als de moeder met [minderjarige] bij de opa mz zou verblijven, is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende is gewaarborgd. Het lukt de moeder namelijk niet altijd om keuzes te maken die zorgen voor een veilige situatie voor [minderjarige] en zij is niet betrouwbaar als het gaat om de vader, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de omstandigheid dat zij hem tegen de veiligheidsafspraken in heeft toegelaten tot haar woning en hem vervolgens tegenover de politie in bescherming nam door te zeggen dat hij niet in haar woning was. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 26 augustus 2026.5.3.. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, zodat op dat moment opnieuw kan worden bezien wat de situatie is en welke stappen er zijn gezet om de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie te waarborgen. De kinderrechter verwacht dat de GIuiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verloop van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de situatie van zowel de moeder als de vader.5.4.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat in de komende periode wordt gewerkt aan een veilige woonplek voor de moeder en [minderjarige] . Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 augustus 2026;6.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, tegen welke zitting de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader dienen te worden opgeroepen;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.